Steentijd archeologie

Ontdekkingsreis door de prehistorie

Inleiding.

Het is goed om eerst eens te kijken naar technieken van steenbewerking en de typologie of cultuur van de bewerking die in sommige perioden soms zeer sterk verschilden. Ook is er een lange ontwikkeling geweest in steenbewerking een op het einde van de steentijd, de Bronstijd, z'n hoogtepunten kende. Hieronder worden een aantal technieken en culturen aangeduid. De omschrijving daarvan is niet volledig maar het zou te ver gaan om alle afgeleide technieken en subculuren op deze website te vermelden. In dit stuk worden daarom de technieken van steenbewerking en de hoofdculturen van de steentijd verklarend omschreven.

Het Paleolithicum kent drie perioden. Oud, midden en jong Paleolithicum. Het oud paleolithicum waarvan we eigenlijk niet precies het begin en het einde kunnen beschrijven. Eigenlijk zou je kunnen stellen dat met het begin van het gebruik van stenen door mensen om het voedsel onder bereik te krijgen het oud paleolihicum is begonnen. Zo kan het zijn begonnen door met een steen een cocosnoot te kraken of met een scherpe steen een dier te slachten. 

Ook nu kunnen we soms wonderlijke verschijnselen zien bij dieren om bij het voedsel te komen. Zo zien we kraaien die noten kraken door ze met een steen te bewerken of door ze van een dak te laten vallen. Ook apen kraken noten door er met een stuk steen op te slaan of de noot tegen een steen te beuken. Zou de paleolithische tijd zo kunnen zijn begonnen. We weten het niet precies en ook de geleerden spreken elkaar tegen. Wat we bijna zeker weten is dat de eerste homomiden al enige miljoenen jaren geleden op aarde rondliepen. Hoe ze echter hun werktuigen maakten of bewerkten tot handzaam gereedschap kunnen we alleen maar vertellen als dat gereedschap in de context met andere zaken wordt aangetroffen.

Een voorbeeld.

In 1962 vond Louis Leakey in Koobi Fora in Kenia een aantal stukjes bot die tot een schedel behoorden. Na verder zoeken kon den uiteindelijk een 150 stukjes bot worden verzameld en kon een schedel worden geconstrueerd met een herseninhoud van ca 775 kubieke centimeter. De aardlagen waarin de stukjes van de schedel werden gevonden werden zijn met radiometrische methoden gedateerd op ongeveer 1.88 niljoen jaar geleden.  De schedel werd toebedacht aan één van de eerste mensachtigen die rechtop liepen en werd gedoopt tot de Homo Rudolfensis naar de Lake Rudolf waar de fossiele beenderen werden gevonden. Veel wetenschappers zijn echter van menin dat de homo Ruldofenisis een homo Habilis type is. Der wetenschappelijke naam van de scheldel is KNM ER1470. De schedel van de Homo Rudolfensis is één van de belangrijkste vondsten ooit gedaan uit het begin van de menselijke evolutie. Bij de vondst van de schedel en andere botten werden in dezelfde grondlagen bewerkte stenen aangetroffen. Deze bewerkte stenen waren premitief bewerkte vuistbijlen. Er waren hier grote stukken van een platte steen geslagen en die maakten van die platte steen een handzaam stuk gereedschap om er b.v. mee te snijden. Hier werden botten van een mensachtige en bewerkte stukken steen in een zelfde grondlaag aangetroffen en kon een samenhang tussen botten en bewerkte stenen worden vastgesteld. Onderzoek naar het botmateriaal leverde een datering op en afgeleid van die datering kon ook de datering van de premitieve vuistbijlen worden vast gesteld.

De naam van de vallei waar de schedel is gevonden is later veranderd van Koobi Fora in Turkana Leakey

Hoofstuk I.

Basis technieken steenbewerking.

Vanaf het moment dat mensachtigen stenen gingen bewerken om die te gebruiken als werktuigen tot de tijd dat gebruik werd gemaakt van brons en ijzer voor werktuigen zijn een aantal technieken in de bewerking te onderscheiden. Er kunnen van steen stukken worden afgeslagen die zo scherp zijn dat je ze meteen kunt gebruiken maar er kan ook door steeds stukken van een steen af te slaan gewerkt worden naar een uiteindelijk gebruiksvoorwerp. De allervroegste techniek van bewerking was die van een hamer en aambeeld. Daarna volgde een technietk die daaraan verwant was en bipolaire techniek wordt genoemd. Met de evolutie van de mens veranderden de technieken en werd vervolgens een bewerking met harde percussie, daarna met zachte percussie en ten slotte een druktechniek toegepast.

Oldowan chopperHamer en aanbeeld techniek. De hamer en aambeeld techniek voor het verwijderen van stukken steen (afslagen) van de kern is één van de oudste gedocumenteerde methoden. Het is voor het gebruik een effectieve methode om een scherp voorwerp te maken. De methode bestaat uit het met kracht gooien van een stuk steen op een groter stuk waardoor een escherpe stukken (afslagen) af spatten of door het slaan met de steen op een ander stuk steen of rots.  Eigenlijk wordt hier de steen (kern) die een werktuig moet worden als hamer gebruikt. Door het gooien of slaan spatten er stukken van de steen die een scherpe rand hebben en meteen bv. als snijwerktuig gebruikt kunnen worden. De techniek heeft ook grote nadelen. Degene die de stenen bewerkt heeft geen controle op zijn werk. Door de kracht die gebruikt wordt bij het slaan spatten de stukken steen die afgeslagen worden alle kanten op en vormen een groot gevaar voor verwonding.

Het is vrij moeilijk om deze premitieve stukken die volgens deze methode zijn gemaakt vast te stellen of ze door mensen zijn vervaardigd. ook onder druk kunnen stukken steen af splijten en ook door het vallen van stukken rots op een harde ondergrond.

Bipolaire techniek. De bipolaire techniek is eigenlijk een verfijning van de hamer en aambeeld techniek. Bij de bipolaire techniek wordt het te bewerken stuk steen (kern) op het aambeeld (platte steen) gelegd. Vrevolgens wordt met een grotere steen op de kern geslagen waardoor er stukken van die kern afspatten of afsplijten. Door de kracht van het slaan met de grote steen (hamer) op het kernstuk breken stukken af die groot genoeg zijn om als werktuig te kunnen worden gebruikst bv als mes of schaaf. De kern waarvan de stukken worden afgeslagen kan vervolgens ook als werktuig gebruikt worden.

Deze bipolaire techniek is veel gebruikt bij rivieren. Immers in rivieren worden door de stroming en het vertplaatsen de stenen afgerond en vormen dan ideale stukken om bewerkt te worden. Door stukken van de afgeronde stenen uit de rivier te slaan kunnen ronde stenen met een puntig uitein de gewormd worden die ideaal als gebruiksvoorwerp kunnen dienen voor allerlei doelen. Bij de Maasns land worden duizenden kleine ronde maaskeitjes aangetroffen. Ook op de hogere taluds langs de Maas. Sommigen menen dat langs de maas veel bipolair bewerkte m aaskeitjes zijn te vinden. Vooralsnog is het verband van door mensen gebruikte maaskeitjes niet voldoende aangetoond. Mogelijk komen we in de komende jaren een stapje verder en kunnen we ook aantonen dat afgeslagen maaskeitjes (choppers) ook door mensen in de prehistorie zijn gebruikt. Eerder vermelde ik al dat er een oorzakelijk verband moet zijn tussen de vindplaats en de aanwezigheid van mensen om voldoende te kunnen vast stellen dat het om een menselijk artefact gaat.

Harde percussie.Technieken ontwikkelen zich vaak vanuit een eerdere techniek. Dit is ook het geval van de techniek met harde percussie. Bij de bewerking met hardepercussie wordt het te bewerken stuk steen (kern) vast gehouden. Dit kan door middel van de kern vast te houden met een hand of te plaatsen tussen of op de knieën. Met een ander stuk steen wordt op het kernstuk geslagen. Het stuk steen waarmee wordt geslagen wordt slagsteen genoemd. Voorwaarde is dat de slagsteen elastischer is dan de te bewerken (vuur)steen. Dit is bv het geval als je met een kwartsiet als slagsteen tegen een stuk vuursteen - de kern - slaat. Vuursteen heeft als voordeel dat het goed splijtbaar is en er langere stukken kunnen worden afgeslagen. Door de slagsteen goed te hanteren en met deze op een vooraf bepaalde plaats te slaan kan een goede controle worden uitgeoefend op de bewerking. De bewerker weet waar hij slaat en hoe groot het stuk is dat hij ongeveer afslaat. De afgeslagen stukken worden afslagen genoemd en worden op sommige plaatsen van bewerking in grote getale aangetroffen evenals de overblijfselen van de steen (kern) waarvan de stukken zijn afgeslagen. Als slagsteen zijn veel kwartsitische rolsteentjes gebruikt. Naast het vasthouden van de te bewerken vuursteen kan ook als steun een soort aambeeld gehanteerd worden om grote stukken vuursteen te bewerken tot een meer hanteerbare vorm.

Ook in de techniek van de bewerking met harde percussie, slag of klopsteen, komen variëteiten voor. Een daarvan die zeker genoemd moet worden is de Levallois techniek. Een techniek die voor het eerst benoemd werd toen bij Levallois-Perret een plaats ten noordwesten van Parijs, een goot aantal artefacten aangetroffen wrden die qua bewerking een afwijkende vorm hadden. De levallois techniek heeft als kenmerk dat rondom een  kern stukken worden afgeslagen en dat op deze wijze het werktuig wordt vervaardigd. De techniek wordt ook wel schildpad techniek genoemd omdat om de kern heen steen stukken van de rand worden afgeslagen waardoor het beeld ontstaat van het schild van een schilpad. Deze techniek is in Frankrijk en Belgie veel aanwezig op artefacten en ook ion Nederland zijn onderhand een groot aantal artefacten gevonden die volgens deze techniek zijn bewerkt.

Eén van de voornaamste vroege vondsten in Noord Nederland die volgens deze Levallois techniek is vervaardigd is de in 1939 door de amateur archeoloog Hein van der Vliet te Wijnjeterp (nu Wijnjewoude) gevonden vuistbijl.  Deze vuistbijl werd in het begin niet als een volgens de Levallois techniek vervaardigde vuistbijl erkend. Pas in 1956 volgde de erkenning van deze vuitsbijl.

Zachte percussie. Werd bij de bewerking met harde percussie vaak nog de kern op plaatsen verbrijzeld of onnauwkeurig afgeslagen bij de bewerking met zachte percussie slaagde men er in om meer sturing te geven aan de afslagen. Vanuit een eerder bewerkt slagvlak werden met een hamer en beitel dunne rechte stukken afgeslagen (klingen) die eigenlijk ook meteen voor gebruik geschikt (mes of kerf) waren of met een fijnere bewerking tot andere gebruiksvoorwerpen werden omgeturnd. (holle schaaf of boor)

Bij de zachte percussie techniek werd gebruik gemaakt van bv. een hamer van gewei, been of hout en een beitel die ook vaak vervaardigd werd van hetzelfde materiaal. Van een stuk vuursteen, silex of obsidiaan werd een stuk verwijderd waardoor een soort vlak ontstond. Het vlak werd gebruikt als slagvlak. De beitel werd op de rand van het slagveld geplaatst en door een forse tik met de hamer werden stukken afgeslagen. Met behulp van deze techniek kan men lange stukken afslaan die klingen worden genoemd. 

De klingenfabricage heeft tot een omwenteling geleid in het gebruik van vuursteen, silex en obsidiaan. Op plaatsen waar veel vuursteen voorradig was, bv in de kalklagen in Limburg zijn industriën ontstaan in steenbewerking die tot een hoogtepunt kwamen in het Neolithicum. Vaak treft men op dit soort plaatsen het restmateriaal aan van die bewerking aan. Op sommige plaatsen in Limburg in het Savelse bos, soms een meter dik.

Druk techniek. Bij de druktechniek worden afslagen en klingen verder bewerkt voor het gebruik voor bepaalde doelen. Denk bv. aan een scherpe kling die door stukken af te drukken van de scherpe kanten wordt voorzien van kartels. Bij de druk techniek worden van een lange kling kleine stukjes afgedrukt van het snijvlak. Dit kan door de scherpe rand met een bepaalde techniek op een steen te drukken  warabij er steeds kleinere schilfertjes afbrokkelen. De druktechniek is steeds verder verfijnd met als hoogtepunt de bewerking tot fraaie dolken en speren in  de Bronstijd.

Eigenlijk moet er nog een techniek aan toegevoegd worden en dat is de slijptechniek. Een voorwerp dat qua vorm gebruiksklaar was kon ook worden geslepen. In het laat Paleolithicum worden al gebruiksvoorwerpen aangetroffen die deels geslepen zijn. Pas in het Neolithicum wordt het slijpen van vuurstenen werktuigen zoals bijlen, dolken en sikkels veelvulig toegepast met een hoogtepunt in de Bronstijd. Voor het slijpen werd gebruik gemaakt van zandsteen. Door langdurig met het gebruiksvoorwerp over de zandsteen te wrijven ontstonden gladde geslepen vlakken op het voorwerp en soms vinden we staaltjes van uiterste precissie van dat slijpen terug op de voorwerpen. De voor het slijpen gebruikte zandsteen wordt vaak terug gevonden op de plaatsen waar men deze slijptechniek heeft toegepast. Ze zijn vaak diep ingeslepen en helemaal glad geschuurd. Mogelijk heeft men bij het slijpen van werktuigen op zandsteen gebruik gemaakt van zand.

 

Hoofdstuk II

Acheuleen.

Bepaalde technieken die zijn toegepast in de steenbewerking tot het vormen van gereedschap hebben een eigen naam meegekregen. Het Acheuleen is één van de technieken die in een tijdschaal geplaatst kan worden met betrekking tot de kenmerkende werktuigen die in die periode werden ontwikkeld en gebruikt. In het acheuleen zijn dat de vuistbijlen die vanaf ongeveer 1.76 miljoen tot ongeveer 100.000 jaar geleden werden gebruikt. De steeds terug kerende vorm in de leef gemeenschappen van mensen in de oude steentijd zijn kenmerkend en wordt een cultuur genoemd. De term Acheuleen heeft zowel betrekking op de periode in de oude steentijd als op de techniek die werd gebruikt bij het maken van vuistbijlen.

De naam Acheuleen is afgeleid van de Franse plaats Saint Acheul waar de typische vroeg paleolithische cultuur die overigens op meerdere plaatsen op de wereld werd aangetroffen, een naam werd gegeven. In 1872 stelde de archeoloog G. de Mortillet een onderzoek in naar een aantal vuistbijlen die bij Saint Acheul gevonden werden en gaf een naam aan de bewerking die hij eenvoudig weg naar de plaats van herkomst noemde. Algemeen wordt aangenomen dat het Acheuleen zich heeft ontwikkeld in Afrika en is voortgekomen uit de eerdere culturen het Olduwan in de Olduva vallei en het Abbevillien in Frankrijk. Het acheuleen heeft qua cultuur en tijd een brede ontwikkeling doorgemaakt en is tenslotte ook in Noord Europa terecht gekomen.

De kenmerkende ontwikkeling van de techniek bij het maken van vuistbijlen loopt als een rode draad door het Acheuleen. Kenmerkend zijn de scherpe randen van de prachtig afgewerkte vuistbijlen. Ze werden gemaakt van brokken steen die men eerst uit de rotsen had gehakt of van stukken steen die men had aangetroffen. Vervolgens werden systematisch stukken van de beide zijkanten geslagen totdat een scherp snijvlak aan beide zijden ontstond. Door deze techniek te verfijnen ontstonden platte symetrisch gevormde vuistbijlen met een ovale vorm. Omdat bij deze techniek aan beide zijden symetrisch wordt gewerkt wordt de techniek ook bifaciaal genoemd.

Het restafval van de bewerking, de afslagen, werden ook vaak gebruikt. De lange scherpe afslagen werden gebruikt als snijwerktuig. De meer rondere afslagen tot schrabbers of schaven. Op sites waar deze bewerking heeft plaatsgevonden wordt vaak heel veel afvalmateriaal terug gevonden. Soms lukt het om met behulp van aan elkaar passen van de afslagen (refiting) het proces dat de maker heeft doorlopen om een vuistbijl te maken terug te volgen. Door deze techniek wordt het zichtbaar op welke wijze in de prehistorie de techniek heeft plaats gevonden.

 

Hoofdstuk III.

Moustérien.

Een nieuwe ontwikkeling was die waar een nieuwe techniek werd toegepast. De ontwikkeling van de levallois techniek (zie hoofdstuk 1.)  bracht ook een heel andere cultuur mee. Deze cultuur werd gekenmerkt door een nauwkeuriger methode bij de afslag van stukken van een lang kernstuk waarbij het slagvlak volgens een bepaalde methode vooraf werd geprepareerd. Door de volgens deze levallois methode toegepaste bewerking werden de afslagen beter geschikt voor verdere bewerking tot schrabbers, spitsen, mesklingen en andere werktuigen. De vaak driehoekige afslagen die ontstonden bij deze techniek,waren gemakkelijk verder voor gebruik geschikt te maken door ze verder te bewerken.

De naam Moustérien is afkomstig van de ontdekking van een vindplaats waar voor het eerst de nieuwe cultuur werd ontdekt, Le Moustier in de Franse Dordogne. Daar werden ook de eerste bewijzen gevonden dat stenen werktuigen werden geplaatst in een houten handvat. Het waren de Neanderthalers die deze techniek ontwikkelden en stenen punten (spitsen) door middel van hars en dierenpezen vastmaakten aan stelen. Op die wijze ontwikkelde ze de eerste hakbijlen en werpsperen. De Moustérien cultuur is over een groot deel van de aarde gebruikt. De Neanderthalers hebben in het grootste deel van hun bestaan deze techniek gebruikt en ontwikkeld. Pas in hun nadagen stapten zij over op andere technologiën. Onbekend is nog of deze overstap te maken heeft gehad met invloeden van de moderne mens op de samenleving van de Neanderthalers.

Het traditie of cultuur van het Mousterien wordt ruwweg gerekend tussen het einde van de Saale ijstijde 130.000 jaar geleden en ongeveer 35.000 jaar geleden. De ontdekker van de cultuur G.Mortilet meende dat de Mousterien cultuur die van de Neanderthalers was. Echter heeft verder onderzoek ook aan het licht gebracht dat niet alleen de Neanderthalers deze cultuur van bewerking hanteerden maar dat ook de moderne mens de Mousterien cultuur zich eigen heeft gemaakt. Of deze traditie door vermeninging van de Neanderthaler met de moderne mens tot stand is gekomen is niet duidelijk.

Wetenschappers hebben tussen het Acheuleen en het Moustérien nog een cultuur periode geplaatst. Het Clactonien. Deze cultuur is ontdekt bij Clacton on Sea in Essex Engeland. De ruw bewerkte stukken bruine vuursteen die voor het eerst in Clacton on Sea werden aangetroffen waren door het rollen in de branding sterk afgesleten. Toen later bij de aanleg van een spoorlijn bij Spienes in België in grindlagen een zelfde soort artefacten werd aangetroffen die ook aan slijtage onderheving waren geweest, heeft men gemeend deze artefacten in een afzonderlijke cultuur te plaatsen, het Clactonien.

 

Hoofdstuk IV.

Aurignacien.

Zoals de andere culturen is ook het Aurignacien genoemd naar een plaats nl. Aurignac in Frankrijk.  In grotten onder de laag waarin artefacten uit het Aurignacien zijn aangetroffen ligt vaak nog een laag uit het  Magdalénien. Hierover later meer. Omdat de lagen waarin het Aurignacien wordt aangetroffen recenter gedateerd worden dan die uit het Mousterien worden ook meer sporen aangetroffen zoals haarden, maaltijdresten, werktuigen, wapens en soms ook sierraden. De Aurignacien vuursteen artefacten hebben als kenmerk dat ze minder grof zijn en veel fijner bewerkt dan de artefacten uit eerdere tradities of culturen. In de regel zijn de Aurignacien vuursteen artefacten gemaakt van klingen die van een kern zijn afgeslagen, waarbij elke klingafslag een duidelijke functie als werktuig heeft. Ook werden in het Aurignacien bot, ivoor en gewei gebruikt voor het vervaardigen van werktuigen en wapens.

Het Aurignacien begon afhankelijk van het gebied tussen de 40.000 en 36.000 jaar geleden en eindigde zo tussen 28.000 en 26.000 jaar geleden. In dezelfde perode vanaf 30.000 tot  28.000 jaar geleden kende een deel van Frankrijk een Spanje nog een afgeleide traditie die het Châttelperonien wordt genoemd en voor het eerst ontdekt werd in het Franse Châttelperron. De bewerking van de vuursteen werktuigen verschilde hierin met dat van het Aurignacien dat deze in de Châttelperonien cultuur vaak getand waren.

De mensen in het Aurignacien droegen sierraden zoals is gebleken bij tal van opgravingen in grotten. Die sierraden werden gemaakt van been, ivoor, schelpen en tanden. Ook de kunst deed zijn intreden zoals is gebleken uit veel wandschilderinge  in grotten in onder anderen de Franse Dordogne. Ook werden fraaie beeldjes gemaakt van ivoor en werden op stukken bot door middel van inkerving dieren afgebeeld.

 

 

Voorbeelden van bewerking van vuursteen uit het aurignaciën. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk V.

Magdalénien.

Evenals de voorgaande culturen heeft het Magdalénien een ooorsprong in de plaats waar de typologie van de artefacten voor het eerst werd ontdekt en omschreven. De plaats was de bekende abri van Madeleine in de Franse Dordogne. Behalve in Frankrijk zijn ook in België in een aantal grotten artefacten gevonden die qua typologie gewrekend kunnen worden tot het Magdalénien. Typische vuurstenen gebruiksvoorwerpen uit deze cultuur zijn de verschillende stekers en klingen met kerven. Ook klingschrabbers en priemen zijn kenmerkende werktuigen uit deze cultuur. Er is een grote ontwikkeling in de bewerking van been tot werktuigen en sierraden terwijl de speerpunten van been voorzien worden van grote weerhaken. Op de vindplaatsen zijn veel bewijzen aangetroffen van sierraden die gedragen werden zoals doorboorden schaelpen en tanden.

De periode van het Magdalénien gaat in Noord Nederland over in de Hamburg cultuur die bij het Jong Paleolithicum verder wordt besproken.

 

 

 

 

 

Bronnen:

Bordes F. - Aan de wieg van de mensheid.

Beuker J. - Vuurstenen werktuigen, technologie op het scherp van de snede.

S.J.de Laet en .Glasbergen - De voorgeschiedenis der lage landen, 1959.

Universiteit van Californië - Lithic technologie. 

Copyright © 2011 Archeoweb | Ontwerp en advies Jongsma Automatisering | Powered by WebsiteBaker

Total visitors: 85,009
Visitors today: 1
Visitors yesterday: 60
Max. visitors per day: 383
Currently online: 2
Max. online: 32
Total page views: 353,711
Page views of this page: 3,830
counter   Statistics