Steentijd archeologie

Ontdekkingsreis door de prehistorie

Archeologische verslagen.


 Jagers-verzamelaars in Haacht (België),

door: Bart Wils.

In 2015 vond vrijetijdsarcheoloog Bart Wils tijdens een veldprospectie in Haacht twee fraaie prehistorische werktuigen. Ze dateren uit het mesolithicum, de midden-steentijd. Die tijdsperiode is van ongeveetr 11.200 jaar geleden en duurde tot zo'n 7.400 jaar geleden.

De start van het mesolithicum kenmerkt zich door de overgang van de laatste ijstijd naar het tijdperk waarin we nu leven, het warmere holoceen. Door het opwarmende klimaat evolueerde het open landschap uit de ijstijd naar een bosrijk landschap. Loofbossen ontstonden, de vegetatie werd rijker en dichter. De grote grazers van voorheen, zoals de mammoet en de wolharige neushoorn, vonden steeds moeilijker open landschappen om aan voedsel te komen. Ze verdwenen van het toneel. Dieren die wel goed gedijden waren onder meer edelhert, ree, everzwijn en oerrund.                                                                                     

Veldvondst.

Onze mesolithische voorouders bejaagden deze dieren met pijl en boog. Pijlpunten en weerhaken werden grotendeels vervaardigd uit silex (vuursteen) en kwartsiet. De toegenomen bebossing betekende echter dat het vinden van geschikte stenen aan de oppervlakte als maar moeilijker werd. De dichte vegetatie onttrok deze goed bewerkbare stenen aan het zicht. Het materiaal dat nog te vinden was, bijvoorbeeld in oude rivierterrassen en      -beddingen, was minder in aantallen en kleiner.

Dat vond zijn weerslag in het type werktuigen en wapens dat men vervaardigde. De combinatie van minder grondstoffen en kleinere prooien, maakten dat ook de pijlbewapening kleiner werd, net als andere stenen werktuigen, om bijvoorbeeld bot, hout, planten en dieren mee te verwerken. Gemiddeld gezien zijn werktuigen uit de middensteentijd opvallend kleiner dan die uit de oude en nieuwe steentijd.

Semi - nomadische Levensstijl.

De voorgangers van de mesolithische mens kenden in de oude steentijd een nomadische levensstijl. Hun migratieroute werd bepaald door het klimaat, de seizoenen en de nood aan voedsel en grondstoffen. Men trok kuddes dieren achterna, een zekere voedselbron.

Hun erfgenamen in het mesolithicum trokken eveneens rond. Maar verandering was op til. Door het rijkere aanbod aan voedsel daalde de noodzaak om voortdurend verder te trekken. Lokaal was wild aanwezig, ook vis stond bij bepaalde groepen vast op het menu. Men kon ter plaatse vruchten, noten en ander lekkers verzamelen. Men kon zo langer op dezelfde plaats blijven en zo ontstonden kampen voor enkele weken, een heel seizoen of mogelijk zelfs langer. Men kampeerde vooral op hogere ruggen in de buurt van water. Wellicht werden tenten of hutten opgetrokken, maar sporen daarvan zijn practisch niet overgebleven. Organisch materiaal heeft slechts zeer uitzonderlijk de tand des tijds doorstaan. Van pijlen bijvoorbeeld zijn de houten schachten vergaan. De vuurstenen artefacten overleefden echter wel, als stille getuigen aan verloren gegane culturen.

Schrabber en pijlbewapening.

In het kader van vrijwilligerswerk voor de Dienst Prehistorische Eenheid van de KU Leuven trekt vrijetijds archeoloog Bart Wils elke week de velden op. Op zoek naar stenen artefacten uit lang vervlogen tijden. In 2015, tijdens verschillende veldprospecties, vond hij twee goede indicaties dat mesolithische jagers/verzamelaars ook door Haacht zijn getrokken. Dit in de vorm van een schrabber en een pijlonderdeel.

                                                                                                                                                           Schrabber.

De schrabber is klein van formaat (32 hoog x 21breed x 5,5 mm dik) en vervaardigd uit silex. Door duizenden jaren blootgesteld te zijn aan weer en wind en bodemprocessen, patineerde de vuursteen naar een glanzend grijsbeige tot koperachtige kleur.

Eerder onderzoek op gebruiksporen op schrabbers wees uit dat deze werktuigen meestal gebruikt werden om dierenhuiden te bewerken. Ze zijn in verhouding tot andere prehistorische werktuigen veelvoorkomend. De vondst uit Haacht is eerder zeldzaam. Een schrabber heeft meestal een deel van de rand bewerkt (" geretoucheerd "). De schrabber in kwestie is helemaal rondomrond bewerkt. Bovendien is het artefact aan beide zijden bewerkt ( "bifaciaal" ). Deze combinatie komt niet vaak voor.

Assymetrisch trapezium. 

Pijlonderdeel.

Het tweede artefact behoort typisch tot de spitsen, een classificatie voor onderdelen van pijlen, meer bepaald de pijlpunten en zijdelingse weerhaken. Spitsen komen in veel verschillende types voor. Het in Haacht gevonden type is een zogenaamde "assymetrische trapezium". Een typologie die perfect in de midden steentijd past. Onderzoek op gebruikssporen op vergelijkbare spitsen, suggereert dat deze spits uit Haacht wellicht niet als punt op de pijl werd gegemonteerd maar als zijdelingse weerhaak. Vaak werden ze in serie gemonteerd in de pijlschacht.

 

Het exemplaar uit Haacht ( afm. 25 x 10 x 2 mm ) toont een mooi staaltje vakmanschap. De vuursteenbewerker in kwestie beheerde de techniek tot in de puntjes. Hij slaagde er in om eerst een zeer fijne, gelijkmatige kling van een silexsteen af te slaan. Vervolgens werd deze gebroken en geretoucheerd in trapeziumvorm. Dergelijke trapezia dateren van de laatste fase van het mesolithicum, ruwweg rond 6000 v Chr.

Het artefact heeft wellicht duizenden jaren in de bodem gelegen die vochtig en ijzerrijk was. Waarschijnlijk is door infiltraties in de silex de fraaie diepkoperen, roestige patina ontstaan.

 

Conclusie.

Kunnen we effectief stellen dat er menselijke aanwezichheid was in het mesolithicum in Haacht ?. Hoogst waarschijnlijk wel. Het vinden van dergelijke stukken in situ zou helemaal uitsluitsel geven. Bijvoorbeeld tijdens een opgraving in een context waarbij de bodem niet verstoord werd. Zo'n gerichte opgraving is nog niet gebeurd. Maar het aantreffen van de vondsten ter plekke, zelfs al is het in een verploegde en dus verstoorde grond, geeft wel een prima indicatie.

De mogelijkheid dat mensen in de middensteentijd het Haachtse landschap doorkruisten, er jaagden en er huiden bewerkten, in niet alleen een facinerend idee, maar ook een aannemelijke werkelijkheid.

Bronnen:
D.stapert en L.Johanssen 2005 - Spitsen van Siegerswoude, Emmerhout, Luttenberg.
D.Stapert en L.Johanssen 2003 - De cheddar en Cresswel-spitsen van Zeijen.
 
Replica's: Morten Kutschera.
Foto's: Nicole Brody.
 

JFK-sept.2017.

 
 

 

De middeleeuwse Lewis schaakstukken.

Onlangs kwam op facebook een foto langs van Frans de Vries. Op de foto een beeldje dat duidelijk herkenbaar is als een afbeelding van een Viking.  "Wikie de Viking" dacht ik even als herinnering aan de populaire kinderserie in het verleden.

Frans liet al snel weten dat er een prachtig verhaal aan het Viking beeldje zit en dat het beeldje deel uitmaakt van een beroemde vondst van 78 schaakstukken van walrus ivoor en stamt uit de 12e eeuw. Wie en wanneer deze vondst precies werd ontdekt is niet helemaal duidelijk maar met enige zekerheid zijn de schaakstukken rond 1830 aan de westkust van Lewis in een baai gevonden. Behalve de 78 schaakstukken bestond de vondst uit een aantal tabula stenen en een gesp. De vondst werd op 11 april 1831 voor het eerst tentoongesteld op een bijeenkomst van de Society of antiquaries in Schotland.

Vermoedelijk zijn de schaakstukken in IJsland of in Noorwegen in de Viking periode uit walrus ivoor gesneden, Op merkelijk is dat bij het Noorse Trondheim een soortgelijk stuk is ontdekt. Onderzoekers houden echter een voorkeur voor IJsland omdat daar rond het jaar 1200 een bekende ivoor snijdster - Margrét Oddhage - leefde die zeer bedreven was in het uitsnijden van figuren uit walrus ivoor.

 

 Het schaakspel zoals het opgesteld is in het Nationaal museum of Scotland.

Het schaakspel komt oorspronkelijk uit de Arabische landen en werd door de Vikingen naar Europa gebracht. Zij dreven handel met landen rond de Middellandse zee en introduceerden het spel in Noord Europa waarbij ze de oorspronkelijke vorm van de stukken aanpasten met eigen figuren en ze daarmee een Europese signatuur gaven. Alle stukken zijn weergegeven als menselijke figuren behalve de pionnen die op een soort grensstenen lijken. De torens zijn weergegeven als "Bersekers" die met een wilde blik in hun ogen in hun schild bijten. Een  Berseker"was een Vikingstrijder die onvervaard de strijd in ging

 

 De kleding van de schaakfigurenm hun wapers en attributen zijn in de figuren tot in detail weergegeven. Koningen zitten op tronen en de lopers worden aangeduid met bisschoppen met mijter en bijbel. Op een aantal stukken zijn sporen van rode verf aangetroffen waaruit onderzoekers denken te herleiden dat de vlakken van het schaakbord niet wit/zwart maar wit/rood zijn geweest.

 

 

 

 Het is onbekend hoe de schaakstukken op Lewis terecht zijn gekomen maar vrij zeker zullen die met de invloed van de Vikingen op Lewis te maken hebben gehad. Bij de baai waar de schaakstukken zijn gevonden is een houten sculptuur van een schaakstuk geplaatst als herinnering aan de vondst.

 

 

Sept. 2017. 

JFK



 Prehistorish gebruik van Wommerson kwartsiet (GQW).

Piet van Gisbergen, Eersel, Noord Brabant.
 

Kenmerken en herkomst gebied van het gesteente.

 

Wommersom-kwartsiet  (Grés Quartzite de Wommersom, GQW) is een fijnkorrelige kwartsietsoort. De kleur kan erg variëren van grijs, grijsbruin tot gelig bruin. Vaak komen er gele vlekjes of adertjes in voor. Onder strijklicht zijn typische kleine glinsteringen van grotere kwartskorrels in het gesteente te zien.

Uit analyses van deze kwartsietsoort is vast komen te staan dat het gesteente afkomstig is uit de omgeving van Tienen in België. Het exacte herkomstgebied ligt bij de Steenberg bij het dorpje Wommersom. Ruim vijftig miljoen jaar geleden hebben zich hier relatief dunne platen (dikte vaak slechts 10 cm) fijnkorrelige kwartsiet gevormd.

 
 
 
 
 

Oudste gebruik.

De Neanderthaler heeft al Wommersom-kwartsiet op de Steenberg aan de oppervlakte aangetroffen en bij het uittesten ontdekt dat deze kwartsietsoort uitstekende splijtingseigenschappen bezat, vergelijkbaar met die van betere vuursteen.

In België zijn in een straal van 50 tot 70 km rond Wommersom, een negental midden paleolithische vindplaatsen met enkele artefacten van Wommersom-kwartsiet bekend. Meestal betrof het levaillosafslagen en -klingen en schaven. Onder andere bij Wommersom zelf is een vuistbijl gevonden. Zulke vondsten zijn het bewijs dat de Neanderthaler al weet had van de uitstekende kwaliteiten van deze grondstof. In Nederland zijn midden paleolithische vondsten van Wommersom-kwartsiet erg zeldzaam: uit een maasgrindgroeve bij Stein is een schaaf bekend en onlangs is op de Maasvlakte een mooie vuistbijl opgeraapt.

 
 

Het is bekend dat met name laat-paleolithische culturen (Federmesser, Ahrensburg) in de zuidelijke helft van Nederland en in België blijkbaar in ruime mate konden beschikken over de beste vuursteensoorten. Dit resulteerde in de productie van lange slanke spitsen en vierde de klingentechniek hoogtij. Als herkomst gebieden van deze vuursteensoorten worden vaak (toen drooggevallen) Noordzeevlakte en de omgeving van Obourg (België) genoemd. Ook op vroeg mesolithische vindplaatsen komen we nog vaak de hoogwaardige vuursteen varianten tegen. Dit gegeven verklaart ook het feit dat in Noord-Brabant van het laat paleolithicum tot en met het vroeg mesolithicum, nauwelijks Wommersom-kwartsiet als grondstof werd gebruikt.

Midden- en Laat Mesolithicum.

Door het opwarmen van het klimaat stroomde de Noordzee geleidelijk weer vol. De vegetatie evolueerde van een open en grasrijk naar een dicht bebost landschap. Blijkbaar kon men (hierdoor) moeilijker beschikken over goede vuursteen. Men verzamelde steeds vaker vuursteen op dagzomende oude rivierterrassen. Omdat deze vuursteen vaak van slechte kwaliteit was, zien we in deze periode het gebruik van Wommersom-kwartsiet in België en in de zuidelijke helft van Nederland gestaag toenemen. Op Mesolithische vindplaatsen binnen een straal van 70 km van het brongebied, grofweg het gebied tussen de Schelde, Maas en Rijn, komt Wommersom-kwartsiet regelmatig naast vuursteen als grondstof voor. De noordelijk gelegen mesolithische vindplaatsen met artefacten van Wommersom-kwartsiet zijn onder andere Hardinxveld en Almere. Voor de jacht werden de pijlschachten voorzien van kleine spitsen de zogenaamde microlieten. De goede splijtings eigenschappen van Wommersom-kwartsiet kwamen bij de productie ervan goed van pas.

 

Bij de gidsartefacten van het Noord-Brabantse en Belgisch Midden-Mesolithicum vallen er een aantal op met hun oppervlakte retouche, zoals de feuille de gui's bladspitsen en driehoeken. Vooral bij dit soort spitsen met dekkende retouche is het percentage Wommersom-kwartsiet opvallend hoog, hoewel ook a-, b-, c- en d- spitsen wel in Wommersom-kwartsiet voorkomen. Stekers in deze grondstof komen slechts incidenteel voor.

In het laat mesolithicum werden vierhoeken in het spitsenbestand dominant: smalle en brede trapezia, symmetrische en asymmetrische. Vaak worden op zulke vindplaatsen naast vierhoeken ook schrabbers, klingen en afslagen van Wommersom-kwartsiet gevonden.

 

Het lijkt soms wel of er kwistig met de grondstof werd omgesprongen getuige de vele en soms nog grote kernen die op de nederzetting werden achtergelaten. In mijn collectie (Brabantse en Belgische Kempen) komt een kern voor met maximale afmetingen van 15x10x7 cm en een gewicht van bijna 800 gram.

In het Neolithicum neemt onder andere door het beschikbaar komen van goede mijnbouw vuursteen (Rijckholt, Spiennes) het gebruik van Wommersom-kwartsiet af. In Nederland zijn bevoorbeeld wel LBK spitsen en enkele geslepen bijlen bekend.

JFK.Februari 2017.
 

Artefacten uit de stroomdalen van de Boorne.

Het einde van het midden Paleolithicum begint in Noord Nederland eigenlijk pas met een aanzienlijk warmer klimaat tijdens het Bolling interstadiaal met een hoogtepunt omstreeks 14.500 jaar geleden. Bij het warmer worden van het klimaat, na een intens koude periode in de Weichselijstijd, ontstaat ook in Noord Nederland weer begroeiïng en trekken er weer grazers over de grote begroeide vlakten. Onder de grazers op de nieuwe vlaktes grote kudden rendieren die op hun beurt gevolgd worden door jagers. Zij trekken met de kuddes mee over de vlakten en verblijven vaak op de hogere oevers bij de stroomdalen. Plaatsen bij de rivieren waar deze jagers hutten voor langere of kortere perioden bouwen. In Noord Nederland, zo is uit onderzoek vast komen te staan uit aangetroffen sporen, kwamen de eerste jagers omstreeks 15.000 jaar geleden aan. Uit het gevonden materiaal dat door deze jagers is achtergelaten, is op te maken dat ze een nieuwe wijze van jagen hadden ontwikkeld met een eigen jagerscultuur die leidde tot typische bij die cultuur behorende artefacten. Ook in Noord Nederland zijn in de stroomdalen van oude rivierdalen sporen van deze vroeg jong Paleolithische nederzettingen aangetroffen. Het stroomdal van de Boorne is zo'n gebied

De Boorne ontspringt ten noordoosten van Bakkeveen en het oude stroomdal voerde het water n de steentijd tot aan de uitmonding tussen Terschelling en Vlieland. Tot ongeveer 10.500 jaar geleden mondde de Boorne uit in een zeeslenk die tot aan Beegtsterzwaag reikte en met hoog water vol liep en via de oude Middelzee bij de Noordzee uitkwam. Bij Bakkeveen wordt de Boorne nog Ouddiep of Koningsdiep genoemd, een naam die in de streek diep geworteld is. Daar waar ten oosten van Oldeboorn het Oud diep en het Nieuwe diep samenkomen wordt de naam de Boorne weer gevoerd om tussen Akkrum en Oude Schouw weer een nieuwe naam te krijgen, de Kromme Knillis en na Irnsum wordt de naam weer veranderd in Mûzel. Allemaal namen voor één rivier die in de prehistorie een belangrijke rol heeft gespeeld voor wat betreft Jong Paleolithische, Mesolithische en Neolithische nederzettingen getuige de vele artefacten die in en bij het stroomdal van de Boorne zijn gevonden.

Opgravingen in het midden van vorige eeuw.

Piet Houtsma, hoofdmeester van de school in Waskemeer en amateur archeoloog beleefde tussen 1953 en 1962 gouden tijden met zijn hobby door het ontginnen van de heidevelden in het stroomdal van de Boorne en het gebied daaraan grenzende. Hij had zich om zich meer in de archeologie te bekwamen colleges gelopen bij Waterbolk en Assien Bohmers aan de Rijksuniverstiteit in Groningen. Houtsma ondervond hier de voordelen van. Het werd hem gegund om zelf opgravingen te doen op de velden die ontgonnen werden. Voor Houtsma die naast archeologie zich ook interesseerde voor geologie een gouden tijd waarbij hij een systeem voor het afdrukken van profielen van de wanden van de opgravingen ontwikkelde en deze veelvuldig tot uitdrukking liet komen in zijn bekende lakprofielen. 

Beeld van een opgraving door Piet Houtsma op de locatie Siegerswoude II in 1962. De strak afgestoken wanden werden gebruikt voor het afdrukken op lakprofielen.
 

Hamburgcultuur.

Eén van de belangrijkste zo niet de belangrijkste vondstplaats van Hamburg artefacten in het verleden was die op een heideveld nabij de Prinsendobbe nabij Ureterp. Op het heideveld vond Pieter Mudstra een aantal artefacten die hij liet beoordelen door de bekende archeoloog Assien Bohmers van de Rijks Universiteit te Groningen. Bohmers stelde vast dat het om artefacten ging uit de Hamburgcultuur. In de jaren 1943 en 1944 voerde Bohmers die toen in Duitse dienst was bij en Das Ahnenerbe, een onderzoek uit op het heideveld. Met behulp van Pieter Mudstra en van zijn rechterhand bij het Duitse Das Ahnenerbe, Johannes Minnes Minnema werden opgravingen verricht waarbij veel artefacten werden opgegraven die geplaatst konden worden in de Jong Paleolithische Hamburgcultuur. In opdracht van Bohmers maakte Minnema tekeningen van de opgegraven artefacten.

 

 

 

 

Het is niet alleen Bohmers geweest die in het Boorne stroomdal prachtige Hamburg artefacten heeft opgegraven. Ook veel Friese amateur archeologen hebben unieke collecties opgebouwd uit de Hamburg cultuur van vondstplaatsen die verspreid liggen in het gebied rond de Boorne. De familie Van der Brug heeft door jarenlang speuren in dit gebied een enorme collectie artefacten uit de Hamburg cultuur opgebouwd. Een deel van deze enorme verzameling is in het IJstijdenmuseum in Buitenpost uitgestald. Stuk voor stuk prachtige artefacten die met kennis van vuursteenbewerking zijn vervaardigd. Zij zijn het niet alleen die in het Boorne gebied fraaie Hamburg artefacten veilig hebben gesteld. Er is een grote groep amateur archeologen in de Friese Wouden die ook in het Boorne gebied fraaie Hamburg artefacten hebben gevonden en die in hun collecties een prominente plaats hebben gegeven. Het zou wenselijk zijn om eens al die vondsten van de Hamburg cultuur die in collecties van amateur archeologen bewaard worden te inventariseren. Daarmee kan dan ook de enorme rijkdom van de Hamburg cultuur in dit gebied zichtbaar worden

  

 Links: Kerfspits uit het Boorne stroomdal

Rechts: Steelschrabber uit het Boorne stroomdal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Verslag excursie Stientiid Wurkgroep Fryslân mei 2016.

Deelnemers Klaas Henstra (excursieleider) en de leden Jelle, Tjeerd, Tjitte, Roel, Jan, Jan, Ineke, Emiel, Henk en Evert.

Om negen uur zaterdagmorgen 14 mei 2016 ging de groep onder inspirerende leiding van Klaas Henstra, richting oude essen, omgeven door houtwallen, opgravingssites, historische erven en fraaie stroomdalen rondom Noardburgum. Na van een zonnige week te hebben genoten was de overgang naar het gure en winderige weer groot en dook menigeen al snel in z'n muts of capuchon weg.

Tijdens een korte wandeling tegenover Klaas z'n "wâldspulsje" waan je je in de middeleeuwen, omgeven door oude eiken, houtwallen en soms nog zeer gave essen. Ruilverkavelingen hebben hier kortgeleden nog veel meer moois voor altijd verwoest maar met wat fantasie voel je nog de tijdgeest van weleer. Een grondboring - met toestemming van de eigenaar - uitgevoerd door Henk, leverde een esdek of oude bouwvoor op van ongeveer 60 - 80 cm waaronder mooi geel zand (stuifzand uit de late ijstijd) zichtbaar was. Het verweerde keileem (keizand) en de eigenlijke keileem zit dus nog dieper; de grondboor rijkte slechts tot het topje van de dekzanden 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Na deze kleine activiteit tussendoor attendeerde Klaas de groep op een oude stinslokatie achter een boerderij "lichtpunt". We vroegen ons af of deze wel vermeld staat in de onlangs verschenen grote studie over de Friese stinsen (Paul Noomen) en gaan dat naderhand uitzoeken.

Rond half elf was het goed toeven met koffie, koek, plakjes metworst en sterke verhalen op de camping "de hege stjelp". Vervolgens reden we richting Eibertsgeasten waar Klaas, Jelle en Emiel ons vertelden over een mogelijke locatie van een urnenveld uit de ijzertijd bij Legauke, ontdekt tijdens de zandwinning. Het vereiste nog voorstellingsvermogen van ons omdat de zandgroeves nu in meren veranderd zijn. Het zou rond begin 1990 zijn geweest toen zandafgravers potten aantroffen met as en beenderen.Emiel en Jelle hebben wellicht veelbelovende scherven gevonden die ze de leden van de werkgroep tijdens de volgende bijeenkomst zullen laten zien. Ook Pieter Boelens (oud conservator archeologie Fries museum/Fries genootschap) vermeldt in zijn standaardwerk "Friesland tot de elfde eeuw" (1951) dat deze site begin twintigste eeuw, verloren is gegaan. Wie weet zien we straks toch nog ware getuigenissen van dit vermoede knekelveld.

De ware locatie van dokter Siebenga's beroemde standvoetbeker grafheuvel werd daarna bezocht. Jelle wist ons overtuigend te vertellen waarom het daar moest zijn geweest en niet aan de overzijde zoals dokters coördinaten eerst vermoedden. De oude boer van het land wist het beter. Fouten met coördinaten zijn berucht in de archeologie. Ook wij doen er goed aan om weer eens een opfriscursus uit de schrijven aldus de skrieuwer van dit verslag.

Daarna reden we ietsjes door richting een mesolithische opgravingssite; voor ons het object van studie de komende paar jaren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Ook in deze omgeving zijn veel sites bekend aldus Klaas en Jelle. Op het uiteinde van de Gaast aan het open water, bij het middeleeuwse oude Smalle Ee, hebben van Giffen en later Elzinga een kerk en een begraafplaats onderzocht. Hierover is meer te lezen in een proefschrift over middeleeuws Friesland van Gilles J. den Langen. Na deze koude vlakte bij het water trokken we richting essencomplex bij Suameer en naar de Kjellingen onder Oostermeer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 de Kjellingen.

Schwabedissen heeft in 1954 gepubliceerd over het Tjongermateriaal wat hier is aangetroffen en Newell heeft er niet ver van af een mesolithische vindplaats onderzocht. Naast verhalen over het onderzoek van dokter Siebenga ( Newells onderzoek op site S-64 begin jaren zeventig) en anecdotes van Klaas over bijlen die hij en ondergetekende kregen te zien maar nimmer in bruikleen werden gegeven en dochters die vader verboden om hem te laten zoeken op zijn meest faforiete plek waar nu grasland is: de Kjellingen.

Daarna gingen we naar een locatie van waaruit fantastisch uitzicht is op het voormalige brede stroomdal van de Ee, waar plaatselijke versmalling ooit leidde tot waterstaatkundige aanpassingen om schippers gerust te stellen. Er is wel vier meter niveauverschil te zien! Klaas vertelde ook van het onderzoek naar een middeleeuws dorp met plattegronden van zogenaamde Gasselte boerderijen, onderzoek wat hij een paar decennia terug leidde. Bij de akkers onder Eestrum kon het niet missen om de animositeit onder stiensjesikers nog maar weer eens te memoreren. Over wanneer volwassen kerels hetzelfde doen als kleine jongetjes vroeger en degene die beet heeft opzij wordt geschoven maar door hogere machten afgestraft wordt wanneer het slachtoffer de mooiste vis-pijlpunt binnenhaalt....... Boontje kom om zijn loontje.

Tot slot werden na Eestrum de veenontginningen bezocht om vervolgens om drie uur Klaas een attentie naar wens in het vooruitzicht te stellen en te bedanken voor deze prachtige zaterdag.

Evert Kramer, mei 2016.

Foto's: Ineke. 


Het Mesolithicum door de ogen van Evert Kramer.

In de bijeenkomst van de Stientiid Wurgroep Fryslân van 25 januari leverde archeoloog Evert Kramer een bijdrage over het Mesolihicum. In Fryslân en vooral in de Friese Wouden zijn tientallen plaatsen bekend en veelal ook vastgelegd door Lammert Postma en zoon Marten uit Buitenpost. Mesolithische artefacten liggen op de zandgronden vaak vlak onder de oppervlakte en zijn grotendeels door het bewerken van het land zoals ploegen, zwaar verstoord. Ook vindt men op die sites eigenlijk alleen maar de stenen bewijzen van jagerskampen en niet het organisch materiaal zoals bot of gewei.

Die zijn wel gevonden bij de opgraving onder leiding van Prof.Dr. Leendert Louwe Kooijmans bij Hardinxveld - Giessendam waar onder een klei en veen pakket op enkele meters diepte, zandheuvels zijn aangetroffen waar niet alleen honderden stenen werktuigen maar ook organisch materiaal en bot is aangetroffen. Daaruit heeft men onder meer kunnen vaststellen welke dieren er op het menu kwamen in de mesolithische periode maar ook dat ze bv vis zoals snoek en steur aten en gebruik maakten van de wortels van de lisdodde.

prof.dr. Leendert Louwe Kooymans.
 
 
 Grootschalige archeologische opgraving van de Mesolithische site Hardinxveld - Giessendam.

In eigen omgeving werd in het verleden een site aan de boorden van de Leijen opgegraven door de Opeinder huisarts en archeoloog Johannes Siebenga.

huisarts en archeoloog Johannes Siebenga.

Op het Zwartveen aan de Leijen ontdekte Siebenga in 1938 een Mesolithische site. De site werd deels opgegraven van 1938 tot 1940 en de vuurstenen werktuigen die zijn aangetroffen evenals de datering van de grondlagen gaven aan dat er een mogelijk jagerskampje was geweest dat gedateerd werd op 7500 tot 6500 jaar geleden. Er werden ongeveer 70.000 stukken vuursteen geborgen waarvan 3000 goed definieerbaar waren. Onder de 3000 goed definieerbare werktuigen bevonden zich ongeveer 500 microliten. Gezien de afwijkingen die men dacht te zien met andere werktuigen uit mesolithische culturen werd eerst gedacht aan een nieuwe cultuur die de Leijen-Warten cultuur werd genoemd. Latere onderzoeken hebben echter uitgewezen dat de mesolitische cultuur vergeleken kan woorden met de Noord Duitse en Deense mesolithische culturen en behoort tot de Maglemose cultuur. Bij de opgraving werden onder anderen  de sporen van een jagershut met een doorsnede van 2 meter en verbrande resten van hazelnoten en waternoot aangetroffen. 

In het boekje "Overzicht van de voorgeschiedenis van de gemeente Smallingerland " staan een aantal tekeningen van gebruiksvoorwerpen die zijn opgegraven op het Zwartveen. 

In zijn verhaal stond hij Evert Kramer stil bij een aantal andere opgravingen in Fryslân waarbij de nadruk werd gelegd op de Mesolihische opgraving op de Tsjoegen aan de boorden van het Bergumermeer onder leiding van archeoloog Dr. Raymond R. Newell. Een zeer ambitieus onderzoek waarbij maar liefst 200.000 stukjes materiaal werden veilig gesteld. Jammer genoeg aldus de inleider, is er nooit een afgerond onderzoek uit voort gekomen en zijn de meeste feiten die verbonden zijn aan de opgraving op de Tsjoegen ontleend aan andere opgravingen uit de mesolithische tijd. Op de Tjoegen werden bij de opgravingen tussen 1970 tot 1974 een zestal hoefijzer vormige plattegronden van hutten aangetroffen waaraan Newell de conclusie verbond dat er een grote mesolithische nederzetting aan het Bergumermeer moet zijn geweest waar een aantal families zouden hebben gewoond. Hij verbond daar ook nog een ander gegeven aan. In het mesolithicum lag een groot deel van de Noordzee en de Waddenzee nog droog. Door zeespiegelstijging vernatte een groot deel van die Noordzee tussen 9000 en 7000 jaar geleden en werden de mesolithische jagersgroepen die in dat gebied leefden, gedwongen naar het vasteland te trekken waarbij het in de visie van Newell best mogelijk zou kunnen zijn dat één van die groepen aan de Bergumermeer was neergestreken

 

Het is ontzettend jammer aldus Kramer dat het onderzoek naar aanleiding van de opgraving aan de Bergumermeer nooit goed is afgerond en dat er geen goed verslag van is. De Groninger archeoloog Marcel Niekus is nog wel met het onderzoek bezig geweest en trekt ook uit zijn onderzoek een aantal conclusies waarbij hij meent dat het jagerskamp op de Tjoegen niet een groot centraal kamp van meerdere families is geweest, maar dat er tussen 9000 en 7000 jaar geleden een aantal malen van de plaats gebruik is gemaakt en er over een groot aantal jaren steeds opnieuw een hut als tijdelijk kamp zou zijn gebouwd.

 

 Van links naar rechts. Dr Ray R. Newell, prof. Tjalling Waterbolk en oud conservator van het Fries Museum Gert Elzinga

Zowel de constatering van Newell als van Niekus kunnen juist zijn maar bewijs is er niet omdat de site niet goed is uitgewerkt. Zo is er bv geen gebruik gemaakt van refitting waarbij de vuursteenstukjes aan elkaar gepast kunnen worden - te grote hoeveelhed en vondsten sloten dit qua tijdinvewstering ten ene male uit - en een indruk kan worden verkregen van het gebruikte vuursteen materiaal. Ook zijn geen oversnijdingen van deze hutten aangetroffen wat weer eerder pleit voor gelijktijdigheid.

Rond al het onuitgewerkte onderzoeknaar deze periode in Fryslân zou nog eens een Fries Odyssee project - vergelijk de landelijke inhaalslag van belangrijk onuitgewerkt onderzoek uit de laatste decennia - van start moeten gaan.Wie weet komt het daar nog eens van. Experts zijn op de vingers van één hand te tellen maar het moet er eens van komen anders is alle moeite en geld gespendeerd in het verleden, voorgoed verspild.

Marcel Niekus.

Replica van een hutje van een jagerskamp.

De lezing besluit Kramer met de wens om met de kennis van nu in Frysân nog eens een mesolithische site te kunnen opgraving die nog intact is en geconserveerd in de klei en veenlagen in de bodem. En niet te vergeten we wachten ook met spanning op het proefschrift van Marcel Niekus over deze intrigerende maar weerbarstige periode in het steentijd onderzoek van Noord Nederland.

 JFK.27-1-16,

 


 


 

Leraar en amateur archeoloog.

 

Piet Visser uit Driesum heeft een drukke baan als leraar aan het Friesland College in Leeuwarden. Daarnaast ook hobby's en één van zijn hobby's is de archeologie. Met name de steentijd archeologie is het onderwerp waar hij enthousiast over kan vertellen. Lopend op de akkers denk ik vaak aan hoe het vroeger moet zijn geweest toen hier in het Friese Wouden jagers en verzamelaars door trokken op zoek naar wild vertelt Piet. Bij het jagen maakten ze gebruik van werpspiezen en pijl en boog en jaagden soms op rendieren. Ik probeer me in het veld bij mijn vondsten in te denken hoe die mensen hier langs de rivierdalen trokken en jaagden. Het landschap is nu totaal veranderd en er moet natuurlijk wat fantasie bij om je een voorstelling te maken over die vroegere tijden.

 

In zijn zoekgebied rondom Driesum vond hij op de Zandhorst in het verleden prachtige vuurstenen werktuigen. Veelal uit de mesolithische tijd aldus Piet. Nu is de site al weer een tijdje weiland en kan er niet meer worden gezocht. Ook een andere site onder Zwaagwesteinde werd door staatsbosbeheer omgevormd tot moerasgebied met veel waterpartijen. Daarbij werd ook een mesolithische site vergraven waarop Piet eerder prachtige vuursteen werktuigen vond. Hij vindt het jammer dat er zo slordig met de archeologische sites in Fryslân wordt omgesprongen en er niet eerst onderzoek wordt gepleegd alvorens sites weg te graven en onherstelbaar te beschadigen.

 

 Zevental deels bewerkte klingen van een mesolithische site.

Ondanks het verdwijnen van sites houdt Piet toch nog best een aantal interessante velden over waarop het na de maisoogst goed  zoeken is.  Ook nu in de winter 2015/2016 zijn er een anatal sites waar Piet weer een aantal prachtige vondsten heeft gedaan van vuursteen artefacten. Het is daarom dat er van hem ene paar prachtige vondsten worden afgebeeld van werktuigen die niet altijd worden herkend of erkend.

  steker met boor en steker rechts.
 

 

 

 

 

 

 

 

 

schildpadkern met schrabberkap

 

klingkern.

JFK.januari 2016

 


 

Stiensjesiker in de Friese Wouden.

Jarenlang was Lieuwe Feenstra op de akkers in de Friese Wouden te vinden gewapend met een metaaldetecor waarmee hij fraaie vondsten uit de bodem toverde. De laatste jaren is hij verslingerd geraakt aan de steentijd archeologie. De detector staat thuis en Lieuwe zoekt nu op de maisakkers in het noordelijk deel van de Friese wouden naar vuursteen artefacten. Zijn zoektochten leveren soms aardige resultaten op. Ook nieuwe vindplaatsen behoren tot de site's waar Lieuwe resultaten boekt.

Tijd om ook op archeoweb wat vondsten te laten zien. Een fraai mes gevonden op een akker onder Zwaagwesteinde is best even vermeldingswaard

Het mes is geslagen op een groot driehoekig stuk vuursteen en aan éen zijde prachtig geretoucheerd. Een topstuk volgens Lieuwe en dat is het ook. Ook een prachtige grote spits was één van de fraaie vondsten in de Friese Wouden. Ook een artefact om even in deze rubriek te vermelden. Het mooie van mijn archeologische zoektochten, aldus Lieuwe, is dat ik als ik even wat vrije tijd heb, gewoon de akkers op kan lopen en dat kan ik al als ik in de nabijheid van mijn eigen woning het veld op loop. Het zoeken naar artefacten op de maisvelden in mijn omgeving ervaar ik als ontspannen. Terwijk ik aan het zoeken ben kan ik mijn gedachten de vrije loop laten en dat geeft altijd een beetje rust.

 

 Op het moment ben ik bezig een goede administratie aan te leggen van mijn vondstplaatsen en van de artefacten uit de steentijd die ik heb gevonden. Om me wat beter te oriënteren op de steentijd ben ik lid geworden van de Wurkgroep Stientiid Fryslân. Ik kom graag op de contactavonden waarbij altijd vondsten van anderen op tafel komen en worden besproken. Ook de excursies naar andere plaatsen met zoektochten naar artefacten vind ik zeer positief. Je maakt in het veld kennis met andere amateur archeologen en van iedereen leer je wat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeeldingen artefacten.

Boven rechts mes

Midden links: grote spits - rechts spits

daaronder grote schrabber 

Onder links mesolithische spits

 

 

 

 

 

 

 December 2015. JFK 


 

Artefacten in de Dordogne.

door Do van Dijck.
 

In de afgelopen jaren maakte ik regelmatig een reisje naar Frankrijk om daar naar artefacten te zoeken.  Naast bezoeken aan de Indre ga ik ook regelmatig naar de Dordogne.

De Dordogne bestaat uit vier departementen die ik alle vier heb doorkruist. In al die vier gebieden heb ik op de akkers naar artefacten gezocht uit de steentijd en die ook gevonden. Inmiddels begin ik in de gaten te krijgen welke artefacten uit verschillende steentijd perioden, je in een bepaald landschap kunt vinden. Ik ben er ook regelmatig "collega's" tegengekomen. Het zoeken naar artefacten is in dit gebied dus best een populaire hobby. Ik za zoals jullie kunnen begrijpen in deze bijdrage niet ingaan op de preciese vindplaatsen maar wel iets over mijn bevindingen in dit gebied weergeven.

 

Bij toeval huurde ik een vakantieverblijf van mensen die een relatie hebben met iemand met dezelfde hobby. Met diegene heb ik veel gesproken en veel geleerd bij het herkennen en zoeken naar artefacten in het gebied. Het eerste wat mij daarbij opviel waren de grote aantallen vuistbijlen die er in de loop van tientallen jaren op de akkers zijn opgeraapt. De steentijd en de artefacten die er bij horen staan blijkbaar ook mee door de grotvondsten, erg in de belangstelling. Toen de boeren vroeger (nog met behulp van een paard) aan het ploegen waren kwamen er ook veel vuistbijlen te voorschijn die werden meegenomen. Ik heb er eens een doos vol gezien. Ook ben ik bij een oude boer thuis geweest die een inmiddels zwartgeblakerde vuistbijl van bijna 25 cm boven zijn open haard had staan. Met deze verhalen, maar toch ook met een beetje lood in mijn schoenen, ging ik de akkers op om te kijken of er ook nog eentje voor mij zou liggen. Het heeft best even geduurd voordat ik er eentje vond.

 

 

Achteraf gezien heb ik tijdens de eerste bezoeken aan de Dordogne op de verkeerde plaatsen naar artefacten gezocht. De Dordogne is enorm lang bewoond geweest. Als je er een willekeurige akker oploopt kom je al snel afslagen tegen. Sommige akkers (met name de lager gelegen percelen) zijn er mee bezaaid terwijl je op andere percelen af en toe een stukje afval vindt. In het begin liet ik me leiden door de locaties die vol lagen met afslagen. Dit zijn vaak de woonplekken van bewoners uit het neolithicum of de bronstijd. Deze plekken zijn de ateliers waar veel afslagen maar weinig gereedschap ligt. Naast deze sporen uit de jonge steentijd cultuur vond ik er ook af en toe wel een levaillos kern maar dat beschouw ik als toeval.

 

Door het zoeken op deze plaatsen naar vuistbijlen heb ik veel tijd verloren laten gaan. Na een toevallige vondst van een vuistbijl op een voor mij onverwachte plaats begon ik te vermoeden dat ik mijn zoektochten verkeerd plande. Ik had er geen rekening mee gehouden dat in de loop van vele eeuwen grondlagen waren verschoven en dat de echt oude grondlagen waren bedekt met andere grondlagen of waren verspoeld. Ik moest dus op hoger gelegen akkers zoeken.

 

Dit leverde eerst alleen maar teleurstelling op. Ik had dagen gezocht zonder ook maar een bewijs gevonden te hebben dat ik op de goede plaatsen was. Tot ik op een gegeven moment zomaar op een plek kwam waar ik op een klein gebied van ongeveer 50 x 50 m er één zag liggen. Er lagen daar totaal vijf vuistbijlen. Vanaf dat moment is mijn zoeken naar artefacten anders geworden. Kwam ik vroeger thuis met kilo's artefacten, nu ben ik blij met een tiental mooie artefacten uit het paleolithicum. Deze zijn veel ouder dan die ik eerder vond.

In die delen van de Dordogne waar ik tijdens mijn zoektochten ben geweest ligt het zeker (niet meer) bezaaid met vuistbijlen. Je moet er veel meters maken en het geluk hebben om er nog eentje te vinden. Ik verwacht nog wel een aantal keren naar dit gebied te reizen. Ik heb er nog een uitdaging bij; choppers en andere stukken gereedschap van keien en grint uit nog oudere perioden van de steentijd. Ik heb er inmiddels een aantal in handen gehad die gevonden zijn in deze omgeving. Ik moet nog leren hoe ik deze werktuigen kan herkennen en waar ik deze artefacten kan vinden.

 

Foto's : Do van Dijk.

JFK-1/12/15 


 

Excursie Stientiid Wurkgroep naar de Hummling.

Door Lieuwe Feenstra.

Op zaterdag 14 november namen een aantal leden van de Stientiid Wurkgroep deel aan een archeologische excursie naar de Hummling. Om een uur of negen kwam de groep aan bij de akkers en na een kopje koffie ging een zoekavontuur van start. De weersomstandigheden waren acceptabel. Het was behoorlijk fris en er woei een stevige wind maar het bleef gelukkig de hele dag overwegend droog. Soms viel er een spatje regen. Op een aantal beoogde zoeklocaties was er ingezaaid en op andere zoeklocaties waren de akkers bedekt met verpulverde maisstengels waardoor er niet gezocht kon worden naar artefacten.

 De vondsten waren deze dag niet spectaculair. Door de deelnemers werden over de hele dag een vijftiental schrabbers gevonden, een groot aantal afslagen en stukken verbrande vuursteen. Ook werd een mooi geretoucheerde kling gevonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Er werd op de akkers gezocht tot ongeveer half vijf en daarna werd het zoeken gestopt. De avondschemering maakte langer zoeken ook onmogelijk. Er werden daarna nog hunebedden bezocht en toen was het tijd om het restaurant Robben aan het Hebelermeer op te zoeken.

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder het genot van een heerlijk warm diner werd de excursie af gesloten. Rond de klok van acht uur 's avonds had iedereen zich te goed gedaan aan het heerlijk etentje en werd de terugweg naar het Heitelân ondernomen. De groep kan terug zien op een geslaagde excursie.

 

 

 

 

 

 

 

 Eén van de buitgemaakte artefacten was een geretoucheerde kling.

 

 

 

Foto's Lieuwe Feenstra.

17-11-15.

 

 


 

Le Grand Pressigny - bakermat van de prehistorische silex werktuigen.

door Jan F. Kloosterman.

Iedere archeoloog en elke amateur archeoloog kent de prachtige silex waarvan in het prehistorische verleden honderduizenden midden paleoltische vuistbijlen en miljoenen neolitische werktuigen werden gemaakt. Iedereen moet er een keer geweest zijn en een zoektocht hebben gehouden op de akkers in het gebied waarbij hij of zij honingkleurige stukken van deze vuursteensoort heeft gevonden. Sommige amateur archeologen hebben prachtige collecties aangelegd van hun vondsten. Amateur archeoloog Ids Vonk uit Koudum die jarenlang achtereen naar het gebied reisde, heeft rond Le Grand Pressigny een duizendtal schitterende vuistbijlen verzameld en daarvan een prachtige collectie aangelegd. Ook ik kwam sinds het prille begin van de negentiger jaren regelmatig in het Franse Le Grand Pressigny voor de prachtige artefacten en heb daarvan ook een mooie collectie aangelegd. Het was voor mij de reden om ook in september 2015 nog eens een vakantie in te vullen in het gebied rondom Le Grand Pressigny. Mijn uitvalsbasis was de camping Les Rioms in Barrou aan de Creuse. Prachtig gelegen tussen de heuvels van het zuid Tourainse landschap.

 

een vuistbijl uit het midden paleolithicum uit het gebied van Le Grand Pressigny.

Anno 2015 is er veel veranderd rondom Le Grand Pressigny. Veel Nederlandse en Duitse gelukzoekers hebben in het verleden het gebied afgestroopt en grote hoeveelheden artefacten meegenomen en ze vanuit hun thuislanden verhandeld. De amateur archeologen en de boeren in het gebied ondervonden veel schade bij opgravingen en aan gewassen. Hun klachten hebben onderhand geleid tot een zoekverbod op de akkers rondom Le Grand Pressigny. Dat dit verbod geen loos verbod is hebben inmiddels een aantal gelukzoekers gemerkt die bij hun zoektochten op de akkers werden betrapt en getracteerd werden op een boete van           € 750,- 

Toch valt er nog veel te genieten in het gebied. Ten eerste heeft Le Grand Pressigny een schitterend regionaal archeologisch museum waar iedere archeoloog en amateur archeoloog nog steeds kan smullen van de prachtige exposities van artefacten die vanaf het paleolithicum tot in de bronstijd in dit gebied gemaakt zijn. Uit de silexplaten werden klingen geslagen tot 70 cm lengte. De prachtige techniek van deze prehistorische ambacht is in het museum terug te vinden dat is ingericht in en om de ruïnes van een oud kasteel in Le Grand Pressigny.

 

Museum Le Grand Pressigny gebouwd tussen de ruines van een oud kasteel. 

Hoewel het niet de eerste keer was dat ik het museum bezocht is het toch elke keer weer een verrassing. Rondom een vaste en educatieve archeologische expositie zijn er elk jaar ook weer andere invalshoeken over de archeologie in deze streek. Ook mooi zijn de filmpjes waarin een archeoloog het oude ambacht van de bewerking op silex uitoefent en ook prachtige lange klingen daarvan weet af te slaan. Deze lange klingen werden gebruikt om daar dolken of messen van te maken en ze zijn over een zeer groot gebied verspreid. Zelfs in ons land - Drenthe - meer dan 700 km verwijderd van de plaats van oorsprong werden bewerkte klingen uit Le Grand Pressigny terug gevonden.

Opgegraven werktuigen vervaardigd uit de lange klingen uit silex platen uit Le Grand Pressigny.

In het verleden ben ik meerdere malen ook artefacten wezen zoeken buiten het gebied van Le Grand Pressigny. De grindoevers van de rivier de Creuse zijn nog steeds een ideaal zoekgebied. Tussen het grind zijn artefacten te vinden uit het midden paleolithicum maar ook artefacten die veel ouder zijn en door de archeologen in het gebied gedateerd worden op soms meer dan 500.000 jaar oud. Het is natuurlijk prachtig als je tussen al het grind en zand nog van die oude artefacten aantreft. Dat lukte dit jaar ook en ik heb een aantal prachtige exemplaren gevonden waar ik nog een hele tijd op kan studeren. Het is ook daarom dat ik dit stukje schrijf en een aantal foto's van mijn artefacten uit het midden paleolithicum en andere vondsten van dit jaar hier even wil laten zien.

Links: Een in 2005 gevonden vuistbijltje dat ik één van mijn mooiste vondsten in dit gebied vindt.
 
Rechts: Paleolithisch rugmes  

 

 

 

 
Links: Schaaf. 

 

Rechts: Levallois afslag

Omdat rondom Le Grand Pressigny het niet meer mogelijk is om nog op de velden te gaan zoeken heb ik op advies van anderen mijn zoektochten verplaatst naar het gebied rond La Guerche en daar vond ik in een ploegvoor aan de rand van een bos een prachtige neolitische bijl en een prachtige dwarsspits. Zie foto's.

 

Er is in de zuidelijke Touraine nog genoeg te vinden en mijn ervaring is dat de mensen in het gebied buiten Le Grand Pressigny je nog steeds graag behulpzaam zijn bij je zoektochten.

Buitenpost september 2015.

Jan F.Kloosterman 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Een Alpenreis en het Ötzi museum

Door Evert Kramer, 23 juli 2015.

 

Een Alpenreis, eind juni 2015 ondernomen met een oude studievriend, bracht mij ondermeer langs het Ötzi museum in Bolzano, in het Italiaanse Zuid Tirol.

Voor iedereen die deze site regelmatig raadpleegt een must om een keer aan te doen want deze vondst uit 1991 al weer-waar blijft de tijd-is de ware heilige graal voor Europese prehistorie, dus ook  voor stientsjesikers.
Enkele hoofdlijnen zal ik u beknopt uit de doeken doen. Natuurlijk was onze reis ook gericht op stoere bergpassen uit het roemrijke wielerverleden van de GIRO, lekker eten, veel terrasbezoek en nog zo wat, maar Ötzi sprong er voor mij uit.
Eindelijk in het echt te zien, op drie verdiepingen de hele context uitgestald. Musea in de hele wereld, waaronder Assen,  lieten inmiddels rondreizende replica’s zien want in meeliften zijn de mensen maar wat goed. Echter, in het Zuid Tiroler Bozen (Bolzano) ligt de ware ijsmummie, in een speciaal geconstrueerde metalen klimaatgecontroleerde koelruimte waar je één voor één via een glazen kijkvenstertje naar binnen mag gluren en fatsoenshalve de rij achter je niet al te lang laat worden.
We waren zondagmorgen de 21ste juni sowieso in goed gezelschap want een show van Alfa Romeo oldtimers in deze stad werd gecombineerd met een verplicht bezoek van hun gelukkige bezitters aan het museum, net toen wij daar ook ronddwaalden. Geleerde discussies in dokterslatijn  waar wij slechts zo nu en dan het fijne van begrepen, terwijl mijn reisgenoot nog wel gymnasiast en notaris is geweest en het latijn zeker niet is verleerd.
M’n eigen voorkennis over deze mummie gaf ons echter een voorsprong op deze dilettanti op archeologisch gebied en zo stonden wij toch nog ons mannetje.
Ik schafte mij Gudrun Sulzenbachers Die Gletschermumie, mit Ötzi auf Entdeckungsreise durch die Jungsteinzeit aan, 8ste druk uit 2012.
Een zeer rijk geillustreerd boekje met trefzekere, beknopte beschrijvingen van het journalistieke wat, wanneer, waar, waarom en waardoor.
Ötzi zal onbetwist de tweede vondst van de eeuw worden, na Carters Tutanchamon, als een gevriesdroogde mummie door een bergklimmend echtpaar uit Neurenberg op 19 september 1991  op 3210 meter hoogte wordt aangetroffen in het Similaun gletsjergebied, onderdeel van de Otztaler Alpen in Zuid Tirol.
Overigens, ook in de verre toekomst zullen dergelijke Pompei- achtige effecten opzien blijven baren. Wat te denken van een opgegraven personenauto met bestuurder, ergens langs dan al eeuwen dichtgeslibde Nederlandse waterlopen.
De ontdekkers in Zuid Tirol meenden een verongelukte bergbeklimmer te hebben gevonden, waarvan er inderdaad eentje hier rond eind jaren dertig van de vorige eeuw moet zijn verongelukt.
Een fraai geschachte bronzen bijl , vlakbij geborgen door gendarmes een dag later wees echter alle betrokkenen er op, nu ernstig rekening te houden met een veel hogere ouderdom.
Aanvankelijk verliep de berging wel wat slordig, gezien door de ogen van experts. Pas twee archeologisch uitgevoerde noodopgravingen brachten de volle context en betekenis van deze vondst aan het licht.

 

 

  Hier lag als het ware in een beschermde tijdscapsule een mens uit het jong neolothicum, in volle uitrusting qua wapens, kleding en proviand. Forensisch onderzoek op doodsoorzaak, dateringen, ziektes, eetgewoonten, aanwezige wapens voor jacht enzovoort kortom, nu kon eindelijk bestudeerd worden welke vermoedens, door archeologen bij eerder onderzoek naar deze periode geformuleerd over de leefwijze van mensen ruim vijfduizend jaar geleden, op waarheid berustten of dienden te worden bijgesteld.
Klimaatverandering met als gevolg het versneld afsmelten van gletsjers wierp onderzoekers deze mummie in de schoot. Aanvankelijk beet het Oostenrijkse Insbruck het spits af onder leiding van een team met Professor dr Konrad Spindler. Diverse eerste studies zijn dan ook van zijn hand verschenen.
Nauwkeuriger opmetingen van de grens in deze lastige bergmassieven bevestigden het al eerder geuitte vermoeden dat de mummie ca. honderd meter op Italiaans grondgebied was geborgen en dus ging uiteindelijk het museum te Bolzano definitief met de eer strijken. Er zal je als regionaal museumpje maar zo’n vondst in de schoot worden geworpen.

 

Ötzi had voorwerpen bij zich die anders in de loop der eeuwen in de grond zouden zijn vergaan. Die voorwerpen zijn ditmaal niet, zoals meestal in dergelijke situaties, als grafgiften gevonden maar bij iemand die zo uit het leven is weggerukt. Deze vondsten hebben informatie opgeleverd over dagelijkse gebruiksvoorwerpen die mensen in de steentijd konden maken
Zo weten we na bijna 25 jaar research heel veel meer over zijn kleding en jachtgereedschap (Bronnen: Sulzenbacher 2012, Wikipaedia):
•    schoenen van verschillende soorten leer gemaakt (berenhuid voor de zool, hertenleer voor het bovenwerk),  in de schoenen zat ook hooi
•    kalfsleren riem van 4 tot 4,8 cm breed en bijna twee meter lang, tweemaal rond het lichaam gewonden. Op de riem is een tasje genaaid, waarin verschillende vuurstenen voorwerpen: een krabber, een boortje en een scherf, en een benen els.
•    lendenschort en beenbeschermers van geitenleer
•    knielange, leren jas
•    mantel van geknoopt gras
•    halfbolvormige muts van berenvacht met leren kinband
 
Overige uitrusting
•    een uit gras geknoopt net, wellicht voor de jacht.
•    twee genaaide ronde dozen van berkenbast. De ene bevatte (groene) esdoornbladeren, waarin een (smeulend) houtskooltje kon worden bewaard; de andere werd wellicht voor tondel of proviand gebruikt.
•    een aantal deels onafgewerkte pijlen. Slechts twee pijlen hadden een punt en waren bruikbaar. De twaalf andere waren nog niet klaar. Ze waren niet allemaal door dezelfde maker gefabriceerd - de ene bruikbare pijl was door een linkshandige gemaakt, de andere door een rechtshandige. De bruikbare pijl had aan drie kanten rondom een veer aan de achterkant, met berkenteer en draad vastgezet. De veren waren iets schuin op de schacht gelijmd, zodat de pijl zou gaan ronddraaien, wat meer stabiliteit aan de vlucht geeft.
•    Een boog die nog niet klaar was maar waaraan nog gewerkt moest worden om er mee te kunnen schieten, langer dan de man zelf was, namelijk 1,82 m. Gemaakt van taxushout, tot ver in de middeleeuwen nog het voorkeursmateriaal voor bogen. De inkepingen voor de pees en de pees zelf waren nog niet aangebracht.
•    Een pijlkoker van genaaid hertenleer, afsluitbaar met een flap, zodat de pijlen er niet uit konden vallen, met daarin draad om pijlen mee te maken. Het is de oudste pijlkoker die ooit gevonden is.
•    Een bijl van koper –vroeg type in de ontwikkelingslijn-(niet van brons), gevat in een handvat van taxushout en gefixeerd met berkenteer en riemen. Het is de enige compleet gevonden neolithische bijl ter wereld. De stijl is verwant aan de Remedello-cultuur, waarvan in Noord-Italië circa 124 graven gevonden zijn; de kling bestaat voor 99% uit koper, dat volgens analyses uit het Salzburger land stamt. Ötzis bijl is de enige, waarvan de "greep" behouden is. Met deze koperen bijl was het mogelijk om bomen om te hakken.
•    !houten handvat, waarin een stift van hertengewei is gedreven. Het geheel lijkt op een groot aangescherpt potlood. Het werd gebruikt om van een vuurstenen snede kleine scherfjes af te drukken om er een scherpe gezaagde snede van te maken, een zogeheten retouchoir. Het handvat had aan het uiteinde een ronde groef, waarmee de stift met een touwtje aan een riem kon worden bevestigd.
•    aantal ruwe stukken vuursteen van hoge kwaliteit, die nog bewerkt moesten worden.
•    mes in essenhouten heft. Een opvallend klein vuursteenmes - het had als het zonder heft was gevonden gemakkelijk voor een fikse pijlpunt kunnen doorgaan. Voor de bevestiging van onderdelen werd berkenteer gebruikt, gemaakt door berkenbast onder uitsluiting van lucht te verhitten. Ook had het mes, net als de retoucheerstift, een insnoering aan het uiteinde van het handvat waarmee het met touw aan de gordel gehangen kon worden.
•    schede voor het mes, gemaakt van touw dat gevlochten was uit grassen.
•    schraper van vuursteen, misschien om de pijlen of de boog mee te bewerken.
•    stukken van polyporuszwammen, van twee verschillende soorten (tondelzwam en berkenzwam): één soort mogelijk voor medicinaal gebruik, de andere als tondel.
•    gordel van kalfsleer met buidel voor benodigdheden. De sluiting van de gordel is niet gevonden. De buidel bevatte tondelzwam;
•    Stukken vuursteen, misschien gebruikt als vuurslag. In de tondelzwam werden deeltjes pyriet gevonden, waaruit vonken kunnen worden geslagen.
•    frame voor een rugzak: een kromgebogen hazelaartak met twee dwarsplankjes, waarop oorspronkelijk waarschijnlijk een leren draagtas bevestigd was. Sommigen beweren dat dit voorwerp een rest is van een sneeuwschoen.
•    ronde stenen ring met riemen erdoor. De functie is niet bekend, mogelijk diende het als amulet die om de hals werd gedragen.
 
 
 
 
Otzi’s  lengte moet rond de één meter zestig zijn geweest.
Zogeheten Beau strepen-welvingen en kleurbandjes- op zijn vingernagels wijst naar voedseltekorten en mogelijk veel stress in de maanden voorafgaand aan zijn waarschijnlijk gewelddadige dood.
Mogelijke doodsoorzaak is een pas jaren na de berging ontdekte vuurstenen pijlpunt die via zijn linker schouder z’n halsslagader beschadigde en mogelijk doodbloeden tot gevolg had.
Hij leed aan pijn in de onderrug, kuiten en had last van stijve enkels. Zijn rechterheup was danig versleten.
Tatoeages zijn aangetroffen op juist die plaatsen,  die ook weer  overeenkomen met cruciale acupunctuurpunten voor genezing in onze tijd.
Roetdeeltjes in zijn longen wijst naar langdurig verblijf bij open vuurhaarden.
Afgesleten tanden wijst naar het maalproces tijdens het jongneolithicum waarbij altijd aanwezige zanddeeltjes in het graan en het slijpsel van de maalstenen zeker na verloop van jaren verwoestend zijn werk deed na bij het nuttigen van het meelbaksel.
Atomair onderzoek naar de samenstelling van het tandglazuur wijst naar een jeugdig verblijf in Zuid Tirol, het gebied waar hij ook stierf.
Hij droeg schouderlang hoofdhaar en bezat wschl.  een baard.
Curieus is het ontbreken van de vier verstandskiezen en ook het twaalfde paar ribben ontbreekt.
Zijn leeftijd schat men aan de hand van de veranderende botstructuur; een met het klimmen der jaren bekend verschijnsel en  aan de hand van slijpplaatjes van botweefsel vastgesteld op ca. 46 jaar.
 
 
Voor het overige verwijs ik graag naar publicaties van de hand van Konrad Spindler en zijn team, en wederom naar internet waarop talloze sites uitbundig veel informatie verstrekken voor de geinteresseerde lezer.
Waarom hij moest sterven, daarover is veel gespeculeerd en laat ik de nieuwsgierige lezer graag Spindler en internet aan het woord.
JFK.25-7-15.
   

Archeologie van de Deense stranden.

Door Do van Dijck.

We combineren onze vakanties vaak met het zoeken naar steentijd artefacten, fotograferen en het verkennen van de omgeving. Door omstandigheden konden mijn vrouw en ik dit jaar (begin juli) pas later met vakantie. Een nadeel is als je in juli met vakantie gaat dat de velden vol staan met gewassen en dat is geen ideale zoekmaand. Tijdens een eerdere vakantie die we in Denemarken doorbrachten was het mij al opgevallen dat er tussen het grind op de stranden vuurstenen afslagen te vinden waren. Omdat de stranden in de omgeving van de Limfjord in Denemarken altijd toegankelijk zijn werd onder meer om deze reden besloten dat onze vakantiebestemming dit jaar daar zou liggen. We kozen als uitvalsbasis een vakantiehuisje in Ertebolle. Zoals bekend in archeologische kringen is Ertebolle een belangrijke archeologische plek. (Ertebollecultuur 7300 - 5950 jaar geleden en een prachtig archeologisch museum in deze plaats).

 

Omdat ik nog weinig ervaring had met het zoeken naar artefacten op de stenenstranden in Denemarken was het eerst even wennen. Tijdens de eerste avondwandeling over de stranden vond ik mijn eerste afslagen en dat gaf vertrouwen. Op mijn eerste zoektocht daarna, liep ik langs de hoge kliffen maar dat leverde alleen fossiele zeeëgels op. Later die dag kwam ik er achter dat je beter kunt zoeken in de lagere kliffen die tot zo'n 2.50 meter boven zeeniveau liggen. Ik vond hierin een locatie met veel schelpen in de bovenlaag, waarschijnlijk geoogst in de periode van de Ertebolle cultuur. In deze laag zag ik ook een steenpuntje uitsteken. Toen ik daar voorzichtig aan trok kwam er een prachtige gave geretoucheerde kling te voorschijn die zeer waarschijnlijk daar ongeveer 6000 jaar geleden was achter gelaten. Ik was de eerste die de kling na al die duizenden jaren weer in handen hield. Het gaf een goed gevoel en eigenlijk was daarmee mijn vakantie in Denemarken al geslaagd.

 

Het zoeken naar artefacten in de kliffen is nog best lastig.De artefacten zijn vaak nauwelijks zichtbaar en voor mij is het ook nog niet duidelijk in welke laag je precies moet zoeken. De ene keer vond ik de artefacten in de bovenste humuslaag en een andere keer in de sediment lagen daaronder. Natuurlijk zijn er allerlei verklaringen voor te vinden (overschuivingen en verschillende ouderdom etc) maar voor mij was het best moeilijk om te kliffen te "lezen". Een tweede bezoek was vaak wenselijk en leverde meer verrassende resultaten op.

Op dezelfde dag dat ik de kling aantrof, vond ik op een vlak strand zonder kliffen een artefact waarvan ik in eerste instantie niet wist wat het precies was. Ik mailde een foto van het artefact naar Jan Kloosterman en Pieter Smit en alle twee mailden ze terug dat de vondst een mesolithisch bijltje was. Jan Kloosterman wist te vertellen dat het om een bijltje ging uit de Kongemose cultuur (8000-7200 jaar geleden).

Tijdens de verdere vakantie heb ik de zoektocht uitgebreid tot andere stranden rond het Limfjord. Het is zeker niet zo dat je overal op de stranden artefacten aantreft. Op sommige plaatsen vonden we geen artefacten maar daar en tegen waren er ook plaatsen waar honderden afslagen lagen op de stranden. Dat ook stranden zonder kliffen aandacht verdienen ontdekte ik op een rare manier. Mijn vrouw en ik wilden het strand verlaten en toen viel mijn oog op het laatste moment op een kernbijl van 15 cm.

 

 Het resultaat aan gevonden bijlen of delen daarvan in anderhalve week tijd aan het Limfjord in Denemarken

Het zoeken op de stranden heeft ook een nadeel. Veel van de artefacten zijn in de branding gerold en beschadigd. Het geld zeker niet voor alle artefacten want ik heb ze ook gevonden die punt gaaf waren. Tijdens onze vakantie van anderhalve week aan de Limfjord vonden we honderden afslagen, een zestal mooie schrabbers, een tiental mooie klingen waarvan sommigen geretoucheerd, 3 halve en 5 hele bijlen en nog een paar artefacten die nader moeten worden bekeken. Samen met ook een 40 tal fossiele zeeëgels en een paar fossiele visjes uit een groeve maakten al die vondsten onze vakantie geslaagd. Het zoeken op de Deense stranden kan best leuke resultaten opleveren en is in de zomermaanden best de moeite waard als je niet op de akkers kunt zoeken.

JFK.19-7-15.



 

Niet de artefacten zelf maar het verhaal daar achter interesseert mij.

Vandaag heb ik een intervieuw met Tjitte Douma in Drachten. Hij werd op 25 januari 1924 in Wommels als boerenzoon geboren en was een leven lang bezig met het werk in ruilverkavelingen in Fryslân. Bij het overzien van zijn gerieflijke woonkamer merk ik op dat hier een systematicus woont. Alles in de woonkamer ligt keurig opgestapeld en wat daarbij op valt is dat het ook allemaal kaarsrecht is opgestapeld en dat geldt niet alleen voor de boeken en kranten maar ook voor alle CDs en andere dingen.

Tjitte Douma

We hebben het over de archeologie deze ochtend. Tjitte is een verzamelaar van artefacten weet ik en ik kom deze 91 jarige amateur archeoloog dan ook nog geregeld in het archeologisch circuit tegen. Als het om de archeologie gaat, vertelt hij, dan moet ik eerst mijn overleden vrouw Maaike de Jager (23/6/1926-5/2/2011) noemen. Zij heeft mij eigenlijk besmet met de archeologie. Maaike ging al vrij vroeg samen met Griet van der Brug, toentertijd wonende op Selmien onder Drachten, artefacten zoeken. Eén van de favoriete zoekplaatsen in die tijd was een veld in de nabijheid van de Boorne even boven Siegerswoude. Maaike en Griet hebben daar veel artefacten gevonden en toen ik ook de smaak van de archeologie te pakken kreeg kwam ik er ook vaak met Maaike. We waren dan heerlijk buiten in het veld en het zoeken naar artefacten uit de steentijd werkte voor mij ook heel ontspannend naast mijn drukke baan in de ruilverkaveling. Weet je wel dat Maaike en Griet in dat gebied een site van de Creswell cultuur hebben ontdekt. Ik weet niet of dat zo bekend is maar er is later een opgraving geweest onder leiding van archeoloog Gerrit Elzinga. Dat was in die tijd een belangrijke ontdekking omdat er toen nog niets bekend was over de Creswell cultuur.

 
In 1985 kon ik vervroegd met pensioen en vanaf die tijd ben ik me meer gaan bezig houden met archeologie. We hebben aan de Boorne samen veel mooie artefacten gevonden. Op één perceel waren dat de artefacten uit de Hamburg cultuur maar daar omheen hebben Maaike en ik ook heel veel artefacten gevonden uit andere culturen zoals uit het Mesolithicum, het Neolithicum en de Bronstijd. Als we met onze "buit" thuiskwamen dan gingen we onze vondsten rubriceren. Het was vooral Maaike die alle artefacten inpakte en rubriceerde. Zij was daar zeer precies in. We hadden bij het determineren wel eens hulp van arecheoloog Pieter Mudstra (1900-1990) Hij wist er veel van af en kwam vaak bij de familie van der Brug om daar vondsten te determineren. Pieter Mudstra werkte van ongeveer 1963 tot 1970, dank zij een subsidie, in het gebied van de ruilverkaveling het Koningsdiep. Griet van der Brug kwam in die tijd ook samen met mevrouw Sietema-Heida uit Langezwaag bij Pieter Mudstra thuis. Ze maakten zijn huis dan wel schoon en leerden veel van Mudstra over de archeologie.
We hebben in het gebied rondom Drachten honderden schitterende artefacten gevonden en een heel groot deel heb ik hier opgeslagen. Na mijn  pensionering gingen Maaike en ik ook wel artefacten zoeken op andere plaatsen en onder anderen Oosterwolde, Smilde en Hijken kwamen daarbij aan bod. Na het overlijden van Maaike ben ik nog wel betrokken gebleven bij de archeologie maar ik doe er minder aan. Hier in de keuken staan tientallen doosjes met artefacten en in de kelder heb ik nog veel meer opgeslagen. Ik weet nog niet precies wat ik met al die artefacten moet doen. Ze moeten een goed plekje krijgen maar waar dat zal zijn, daar ben ik nog niet uit.

Maaike en ik zochten niet alleen in ons eigen gebied naar artefacten maar we gingen na mijn pensionering echt de vleugels uitslaan. We reisden overal naar toe en  waren soms maanden weg. We hebben ook in een camper rondgetrokken in Australië. Daar viel het me op dat ook daar artefacten uit de steentijd waren te vinden en we hebben daar dan ook gezocht. Ik heb nog steeds een kleine collectie van die Australische artefacten hier opgeslagen en eigenlijk moet ik ze nog eens laten zien op de club. Ze zijn heel bijzonder. We kwamen zo ik zei overal. Denemarken, Noorwegen, Zweden maar ook België en Frankrijk waren landen waar we voor onze hobby naar toe gingen. We hebben uit al die landen collecties steentijd artefacten verzameld.

Het waren niet alleen de artefacten waar we naar zochten. Maaike had een brede belangstelling en we zochten daardoor ook naar mineralen en fossielen. De ernorme verzameling aan fossielen die hier nog staat is eigenlijk het werk van Maaike. Ze heeft al die fossielen gerubriceerd en verpakt. Ze kreeg daar hulp bij van Gerard de Rover die een echte kenner van fossielen is. Ook bij het verzamelen van mineralen kwamen we op de bekende verzamelplaatsen zoeken zoals Idar-Oberstein in Duitsland. Voor het determineren van mineralen deden we vaak een beroep op Ep Kijlstra uit Drachten.

Weet je vertelt Tjitte waar ik het meeste belangstelling voor heb. Dat zijn niet zo zeer de artefacten zelf. Natuurlijk is het prachtig als je mooie dingen vindt. Maar het mooiste vind ik nog steeds het verhaal achter die artefacten. Voor mij is het interessant hoe de mensen in die steentijd zich hebben ontwikkeld en wat de oorzaak is geweest van de veranderingen in cultuur. Als ik in mijn eigen leven even terug kijk dan heb ik sinds mijn jeugd een enorme ontwikkeling meegemaakt die soms haast niet bij te benen was. Zo is het in de steentijd denk ik niet helemaal gegaan maar ook in die tijd, duizenden jaren terug, ontwikkelden mensen zich en wisten ze te leven met hun eigen werktuigen, de stenen artefacten die ze maakten en gebruikten in het dagelijks leven. Ik vraag me ook elke keer nog af als ik bewerkte stenen artefacten in handen heb, hoe ze gebruikt werden en waarvoor. Dat is ook het mooie van de wetenschap. Onderzoeken leiden soms tot prachtige en interessante resultaten over de steentijd. Ja als ik nog even terug kijk dan heb ik samen met Maaike prachtige jaren gehad met die archeologie. Ik zou het niet graag hebben willen missen.

 Ook het verzamelen van fossielen was een grote hobby van  Tjitte en Maaike.

Inzet een kern van vuursteen uit Spiennes in België en een honingkleurige bijl uit de omgeving van Le Grand Pressigny in Frankrijk.

Jan F.Kloostermanm 14 juli 2015. 


 

Fiets excursie door het stroomdal van de Boorne.

Aan de fietsexcursie die de Stientiid Wurkgroep Fryslân op zaterdag 23 mei 2015 organiseerde namen 17 leden deel. Een mooie groep die onder leiding van Jan Slofstra het gebied van de Boorne onder Olterterp verkende. Archeoloog en cultuur historicus Jan Slofstra bleek tijdens de excursie een goede kenner en inspirator van het prachtige beekdal landschap van de Boorne (ook Koningsdiep of Âlddjip genoemd) en wist tot in detail de bijzonderheden over het gebied.

Jan Slofstra

De fietsroute die door Roel van der Brug was uitgezet kende een taalftal punten waar even werd stilgestaan bij de prehistorische of historische kenmerken van het landschap of bij de bijzonderheden die daar op die punten in het verleden hadden gespeeld. Een eerste halteplaats was bij de boerderij van de 95 jarige Jochum de Jong, wiens landerijen grenzen aan de Boorne. Rondom zijn boerderij zijn er mooie anecdotes bekend uit een tijd toen de boerderij nog een oversteek bij de Boorne had en de boerderij dienst deed als herberg. Een tweetal Franse deserteurs zouden nabij de boerderij standrechtelijk zijn geëxecuteerd omdat zij hun logies niet hadden betaald en vervolgens op een stuk land naast de boerderij zijn begraven zonder dat ooit iemand dat in die tijd heeft geweten. Maar ook andere verhalen over Jochum de Jong uit de vooroorlogse en oorlogse tijd en over zijn archeologische avonturen met Assien Bohmers bij opgravingen in het stroomdal van de Boorne werden breed uitgemeten. Ook hier lagen in de verhalen waarheid en fictie dicht bij elkaar, maar altijd leuk om aan te horen als ook een Evert Kramer zijn herinneringen er nog aan toe voegt

 Hoogtekaart van het gebied waarin de excursie werd gehouden.

In het beekdal werd bij één van de mooiste punten door Jan Slofstra dieper ingegaan op het landschap. Op een punt op de Mersken dichtbij het Muzebiterspad is het verschil in hoogte tussen de leemrug aan de noordzijde en het stroomdal aan de zuidzijde goed te zien. Jan Slofstra gaat terug naar de Saale ijstijd en vertelt dat dit geaccenditeerde landschap is ontstaan toen de ijskap na de Saale ijstijd ging smelten en er grote rivieren ontstonden die het smeltwater afvoerden waardoor de bodem op plaatsen diep uit werd gesleten. De hoogten die overbleven, waren lange leemruggen tussen de smeltrivieren en die zijn voor de oplettende opmerker nog overal in het landschap te herkennen.

Wie van boven naar het gebied kijkt merkt zeer zeker de verschillen in hoogte op die er in het landschap zijn. Zo is de Boorne niet het enige beekdal maar liggen er achtereenvolgens een aantal beekdalen en een aantal grote leemruggen naast elkaar. Aan de noordzijde is de Drait als overblijfsel van een smeltrivier nog zichbaar en aan de zuidkant van de Boorne zijn dat nog de Linde en de Tjonger. Deze vroegere smeltrivieren hadden ieder een eigen fijnmazig toeleidend afwatering systeem en ook dat systeem wordt zichtbaar in een hoogte kaart.

 

Verder wijst Slofstra ook op de in het gebied hier en daar liggende pingoruïnes. Dit zijn overblijfselen uit de koude periode van de Weichselijstijd en door opborrelend water in de permafrost bodem ontstonden hier grote ijslenzen in de bodem die na smelting de pingo's vormden.

Doorkijkje vanaf de Mersken naar het stroomdal van de Boorne.

Naast de N381 ten zuiden van de Boorne vond in 2014 een opgraving plaats. Daarbij werden resten aangetroffen van middeleeuwse bewoning  uit de 11e en 12e eeuw. Jammer genoeg vond er maar een gedeeltelijke opgraving plaats van een groot terrein met restanten van de middeleeuwse gebouwen die op plaatsen maar 20 cm onder het oppervlak liggen. Een gemiste kans om goed inzicht te krijgen in de middeleeuwse geschiedenis van de Friese Wouden volgens Slofstra.

Een andere punt waarbij werd stil gestaan was de plaats waar een kerkhof uit de middeleeuwen ligt van Oud Wijnjewoude. In relief is het kerkhof nog aangegeven. Ook de plaats waar oud archeoloog Gerrit Elzinga een archeologische opgraving deed naar het oude Wijnjewoude werd met een bezoek vereerd. De beroemde vindplaats van de vuistbijl door de dorpstimmerman Hein van der Vliet uit het vroegere Wijnjeterp ontbrak ook niet op het lijstje en zo kwamen er mooie verhalen genoeg naar voren. Bij de grafheuvel aan de Poostweg werd stilgestaan bij de opgraving hiervan in 1939 door H.J.Popping, Hein van der Vliet en Lute de Jong.

 

 

In de Hemrik werd een bezoek gebracht aan het oude kerkje dat op een hoogte staat. De hoogte aldus Jan Slofstra is een restant van de metersdikke lagen veen die hier voor de vervening waren. Het kerkje werd in de middeleeuwen op het veen gebouwd. Toen rondom het veen tijdens de verveningen werd afgegraven kwam de bodemlaag veel lager te liggen. Doordat het veen rond het kerkje onaangeroerd en intact bleef bij de afgraving kwam dit op een hoogte in het landschap te liggen. Op het kerkhof is een grote grafkamer aanwezig waarin de familie van de veenbaas begraven ligt.

 

Een punt van bespreking was de kolonisatie in de vroege middeleeuwen. Vanaf het jaar 1000 kwam via de rivieren een nieuwe bevolking in de Friese Wouden die aan de rivieren begonnen met het ontginnen van het veen en dit in gestrekte kavels landinwaarts aanlegden. Als het veen grotendeels weggeërodeerd was door de bewerking van deze nieuwe bewoners en het land te nat werd, trokken ze verder het veen in en ontgonnen weer nieuwe percelen land. Dit beeld van het ontginnen vanuit de rivieren zoals vanuit de Lauwers, de Drait, de Boorne, de Tjonger en de Linde, is nog steeds terug te vinden in de opstrekkende kavellijnen van de landerijen. Een bijzonder stukje oude cultuurhistorie die zichtbaar is in de beekdalen in Fryslân aldus Slofstra.

Bij hotel/restaurant het Witte Huis in Olterterp werd de excursiebesloten en werd door Evert Kramer namens de Stiengroep een flesje geestrijk vocht en een cadeaubon uitgereikt hetwelk werd ondersteund door waarderende woorden over de leerzame excursie in het beekdalgebied van de Boorne.

JFK.mei 2015. 


 

Denemarken nog steeds interessant voor archeologen.

Denemarken is nog steeds interessant voor amateur archeologen. Archeologische exursies en zoektochten leveren nog veel prachtige vondsten op. Het is goed om vooraf informatie in te winnen over de gebieden waar zoektochten naar artefacten zijn gepland. Een goede voorbereiding levert gegarandeerd nog altijd prachtige vondsten op. Bij die voorbereiding hoort in de eerste plaats een toestemming om op de akkers van de eigenaren te mogen zoeken. Over het algemeen zijn de Deense boeren er op gesteld dat er toestemming wordt gevraagd voor een zoektocht en er zijn maar weinig boeren, die na uitleg van het doel van een zoektocht, de toestemming weigeren.

Grafheuvel bij Kerring op Äls

 Een indukwekkendem niet verstoorde grafheuvel onder Ketting op Äls.

In april 2015 heeft een drietal amateur archeologen, Douwe Wedzinga en Jelle van Bruggen beiden uit Opeinde (Sm) en Jan Frans Kloosterman uit Buitenpost, een archeologisch reisje gehouden in Denemarken en een week doorgebracht op het Deense eiland Äls, dat even boven het Duitse Flensburg ligt. Op dit eiland liggen nog een  aantal indukwekkende hunebedden aan de westelijke en oostelijke kuststroken. Ook zijn op dit eiland, net als overal in Denemarken, nog een groot aantal grafheuvels te vinden.  Veel grafheuvels in Denemarken zijn nog intact en onaangeroerd. De zoektochten van het drietal amateur archeologen in april leverden een aantal fraaie artefacten op die in ouderdom en cultuur nogal verschillen.

Het vinden van de artefacten is in Denemarken niet zo moeilijk. Een goede oriëntatie in een gebied levert al snel locaties op die mogelijke vindplaatsen kunnen zijn en vaak zijn ze dat ook. Een ander probleem is om de gevonden artefacten in soort en cultuur te plaatsen en de ouderdom in te kunnen schatten. Dat is redelijk ingewikkeld en gelukkig was Douwe Wedzinga in ons gezelschap. Hij is redelijk bekend met een aantal Deense prehistorische culturen. Na afloop van iedere dag kwamen daarom ook de gevonden stukken op tafel en werden deze besproken. De conclusie was na een aantal dagen dat de meeste van onze vondsten geplaatst konden worden in de Kongemose cultuur, Een Mesolithische periode van ongeveer 8600 tot 7500 jaar geleden. Deze Mesolithische cultuur is een verlengde van dezelfde cultuur in het Duitse Sleekwijk-Holstein waar veel onderzoek naar de Kongemose cultuur is gedaan. Kongemose wordt in Duitsland ook wel de Ellebeck cultuur genoemd. Het is een plaats in Noord Duitsland waaraan de naam van deze cultuur is ontleend. In Denemarken verbleven de mensen uit deze cultuur voornamelijk langs de kusten en leefden daar van  de visvangst en het vergaren van oesters en mossels. De Kongemose cultuur wordt onderverdeeld in 3 fasen, de Blak, de Villingbaek en de Vedvaek Bolbanen cultuur. De kongemose cultuur is een oudere cultuur dan de Deense Aertebolle cultuur en wordt samen met deze cultuur in Denemarken ook wel Kystcultuur genoemd. 

 

 

 

 

 

 

 

  Kernbijltje met trancetslag. Vondst Douwe Wedzinga.

 

 Bijltje uit de kongemose cultuur. (vondst jan F.Kloosterman)

 

 Sikkel. (vondst Jan F.Kloosterman)

sikkel 

 

 

 

 


 

50.000 jaar geleden verbleven Neanderthalers in een jagerskamp onder Assen.

In 2007 werden door amateur archeologen voor het eerst midden paleolithische artefacten gevonden op een akker onder Assen. Onder de vondsten prachtige kleine vuistbijlen. Na deze ontdekking werd al snel in het verdere onderzoek samengewerkt met het Groninger Instituut voor de Archeologie (GIA) van de universiteit te Groningen en werd het onderzoek gecoördineerd door Marcel Niekus samen met Jaap Beuker van het Drents museum. Het tweetal werkte bij het onderzoek nauw samen met een aantal vrijwilligers die als amateur archeologen enige  ervaring hebben in het herkennen van artefacten uit de steentijd. Inmiddels is het onderzoeksproject geprofessionaliseerd door het inhuren van het Archeologisch onderzoek en adviesbureau de Steekproef uit Zuidhorn. Er wordt op de vondstplek regelmatig onderzoek gedaan en er worden nog steeds heel wat oppervlaktevondsten op de bewuste akker aangetroffen. 

Eén van de vuursteen bijltjes van de site onder Assen. Foto Frans de Vries - Toonbeeld

In 2011 volgde een opgraving waarbij een jagerskamp te voorschijn kwam en nog heel wat artefacten in situ werden gevonden. Voor Noord Nederland een unieke ontdekking. Inmiddels staat de teller op meer dan 400 midden paleolitische artefacten. Een Neanderthalerkamp van deze omvang werd niet eerder in Noord Europa ontdekt. Wel is op een geërodeerde helling in Mander in de loop der jaren een aantal midden paleolithische artefacten verzameld maar hier liggen de gevonden stukken nogal ver uit elkaar. Vindplaatsen zoals het nu ontdekte Neanderthaler jagerskamp bij Assen zijn tot nog toe niet bekend in Nederland. De vindplaats onder Assen ligt net als die in Mander op een licht glooiende akker in de nabijheid van een beekdal.

Inmiddels is ook een tweede vondstplek in de nabijheid van het opgegraven jachtkamp ontdekt en daarop zijn inmiddels ook al een dertigtal nieuwe artefacten uit het midden paleolithicum gevonden. Marcel Niekus zou ook op deze plek graag een opgraving doen maar tot op dit moment onbreken daarvoor de nodige financiën.

 MP messen Assen

Twee messen. Het linker exemplaar is van helleflint en het rechter van vuursteen. 

Onder de inmiddels meer dan 400 verzamelde midden paleolitische artefacten bevinden zich een aantal vuistbijlen in verschillende maten. Sommigen hebben een afgebroken top hetgeen volgens Marcel Niekus te wijten kan zijn aan het feit dat de bijlen bij de jacht tussen de gewrichten van de bejaagde dieren terecht kwamen en daardoor afgebroken zijn. Andere vuitsbijlen zijn zeer premitief bewerkt en dat zou een oorzaak kunnen vinden in bewerking door een beginnende Neanderthaler steensmid of door kinderen die de techniek van bewerking nog moesten leren. Uniek zijn ook de stenen messen waarbij één is vervaardigd uit helleflint, een zeer taaie steensoort die tijdens de IJstijden in een grote gletsjer zijn meegevoerd naar Noord Nederland.

Artefacten in de expositie van het depot te Nuis met één van de vuistbijltjes.

Bij de opraving zijn kleine afslagen gevonden die passen bij de bewerking van vuursteen tot vuistbijlen, maar andere artefacten zijn vrij zeker van andere plaatsen meegebracht naar het jagerskamp. De gevonden artefacten waaronder de vuistbijlen zijn onderhand ondergebracht in een expositie van het Noordelijk Archeologisch depot te Nuis aan de Nieuweweg 76, 9364PE. Het depot is telefonisch te bereiken op tel nr. 0594- 644000. Om ze daar te bekijken is het aan te raden om een afspraak te maken.

Onder toeziend oog van Marcel Niekus wordt de expositie in het depot te Nuis ingericht.

Het onderzoek bij Assen heeft inmiddels nationaal maar ook internationaal de aandacht getrokken. Met een paar collega's heeft Marcel Niekus nu de Stichting " Steentijd onderzoek Nederland opgericht, afgekort STONE. Internationale onderzoekers maar ook de in Nederland bekende archeoloog professor Wil Roebroeks uit Leiden, zijn betrokken bij de stichting die onder anderen tracht om fondsen te werven voor verder onderzoek en mogelijke opgravingen. Eén van de grote wensen van Marcel Niekus is om een populair wetenschappelijk boek te gaan schrijven over de vindplaats en het onderzoek nabij Assen, aangevuld met vondsten van midden paleolithische artefacten uit Drenthe en Fryslân. Frans de Vries van Toonbeeld Fotografie en Vormgeving uit Stiens zal zijn medewerking verlenen bij de totstand koming van het nieuwe boek

JFK/27/2/15.


College archeologie van de oud conservator van het Fries Museum, Evert Kramer

Het was toch even andere kost in het streekmuseum Burgum voor de leden van de leden van de Stientiid Wurgroep Fryslân op maandag 16 februari 2015. In de plaats van  de verhalen over artefacten werd er college gegeven over de steentijd archeologie door Evert Kramer. Deze had zijn bijdrage voor deze avond met zorg gekozen. Op de tijdschaal van de aarde in het museum, liet hij zijn leerlingen zien dat mensen pas in het laatste stadium van de 4 miljard jaar oude geschiedenis van de aarde deel zijn gaan uitmaken van die geschiedenis. Een goede kennis van de geologie is de basis voor archeologisch onderzoek aldus Kramer.

Na de inleiding over de ouderdom van de aarde kreeg het verhaal een vervolg in het ontstaan van de hominiden. Deze geschiedenis werd ingeleid met een filmpje van Dr. Kristian Pedersen, Early Hominids. Natuurlijk werden we meegenomen naar de vindplaatsen in centraal Afrika waar al tientallen jaren onderzoek wordt gedaan in de bekende Olduvai vallei naar de hominiden. Hominiden zoals de Pithecantropus erectus en de Australopithecus passeerden natuurlijk in het verhaal evenals de opgraving van Lucy door Donald Johanson. Een omstreden verhaal over de ontdekking van Lucy aldus de leermeester. 

LucyDe gevonden botten van Lucy in een reconstructie.

Natuurlijk ging het verhaal van Evert Kramer verder en kwamen we uit bij de Homo Erectus en de beroemde vondsten van de Javamens door onze eigen Nederlandse deskundige op dat gebied, arts en antropoloog Eugéne Dubois. Ook de vondsten van Homo Erectus in het Chinese Chu ko Chan en de vondsten van andere mensen soorten zoals de Neanderthaler werden door Kramer belicht en met name de vondsten in een grot in Spanje waar neanderthalers lang verbleven en waar naast botmateriaal van Neanderthalers ook botten van mammoeten en andere grote grazers zijn gevonden.

 

 

 

 

Hester Huisman leverde vervolgens een bijdrage uit de reeks boeken van de aardkinderen van de schrijfster Jean M. Auel. Het boek "De stam van de holenbeer" geeft in een geromantiseerd verhaal heel veel gegevens weer die getuigen van een zekere kennis van de steentijd archeologie betoogde Hester. Zij leefde zich in in de hoofpersoon Ayla die als 5 jarig kind van de Homo Sapiëns in een gemeenschap van Neanderthalers terecht kwam en in die kringen werd opgevoed. Lanschappelijk omschrijvingen, het klimaat, de leefwijze en de jacht nemen de lezers mee in een prehistorische tijd. Voor de omschrijving van al die randvoorwaarden van het Neanderthalervolk liet de schrijfster zich inspireren door vakarcheologen betoogde ze.

 

 JFK.17/2/15


 

 Het volgende interview heb ik (Martin van Kammen) gevoerd met de rasechte archeoloog Marcel Niekus om alvast een goed beeld te krijgen wat de studie en het beroep archeoloog inhoudt.

 "Vooral doen wat je leuk vindt!"

Al sinds ik een klein jongetje was, wist ik het zeker: 'later wil ik archeoloog worden!' En nu, een aantal jaren later aan het eind van mijn middelbare school-tijdperk komt die keuze, wat je de rest van je leven waarschijnlijk gaat doen, al aardig dichter bij. Om mij hierover te oriënteren, heb ik een interview gehouden met natuurlijk een wasechte archeoloog. Ik zocht Marcel Niekus op in Groningen om hem over zijn belevenissen te spreken die hij heeft gemaakt in zijn studententijd en over zijn huidige beroep, archeoloog.

Toen ik bij hem aanbelde en binnen werd gelaten, zag ik meteen dat er een archeoloog woont. Overal lagen vondsten en artefacten, die elk hun eigen verhaal hebben. Marcel's vrouw overhandigde mij een fossiel bot, dat ik herkende als een bot van een wolharige neushoorn. Na een tijde over nog wat andere vondsten te hebben gepraat, zochten wij een mooi plekje op om te gaan zitten, en kon het interview beginnen.

Marcel Niekus is begonnen met zijn studie archeologie in 1990 in Groningen. Zelf woonde hij toen nog in Hoogezand, en omdat Groningen voor hem dichtbij was, was dit een logische keuze voor hem. “In mijn tijd moest je eerst nog een jaar iets anders studeren, voordat je aan archeologie kon beginnen. Ik wilde eigenlijk antropologie of geologie studeren, maar dat was er niet meer als studievak, dus ben ik maar kunstgeschiedenis gaan studeren.” Na anderhalf jaar kon hij dan eindelijk overstappen naar archeologie. Zijn propedeuse heeft hij niet in één keer gehaald, maar moderne kunst en dat soort zaken waren niet echt zijn ding.

Zoals veel archeologen, wilde Marcel ook al sinds zijn jeugd archeoloog worden. Hij ging vaak met zijn moeder naar Cyprus, waar hij op zijn twaalfde al mee mocht doen met een opgraving bij een vindplaats. Dit was een Romeins huis dat was ingestort bij een aardbeving. De daarop volgende jaren ging hij steeds weer naar Cyprus, om daar drie weken mee te helpen met opgravingen. “De interesse voor de archeologie was er altijd al, maar hierdoor werd die echt opgewekt!”

Als ik hem vraag, wat hij het lastige aan zijn studie vond, komt het blijkbaar missende wiskunde-gen bij archeologen naar boven:”statistieken was mijn zwakke punt, maar daar hadden alle studenten moeite mee. Je hebt voor archeologie niet echt een verplicht vak nodig, maar welke vakken je moet kiezen, hangt ervan af van welke richting je later op wil.” Wel zou hij antropologie adviseren als vak, maar aangezien ik dat niet heb op school, en je het ook niet in Groningen kunt studeren, is meteen archeologie toch de kortste klap. Marcel legt dan ook uit dat antropologie vooral handig is om te bestuderen hoe of de mens vroeger heeft kunnen leven in vergelijking en aan de hand van de leefwijze van de tegenwoordige 'primitievere' volken, zoals de Aboriginals of de Inuit.

Marcel Niekus in Denemarken

Toen Marcel afgestudeerd was, kon hij niet gemakkelijk een baan vinden. Zijn decaan had voor zijn studie nog tegen hem gezegd: “zou je dit wel doen, archeologie studeren? Er is daar helemaal geen werk in!” Tijdens zijn studie waren er zo weinig studenten dat hij soms alleen college had, en zijn klassen waren niet veel groter dan vijf man. Tegenwoordig is dat wel anders: per jaar komen er zo'n 25 studenten bij voor de faculteit archeologie. Volgens Marcel komt dat ook omdat archeologie veel meer in de belangstelling staat dan vroeger: “tegenwoordig heb je veel archeologische programma's op National Geographic en Discovery, en zelfs door Indiana Jones werden sommigen geïnspireerd om dit vak te gaan studeren. Dan heb je natuurlijk een behoorlijk verkeerd beeld.”

Marcel heeft zich na de studie eerst nog bezig gehouden met een opgraving door de universiteit, en een jaar later begon de commerciële archeologie. Dit zijn bedrijven die in opdracht van gemeenten opgravingen kunnen doen, als zij ergens iets willen bouwen. Hierdoor kon ook Marcel een vaste baan vinden bij de ARC (archeological research & consultancy ) als opgravingsleider en specialist vuur- en natuursteen. Hij heeft zelfs een tijdje colleges gegeven aan de universiteit in Groningen aan tweedejaars studenten. “Omdat je zelf zo gek bent op dat vak, is het heel mooi om dat over te brengen.” Volgens hem is dat ook gelukt, want hij had dat jaar de hoogste beoordelingen voor colleges.

Op Cyprus was hij vooral bezig met Romeinen, maar toen hij weer in Nederland kwam, werd hij een keer mee het veld op genomen om naar pijlpunten te zoeken. “Ik heb toen echt de ommezwaai gemaakt van Romeinen naar de steentijd. Die verandering heb ik dus echt gemaakt. Op Cyprus heb ik nog mozaïeken opgegraven en gegraven naar een muntschat. Dat vond ik altijd hartstikke leuk, maar toen ik weer in Nederland kwam en die amateurarcheoloog mij de pijlpunten liet zien, was ik echt verkocht.”

Dat heeft er niets mee te maken dat je hier in het noorden niet zo veel van de oud -Mediterrane cultuur kunt vinden. Je kunt tijdens je studie namelijk twee kanten op, zo vertelt Marcel. Je kunt de kant op van de pijlpunten en stenen bijlen, Europese prehistorie en de kant van de Romeinen en Grieken. “Beide richtingen zitten in hetzelfde gebouw, dus je komt elk onderwerp altijd weer tegen.” Voor hem was er nooit twijfel tussen die twee, hij wilde altijd al de prehistorie in.

Op de vraag of hij heeft bereikt wat hij wilde als archeoloog, antwoordt hij: “bijna. Ik heb jaren voor de ARC gewerkt, wat mij heel goed heeft bevallen, heel veel opgravingen gedaan en in 2000 kreeg ik de mogelijkheid om een promotieonderzoek te doen in Groningen over de steentijd. Dat is iets wat ik het komende jaar wil afronden. De droom is eigenlijk al grotendeels uitgekomen: ik schrijf artikelen, geef lezingen, colleges, ik heb hartstikke leuke projecten. Aan de ene kant wil ik graag dingen ontdekken, maar ik vind de combinatie ook leuk, om aan de ene kant wetenschappelijk onderzoek te doen, en aan de andere kant lezingen te geven aan groter publiek en geïnteresseerden.

Één van zijn mooiste herinneringen aan zijn studie was een excursie naar Ierland. Twee weken met je medestudenten opgravingen bezoeken. Maar ook de opgravingen die de universiteit zelf leidde, vond hij altijd erg leuk. In zijn tijd kon je er nog veel meer studie volgen en ook langer, omdat je domweg meer tijd had om te studeren. Hij kon bijna elke maand weer een nieuwe opgraving volgen, waar hij veel van opgestoken heeft.

Marcel heeft zich nu vooral gespecialiseerd op de steentijd, dus alles van 4000 voor Christus. Zijn proefschrift gaat over de midden-steentijd, waar hij ook nog veel artikelen over schrijft, maar zijn interesse ligt bij de oude steentijd, zoals de rendier-jagers, maar vooral de Neanderthalers hebben zijn grote interesse. Daar kan ik over meepraten. De laatste paar jaar wordt er veel meer onderzoek gedaan naar Neanderthalers met ook vernieuwde methodes, dat tot nieuwe inzichten en ontdekkingen leidt. Volgens Marcel is er nog heel veel te ontdekken over dit onderwerp, en hij wil zich graag verder specialiseren op dit gebied na het afronden van zijn proefschrift. Uitgemolken zijn de onderwerpen nog lang niet. “je kunt altijd wel doorgaan, want er zijn nog veel vragen die openstaan. Als je een opgraving doet om een vraag te beantwoorden, krijg je meestal tien nieuwe vragen erbij. Ook oude ideeën die vroeger zijn geformuleerd, kun je weer tegen het licht houden, en dan komen daar ook weer andere feiten uit.”

Als hij alle mogelijkheden zou hebben om datgene te onderzoeken wat hij wil, zou hij toch in het noorden van Nederland willen blijven want hier zijn zijn wortels. Hij zou ook het liefste doorgaan met het onderzoek naar Neanderthalers in Friesland, Groningen en Drenthe. En vooral daar opgravingen doen. Het buitenland komt dan ook niet in beeld, want al tijdens zijn werk had hij alleen maar projecten in Nederland, maar tijdens zijn studie heeft hij wel veel in het buitenland gegraven.

Een spectaculaire vondst heeft Marcel ook al eens gedaan. Bij de afbraak van een oud gebouw in Groningen vond hij in een beerput een oud zandstenen beeld van een heilige, deels nog bekleed met bladgoud. Dat beeld staat tegenwoordig in het Groninger Museum. Voor hem was dat een bijzondere vondst, ook al heeft dit 16de eeuws beeld niet veel met zijn eigen specialisatie te maken.

Door de kennismaking met een amateurarcheoloog kreeg Marcel contact met de stichting Monument & Materiaal, waardoor hij aan een tiental opgravingen in en rondom Groningen kon meedoen. “Als ik een rijtje zou maken, staat steentijd op nummer één, en terpenonderzoek samen met de middeleeuwen op een gedeelde tweede plaats. Ik vindt die opgravingen in de stad altijd wel spannend, je weet nooit wat er in de beerputten zitten kan. Misschien is dat wel de schatzoeker in mij”.

Of er ook nog andere banen zijn te vinden na de studie archeologie dan het beroep archeoloog zelf vraag ik Dan valt Marcel's vrouw bij: “ je mag dan aardrijkskunde en geschiedenis geven aan middelbare scholen. Je zou dan nog een opleiding bij de Pabo moeten volgen om lesbevoegdheid te krijgen, maar de kennis heb je dan al wel.” Wat ook nog veel archeologen doen is het maken van populaire boeken, en je zou natuurlijk journalist kunnen worden bij kranten en tijdschriften, voor het schrijven van archeologische artikelen. Ook kun je er nog aan denken om bij een museum te gaan werken als conservator of medewerker, en bij de gemeente is bij projecten ook meestal wel de vraag naar archeologen als er iets gevonden zou kunnen worden voordat er een gebouw overheen wordt geplaatst.

Marcel vond het meestal wel leuker om opgravingen te doen met en voor de universiteit, dan voor commerciële bedrijven. Op de universiteit had het allemaal meestal niet zo'n haast, en kon je rustig je werk doen. Maar omdat bijvoorbeeld de ARC een bedrijf is, wil het resultaten zien. Er was dus altijd een zeker druk bij een bedrijf. “Ook als je leuke dingen vindt, kun je daar dan niet dieper op ingaan, omdat daar het budget niet voor is.”

“Als je zeer gepassioneerd bent in de archeologie, zoals ik, sta je er mee op, en ga je er weer mee naar bed. Ik werk ook vaak nog 's avonds of in de weekenden nog door, maar er zijn ook mensen die werken van negen tot vijf, en dan zijn ze er klaar mee.” Het is dus maar net hoe je tegenover je baan als archeoloog staat, hoe groot dat deel is wat het van je dagelijks leven inneemt. Als ik naar de weersomstandigheden vraag, of archeologie dan ook gewoon doorgaat in de winter, omdat het toch ook een beroep is wat je voor een groot deel buiten uit moet voeren, zegt Marcel dat het natuurlijk met ijs en sneeuw weinig zin heeft om naar buiten te gaan en stenen te gaan zoeken. Maar commerciële archeologie gaat gewoon door. “De universiteit zal nu niks doen.” Dat slaat natuurlijk op de opgravingen, want boeken en studentenkamers trekken zich weinig aan van het koude winterweer.

Tot slot vraag ik nog aan Marcel wat hij zou adviseren aan de komende generatie archeologen. “Laat je niet gek maken” komt er dan uit. “Vooral doen wat je leuk vindt, denk niet te veel na over eventuele banen, want dat komt altijd wel goed. Ook als je zelf al archeoloog bent, volg dan gewoon je passie, wat je leuk vindt”. Ik bedank Marcel van harte voor het interview. Hij zei dat hij nog wat voor mij had. Hij pakt een paar bladen, waar hij zelf ook artikelen voor heeft geschreven, en een boek over de steentijd in Nederland. “Voel je niet schuldig, ik had dat boek dubbel, dus mag jij dit hebben!”

Mijn beeld van de archeologie is niet veranderd, maar juist bevestigd. Door dit gesprek kreeg ik meteen zin om met deze studie te beginnen, meteen in de boeken te duiken en natuurlijk vooral zelf opgravingen te doen! Zoals Marcel al zei; laat je niet gek maken, en doe vooral wat je leuk vindt! Nou, dan is archeologie sowieso wat ik ga doen!

Martin van Kammen

 

 

 

 

Copyright © 2011 Archeoweb | Ontwerp en advies Jongsma Automatisering | Powered by WebsiteBaker

Total visitors: 81,765
Visitors today: 22
Visitors yesterday: 69
Max. visitors per day: 383
Currently online: 3
Max. online: 31
Total page views: 297,309
Page views of this page: 4,517
counter   Statistics