Steentijd archeologie

Ontdekkingsreis door de prehistorie

De Prehistorie van de Friese Wouden.

Inhoud:


Voorwoord
Hoofdstuk I    Introductie van de prehistorie
Hoofdstuk II   De evolutie van de mens
Hoofdstuk III  De mens en het klimaat.
Hoofdstuk IV  De eerste boeren in Nederland
Hoofdstuk V   Bronstijd
Hoofdstuk VI  IJzertijd

 

Voorwoord

Wat is eigenlijk die prehistorie. Wanneer begint de pre-historie en wanneer kwamen de eerste mensen op onze aarde.

Over die prehistorie en over onze afstamming worden veel vragen gesteld. Een groot deel van die vragen blijft onbeantwoord of wordt maar al te vaak in een verkeerde context geplaatst.

Religie heeft lange tijd de prehistorie verdoezeld en pas vanaf 100 jaar geleden werd de prehistorie en de geschiedenis van de mens daarin breder aanvaard.

Nu in de éénentwintigste eeuw is algemeen aanvaard dat de aarde al enige miljarden jaren oud is en dat de mensen al 4,5 miljoen jaar deel uit maken van de bonte verscheidenheid van levende wezens op aarde.

Onderzoek door opgravingen en door vondsten hebben in de laatste eeuw meer bekendheid gegeven aan onze herkomst en over onze afstamming.

Veel is er nog niet bekend over onze menselijke historie maar toch zijn een aantal lijnen uit te zetten. Lijnen vanaf de vroege prehistorie van ons mensen. Waar is de mens ontstaan en hoe is hij over onze aarde getrokken in de laatste 4,5 miljoen jaar.

De rondtrekkende mensen hebben in de prehistorie tijdens hun omzwervingen in al die duizenden jaren geen plek ongemoeid gelaten zo blijkt uit de sporen die ze overal op aarde achterlieten.

Sporen van die omzwervingen zijn overal op aarde in de bodem aangetroffen en vertellen een verhaal over mensen. Het ongeschreven archief van al onze voorouders ligt in de bodem opgeslagen. Een archief waarvan al heel wat ontdekt is maar waarvan het meeste nog ontdekt moet worden.

Toch hebben we in de afgelopen eeuw forse stappen gedaan in de vertaling van wat er in de bodem wordt aangetroffen naar een begrijpelijke hedendaags verhaal. De bodem is ons archief van de prehistorie. Ook in de Friese Wouden hebben tientallen amateur archeologen vanaf het begin van de twintigste eeuw prachtige voorwerpen aan dat bodemarchief ontworsteld. Dank zij de ontdekkingen van die amateur archeologen zijn we zo langzamerhand in staat om een tipje van de sluier op te lichten over de prehistorie in de Friese Wouden.

In deze inleiding wordt een aanzet gegeven over deze Friese prehistorie en worden archiefstukken of vondsten uit de bodem van Nederland vertaald in een prehistorische geschiedenis.

Voordat we naar die prehistorie in de Friese Wouden gaan valt er eerst nogal wat te vertellen over de voorgeschiedenis. Een geschiedenis van onze voorouders in Afrika en daarna in Europa en de geschiedenis van de vorming van ons eigen zo vertrouwde Friese landschap in de wouden.

Hoofdstuk I

Introductie van de prehistorie

De vraag waar de prehistorie precies begint is moeilijk te beantwoorden. In de begrippen van vandaag nemen we aan dat de prehistorie is begonnen met de komst van de eerste mensen op onze aarde. Voor zover het onderzoek naar de komst van die eerste mensen op dit moment is gevorderd valt redelijkerwijs aan te nemen dat de eerste mensen ongeveer 4,5 miljoen jaar geleden op aarde verschenen. Die 4,5 miljoen jaar geleden lijkt voor onze begrippen heel ver weg.

Als we kijken naar de geschiedenis, dan valt het op dat we voorheen rekenden in jaren voor Christus en jaren na Christus. Een begrip dat door de religie is ontstaan.

Tegenwoordige berekenen we ouderdom en geschiedenis in hoe veel jaren en hoe  lang geleden. De eerste mensen zijn ongeveer 4,5 miljoen jaar geleden op aarde ontstaan denken onderzoekers. Ook in deze inleiding zullen we die term aanhouden. Deze term geeft eigenlijk het beste aan waar de prehistorische geschiedenis begint en hoe die is verlopen.

Als we de komst van de eerste mensen 4,5 miljoen jaar geleden afzetten tegen de ouderdom van onze aarde dan blijkt dat de mensen nog maar net komen kijken. De ouderdom van onze aarde wordt geschat op 4,5 miljard jaar.

Als je een vergelijking maakt met een dag van 24 uren dan zou je kunnen stellen dat de mensen pas op één minuut voor middernacht op het toneel van de aarde verschijnen. In die vergelijking is de opmars van de mens en zijn ontwikkeling bepaald niet ongemerkt voorbij gegaan op de aarde. Die ontwikkeling heeft er toe geleid dat de mens het enige levende wezen op de aarde is die door zijn gedrag het beeld van die aarde totaal heeft veranderd.

Over de prehistorie is veel bekend geworden door de sporen die de mensen in de afgelopen 4,5 miljoen hebben achtergelaten op aarde. Dat zijn niet alleen sporen van werktuigen die mensen in de prehistorie gebruikten maar ook de restanten van die mensen zelf, die soms helemaal gefossiliseerd worden aangetroffen. De vondsten van werktuigen bestaan vaak uit stenen die door mensen zijn bewerkt voor een bepaald doel. Dat doel kan zijn het stuk slaan van iets, het snijden van voorwerpen of het schaven van hout of been. Ook vinden we uit de prehistorie voorwerpen terug die mensen hebben uitgesneden of uitgekapt van dierlijke botten of van hout. In de late prehistorische tijd zien we dat de vondsten ook bestaan uit gebakken aardewerk en metalen.

De bewerking die mensen in de prehistorie toepasten om voor bepaalde doelen gebruiksartikelen of nog een beter woord, gereedschappen, te ontwikkelen zijn ingedeeld in perioden. Die perioden zijn afgestemd op de ontwikkelingen die de mensen toepasten bij het vervaardigen van gereedschappen. Ze zijn onderverdeeld in drie verschillende  perioden in die ontwikkeling.

  1. De  eerste tijd in die ontwikkeling en de eerste bewerking van stenen tot een primitief gereedschap door mensen is de oudste periode van de steentijd. We noemen dit tijdperk het Paleolithicum of een beetje duidelijker, het oude stenen tijdperk.
  2. De overgangstijd van het gebruik van primitief stenen gereedschap naar meer geavanceerd gereedschap van steen, bot en hout is de tweede periode. Deze periode noemen we het Mesolithicum of de midden steentijd.
  3. De tijd van het slijpen en polijsten van stenen gereedschappen en het gebruik van metalen bij het maken van gereedschappen is de derde periode.  Hier in vinden we het bakken van aardewerk en de ontwikkeling van rondtrekkende jager naar vaste bewoner. Deze tijd wordt het Neolithicum genoemd.

Het begin van de prehistorie is ongeveer 4,5 miljoen jaar verwijderd van onze éénentwintigste eeuw. Echter het einde van de prehistorie is het begin van het geschreven woord. Toen de mensen ook hun woorden konden opschrijven en de geschiedenis vast konden leggen in geschriften en tekens hield daarmee de prehistorische tijd op. Het geschreven woord maakt het mogelijk om dingen een naam te geven, plaatsen aan te duiden en een tijd aan de geschiedenis te verbinden.

Het oudste geschreven woord is aan getroffen in de Balkan. Het is ongeveer 6000 jaar oud bestaat uit een 17 tal tekens of pictogrammen op een kleitablet.

In Mesopothamië – tegenwoordig Irak – werd ongeveer 5000 jaar geleden een spijkerschrift ontwikkeld dat ook in Egypte en later ook in China ingang vond. In Egypte werden de oudste geschriften hyroglglieven genoemd en in China werden ze ideogrammen genoemd.

Het alfabeth zoals we het in Nederland kennen werd door de Romeinen uitgevonden ongeveer 3000 jaar geleden en dit alfabeth, zij het in het Latijn, kwam met de Romeinen naar Nederland.

De prehistorie eindigde niet zomaar van het ene op het andere moment. Dat einde vond plaats in verschillende gebieden op onze aarder op verschillende tijdstippen. Met de komst van het geschrift verdwijnt de prehistorie en we kunnen zien dat dit vanaf 6000 jaar geleden geleidelijk plaatsvond in veel gebieden. Sommige volkeren of groepen op aarde leefden nog vrij recent in de prehistorische tijd. Die volkeren of groepen hebben recent het geschreven woord in hun samenleving gekregen en pas op dat moment eindigde voor hun de prehistorie. Een voorbeeld van zo,n volks zijn de Maori’s in Australië. Zij leefden nog in de vorige eeuw in de prehistorische tijd.

De prehistorie is dus een zeer gevarieerde periode waarin onder invloed van de mensen veel dingen veranderden. Het was een tijd waarin veel veranderde. Mensen evalueerden en bij die evaluatie kregen ze invloed op het landschap, de dieren en de planten. De prehistorie was een enerverende tijd die meer dan 4 miljoen jaar heeft geduurd.

 

Hoofdstuk II

De evolutie van de mens

Als we over mensen spreken treffen we een vergelijking met zoogdieren. Mensen worden gerekend af te stammen van de zoogdieren. Een zoogdier heeft speciale kenmerken zoals een rugwervel waarop het skelet is gebouwd, een constante lichaamstemperatuur, ademend door longen en baart levende jongen of nakomelingen.

Mensen verschillen van zoogdieren op een aantal punten. Zo is de mens het enige wezen dat zich verplaatst op twee benen. De mens is een rechtoplopend wezen. Dat vindt z’n oorzaak in de bouw van het menselijk skelet waarbij een viertal specifieke kenmerken het recht op lopen mogelijk maken:

  1. De grote teen staat bij mensen in rechte lijn ten opzichte van de andere vier tenen.
  2. De dijbenen van mensen vormen een rechte lijn ten opzichte van het skelet.
  3. De wervelkolom van mensen is een rechte lijn.
  4. De positie van het achterhoofd en de verbinding met de rugwervel maakt het recht op lopen mogelijk.

Apen en beren staan soms op hun achterpoten maar om te lopen zijn ze alle vier hun poten nodig. Een kangeroe loopt niet op twee poten maar is een springer waarbij hij richting geeft met zijn staart.

Mensen zijn de enige tweebenige zoogdieren op aarde.

Bij de evolutie van de mens is het wetenswaard wanneer de mens op aarde verscheen. Tot op heden weet men dat niet precies. Sommige wetenschappers denken dat de mens ongeveer 6 miljoen jaar geleden op aarde verscheen maar hebben daarvoor geen onderbouwing.

Feit is dat we weten dat de mensen de enige wezens op aarde zijn die op twee benen lopen. Dat kenmerk van rechtoplopen is ook terug te vinden in restanten van mensen, zoals beenderen die op verschillende plaatsen op aarde zijn aangetroffen.

Om een kijkje te geven achter het evolutie scherm van de mens behandelen we die in vogelvlucht.

Op 24 november 1974 ontdekten Donald Johanson, Yves Coppens en Tim White in de Olduvai vallei in Noord Ethiopië resten van mensachtigen. Ze vonden in een kloof een aantal fossiele beenderen waaruit ze een deel van een skelet konden opbouwen. Uit de opbouw van de aangetroffen fossiele beenderen werd afgeleid dat deze mensachtige ongeveer 110 cm hoog was en ongeveer 27 kg had gewogen. Omdat de wetenschappers vermoedden dat het hier om een mens van het vrouwelijk geslacht ging, noemden ze haar “Lucy”. Deze naam werd niet zomaar gegeven maar werd afgeleid van een bekend nummer van de Beatles: “Lucy in the sky white Diamonds”. Dit nummer van de Beatles draaiden de wetenschappers vaak tijdens de expeditie. 

 

Australopithecus

De wetenschappers stelden vast dat het skelet van Lucy in wezen een primitieve voorouder was. De wetenschappelijke naam die ze aan Lucy gaven was de Australopithecus afarensis. In een verder onderzoek naar de ouderdom van het skelet kwamen de wetenschappers tot de conclusie dat Lucy ongeveer 3,2 miljoen jaar geleden in Afrika moet hebben geleefd.

Ook op andere plaatsen zijn beenderen aangetroffen die worden toegeschreven aan de Australopithecus. Behalve in Ethiopië zijn in de loop der jaren ook beenderen aangetroffen van de Australopithecus in Tanzania en Kenia.

Een prachtige aanvulling op deze ontdekking is een andere ontdekking in Tanzania. Daar werden gefossiliseerde voetafdrukken aangetroffen van mensen in een vulkanische aslaag.

Uit de voetafdrukken kon worden afgeleid dat deze vrij zeker waren achtergelaten door drie verschillende mensen die behoren tot de Australopithecus afarensis. De voetsporen zijn ongeveer 3,65 miljoen jaar oud. Uit de opbouw van de delen van het skelet van Lucy blijkt dat de Australopithecus klein was. ook uit het onderzoek naar op verschillende andere plaatsen aangetroffen resten van de Australopithecus blijkt dat deze mensensoort behalve klein ook erg gedrongen was, vooruitstekende grote tanden en kleine hersenen had. Het hoofd had verder een sterk gebogen en uitstekende wenkbrauwrand. Het is het beeld dat overeenkomst vertoond met aapachtigen. Uit vondsten die zijn gedaan is berekend dat de Australopithecus tussen de 4,3 en 2 miljoen jaar geleden in Afrika heeft geleefd. Ook voor de tijd dat Australopithecus leefde, liepen er al mensachtigen op aarde rond. In dit hoofdstuk voert het te ver om al die voorgaande op een mens gelijkende wezens op te nemen. Die onderzoeken naar de voorgangers van de Australopitecus zijn voor een globaal inzicht in de evolutie van de mens niet relevant. Hier zullen we ons beperken tot een aantal hoofdlijnen waarin de meest kenmerkende voorouders van ons, moderne mensen, worden beschreven.

 

Homo Habilis

In 1959 werden voor het eerst in de Olduvaikloof in Tanzania botresten aangetroffen die verschilden van die van de Australopithecus. Onderzoek toonde aan dat deze aangetroffen botten afweken van het patroon van de Australopithecus en deden denken aan een geëvalueerde versie van eerder bekende mensachtigen. Onder anderen bleken de hersenen van dit nieuw aangetroffen skelet aanmerkelijk groter dan die van de Australopithecus. In de omgeving van de aangetroffen beenderen van deze mensachtige werden stenen aangetroffen waarvan stukken waren afgeslagen. Onderzoek toonde aan dat de stenen waarvan stukken waren afgeslagen vrij zeker gebruikt waren als werktuigen om mee te snijden of te kerven. Voor het eerst werd door deze vondsten een verband gelegd tussen een mensachtige en het gebruik van stenen werktuigen. De ontdekkers gaven dit skelet een nieuwe naam omdat het in hun ogen afwijkingen vertoonde met de Australopithecus. De nieuwe naam die dit skelet kreeg was “Homo Habilis”. In onze eigen taal vertaald betekent dit “de handige mens”. De fossiele botten van deze Homo Habilis worden op een ouderdom van 2,5 miljoen jaar oud geschat. Ten opzichte van de Australopithecus bleek dat de Homo Habilis meer herseninhoud had.  Werd bij de Australopithecus een herseninhoud gemeten van 385 tot 400 cc, bij de Homo Habilis was dit tussen de 500 en 800 cc.

Uit de archeologische gegevens over de Homo Habilis weten we onderhand dat deze een omnivoor is geweest. Zowel vlees als planten stonden op het menu van de Homo Habilis en ook achten onderzoekers het niet uitgesloten dat de Homo Habilis daarnaast een aaseter is geweest. De Homo Habilis leefde van ongeveer 2,5 tot 1,6 miljoen jaar geleden. De Homo Hablis is vrij zeker geëvalueerd uit de Australolithecus. Niet iedere wetenschapper is het met deze mening eens. Sommigen menen dat de Homo Habilis een soort veredelde Australopitecus is geweest en anderen denken dat de Homo Habilis niets meer en minder is dan een Homo Erectus.

 

Homo Erectus

Het was een Nederlander, Eugene Dubois, die in 1890 op Java (Indonesië) een stuk van een schedel van een mens ontdekte. Na veel onderzoek en vergelijking met eerdere vondsten van mensachtigen meende Dubois dat het stuk schedel dat hij had gevonden een nieuwe mensensoort was. Deze nieuwe soort kreeg de naam Pithecanthropus Erectus en vrij vertaald in het Nederlands is dit “de opgerichte aapmens”. Ook in China werden soortgelijke vondsten gedaan en daar werd aan die vondsten de naam Sinanthropus Pekinensis gegeven hetgeen “de Pekingmens” betekent. Latere onderzoeken hebben uitgewezen dat de zowel op Java als in China gevonden menselijke resten tot één en dezelfde soort behoren.

Onderzoekers hebben in 1951 de beide soorten Pithecanthopus Erectus en de Sinathropus Pekinensis binnen één zelfde soort geplaatst en deze “Homo Erectus” genoemd.

Lange tijd is de ouderdom van de Homo Erectus niet goed ingeschat geweest. De vondsten van Dubois op Java werden aan de hand van de lagen waarin ze werden aangetroffen op ouderdom geschat. Latere onderzoeken hebben aan het licht gebracht dat de lagen waarin de botten waren gefossiliceerd veel ouder waren dan Dubois dacht. Lange tijd hebben onderzoekers aan de hand van botvondsten gedacht dat de Homo Erectus een miljoen jaar geleden de overstap van Afrika naar Europa heeft gemaakt. Van die tijdsaanduiding is niet niet iedereen meer zeker.

In de negentiger jaren van de vorige eeuw werd onder de ruines van een middeleeuwse kerk in Dmanski (Georgië) een menselijke gefossiliseerde kaak van een mens gevonden. Bij verdere opgravingen kwamen meer botten en schedels te voorschijn. Deze vondsten hebben de denkwijze over de route die de Homo Erectus vanuit Afrika naar Europa maakte, in een nieuw daglicht geplaatst.

Onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat de opgegraven schedels en beenderen in Dmanski toegeschreven kunnen worden aan een Homo Erectussoort. De ouderdom wordt geschat op zeker 1,8 miljoen jaar oud. Het betekent dat de Homo Erectus al vanaf 1,8 miljoen jaar geleden door Azië trok. Mogelijk is de Homo Erectus vanuit Azié naar Europa getrokken.

In Nederland heeft men tot op heden geen beenderen van een Homo Erectus aangetroffen. Wel zijn onderzoekers het er over eens dat ongeveer 500.000 jaar geleden de Homo Erectus ook in het Limburgse deel van ons land moet zijn geweest. Onderzoek in de groeve Veldwezelt in België, op de grens van Maastricht, heeft in het begin van deze eeuw een aantal vondsten van primitieve gereedschappen opgeleverd die toegeschreven kunnen worden als gereedschap van de Homo Erectus.

Aan de hand van onderzoek is gebleken dat de Homo Erectus meer geëvalueerd was dan zijn voorouders. Dit blijkt onder anderen uit de herseninhoud van de Homo Erectus. De herseninhoud van de Homo Erectus bedroeg ongeveer 900 cc en de gemiddelde lengte van deze mensensoort wordt geschat op 1.65 m. De meer menselijke trekken van de Homo Erectus blijken ook uit reconstructies. De gelijkenis met een aap is vrijwel verdwenen bij de Homo Erectus.

Dat de evolutie van de mens stapsgewijs is gegaan blijkt uit de steeds veranderende vorm van de schedel en de herseninhoud. Gelaatstrekken worden steeds fijner en de mens wordt langer.

De evolutie van de Homo Erectus zet zich ook voort in de gereedschappen die hij gebruikte. Stenen werden meer en beter bewerkt tot functioneel gereedschap. Onder anderen maakte een vuistbijl deel uit van dat gebruikers gereedschap.

Recente vondsten en recent onderzoek hebben wetenschappers er toe gebracht dat de Homo Erectus vanaf  2 miljoen tot ongeveer 400.000 jaar geleden op aarde leefde.
 

Homo Sapiens Neanderthalensis

In 1856 ontdekten arbeiders in een groeve in het Neanderthal onder Dusseldorf een aantal beenderen. Deze beenderen bestonden uit een schedel, een spaakbeen, twee dijbenen, een bovenarmbeen, een spaakbeen en wat brokstukken. Een plaatselijke archeoloog, Johann Carl Fuhlrott, onderzocht de gevonden botten en constateerde dat de botten uit de ijstijd stamden en mogelijk van een ander mensenras afkomstig konden zijn. Hij schakelde een zeer bekend Duits geleerde, de anatoom Rudolf Virchow, in. Deze kwam na onderzoek tot het oordeel dat de gevonden botten afkomstig zouden zijn van een recent gestorven misvormd mens.

Na de conclusie van Virchow bleef het lang stil rond de vondst van de menselijke botresten uit het Neanderthal. Toch bleek een aantal jaren daarna dat deze vondst niet de enige was. Er kwamen vergelijkende vondsten die een nader onderzoek vergden van de aangetroffen botresten in het Neanderthal

In België waren al eerder, in 1930 bij Engis vondsten gedaan van menselijke resten zonder dat er een verband was gelegd met de ouderdom van die resten. Het was de Namense arts A. Ruqcuoy die in 1879 in een grot bij Spy een aantal fossiele beenderen aantrof. Zijn vondst deelde hij met de Belgische archeologen Marcel de Puydt en Max Lohest. Vanaf 1985 begonnen deze drie onderzoekers systematisch de grot bij Spy uit te graven waarin Rucquoy in 1879 een aantal fossiele beenderen had aangetroffen. Hun graafwerk werd beloond want ze vonden in de jaren daarop een groot aantal menselijke beenderen waaronder een schedel. Het is aan deze vondst en aan hun onderzoek te danken dat ook de vondsten van de Duitse Johann Carl Fuhlrott weer aandacht kregen. Al snel bleek dat op verschillende andere plaatsen soortgelijke menselijke botten waren aangetroffen als in het Neanderthal en in de grotten van Spy. Uit onderzoek naar al deze resten bleek dat het ging om een nieuwe mensensoort, die Homo Sapiens Neanderthalensis wordt genoemd. De naam werd afgeleid van de vondsten in het Neanderthal. Al snel wordt deze naam afgekort tot Neanderthaler.

 

Homo Heidelbergenis

Deze Neanderthaler heeft lange tijd in Europa rondgetrokken zo valt te achterhalen uit de  vondsten die zijn gedaan. Uit die vele vondsten hebben wetenschappers kunnen herleiden dat de Neanderthaler waarschijnlijk niet rechtstreeks afstamt van de Homo Erectus. Vondsten van skeletten of delen daarvan met een afwijkende vorm, een overgangsvorm, zouden in de evolutie van de mens een tussenvorm kunnen zijn tussen de Homo Erectus en de Neanderthaler. In 1908 werd bij Heidelberg in Duitsland een skelet aangetroffen dat een afwijkende vorm ten opzichte van de Neanderthaler en de Homo Erectus had. Nadien zijn nog op een aantal plaatsen beenderen en schedels aangetroffen met een zelfde afwijking. Onderzoekers concludeerden uit die afwijkingen dat het bij deze beenderen misschien om een tussenvorm zou gaan en gaven ook een nieuwe naam aan deze afwijkende vorm. Het werd de Homo Heidelbergenis, of te wel de Heidelberg mens. Deze naam werd bedacht door één van de onderzoekers, de antroploloog Hermann Klaatsch.

Uit de aangetroffen beenderen op de verschillende plaatsen in Europa menen de wetenschappers op te maken dat de Homo Heidelbergenis van ongeveer 800.000 tot 150.000 in Europa geleefd heeft. Sommigen verbinden nog een conclusie aan het onderzoek. De Homo Heidelbergenis zou een rechtstreekse voorouder van ons, de Homo Sapiens Sapiens zijn en in dat geval stamt de moderne mens niet rechtstreeks van de Homo Erectus af maar is de Heidelbergmens onze eerste voorouder in rechte lijn. Deze wetenschappers kregen meer bijval en stellen dat de Homo Heidelbergenis als een tussenvorm in de evolutie van Homo Erectus naar Homo Sapiens Sapiens gezien moet worden waarbij ze aantekenen dat deze Heidelbergmens in Afrika is geëvolueerd uit de Homo Erectus. De Neanderthaler zou in dit denken ook een afstammeling zijn van de Heidelbergmens en in Europa geëvolueerd zijn uit de Heidelbergmens. Voorlopig zal deze discussie nog doorgaan. Misschien komen we er ooit nog eens uit en weten we dan zeker wie, de Homo Erectus of de Homo Heidelbergensis, onze eerste voorouder in rechte lijn is. Maar misschien is het ook nog minder ingewikkeld en is de Neanderthaler onze voorouder.

Over de Neanderthaler is ons veel meer bekend geworden van de honderden resten die op verschillende plaatsen in Europa en daarbuiten zijn gevonden. Uit al die vondsten kan vrij zeker vastgesteld worden dat de Neanderthaler vanaf  500.000 jaar geleden door Europa trok. Ook is vastgesteld dat de Neanderthaler is uitgestorven. Een vondst bij Gibraltar van beenderen van een  Neanderthaler kon gedateerd worden op ongeveer 28.000 jaar geleden. Vondsten van een recentere periode zijn er niet of worden door de wetenschap nog niet als zodanig erkend.

Steeds meer wetenschappers vermelden dat de Neanderthaler een voorouder is geweest van de moderne mens de Homo Sapiens Sapiens. Ondertussen is bij DNA onderzoek vast komen te staan dat dit mogelijk zo kan zijn. Uit het DNA blijkt dat de Neanderthaler veel gemeen heeft met de moderne mens en dat de moderne mens gezien overeenkomsten in het DNA af kan stammen van de Neanderthaler.

Dank zij veel onderzoek naar de Neanderthaler en onderzoek op de plaatsen waar de Neanderthalers verbleven is er veel bekend geworden over het leven, de leefwijze en de leefomgeving van de Neanderthaler.

Uit onderzoek is vast komen te staan dat de Neanderthaler een kort en gedrongen mens is geweest die zeer gespierd was. De lengte van de Neanderthaler werd naar aanleiding van de vele vondsten bepaald tussen de 150 en 165 cm. De typische vorm van het hoofd dat naar achter helt en de typische sterke benen wenkbrauwbogen zijn kenmerken die bij de Neanderthaler horen. De grote neus van de Neanderthaler is vrij zeker het gevolg van aanpassingen aan de koude klimaten tijdens hun leven. De grote neus maakte het mogelijk om de ingeademde lucht voor te verwarmen. Ook de herseninhoud van deNeanderthalers doet vermoeden dat ze een intelligentie hadden die ongeveer gelijk heeft kunnen zijn met die van de moderne mens. De herseninhoud van een Neanderthaler was gemiddeld 1650 cc. Bij de moderne mens is dat minder en schat men de herseninhoud op gemiddeld 1500 cc. Die intelligentie heeft er toe geleid dat de Neanderthaler vooruit kon denken en plannen kon maken. Dat ze plannen maakten blijkt uit hun leefwijze waarbij ze beschutte ruimten zoals grotten bewoonden en gereedschappen maakten waarover ze eerst hadden nagedacht.

Het sociale aspect van de Neanderthaler gemeenschap is ook uit onderzoek naar voren gekomen. De aangetroffen beenderen en skeletten van Neanderthalers zijn soms gebroken geweest en daarna weer hersteld. Dit getuigd volgens de onderzoekers dat Neanderthalers hun gewonde stamgenoten verzorgden. Ook is geconstateerd dat de Neanderthaler gestorven familieleden begroef. Hoe de Neanderthalers onderling communiceerden is niet bekend maar sommige onderzoekers menen uit het tongbeen dat een Neanderthaler had, af te kunnen leiden dat ze een spraak moeten hebben gehad en op die wijze onderling konden communiceren.

 

Homo Sapiens Sapiens

We weten onderhand aardig goed hoe lang ons menselijk ras de Homo Sapiens Sapiens op de aarde is. Omstreeks 200.000 jaar geleden is de moderne mens ontstaan in Afrika en als rechtstreekse voorouder van de moderne mens wordt de Homo Erectus of de Neanderthaler gezien. In Afrika zijn veel restanten van de moderne mens gevonden die tot ongeveer 200.000 jaar oud gedateerd kunnen worden.

Ongeveer 120.000 jaar geleden is de moderne mens vanuit Afrika naar Azië getrokken. De moderne mensen trokken pas 40.000 jaar geleden het Europese contingent binnen. Ze moeten in Europa ook de Neanderthalers hebben getroffen. Ze hebben meer dan 10.000 jaar naast elkaar op het Europese contigent hebben geleefd. Op sommige plaatsen worden in dezelfde aardlagen overblijfselen aangetroffen van de moderne mens en de Neanderthaler. We weten niet of ze ook vermengd zijn met onze voorouders, hoewel sommige geleerden dat wel vermoeden getuige de DNA sporen die terug te vinden zijn in de moderne mens. Bewijs daarvoor is in het DNA patroon van de moderne mensen terug te vinden. Wat we wel met zekerheid weten is dat de Neanderthaler langzaamaan is uitgestorven en dat de restanten van een Neanderthaler die op Gibraltar zijn aangetroffen de jongst gedateerde resten zijn van deze oermens. Hoe ze zijn uitgestorven en wat de reden daarvan is geweest blijft tot op heden giswerk. Het zou kunnen zijn dat de moderne mensen de Neanderthaler hebben uitgeroeid en zo als sommige wetenschappers ook menen, op de Neanderthalers gejaagd hebben en daarbij deze als voedsel gebruikten. Kannibalisme is daar het woord voor. Maar het zou ook kunnen zijn dat de Neanderthaler gedegenereerd is en veel ziekte heeft gekend waardoor deze oermens van het wereldtoneel verdwenen is.

De Homo Sapiens Sapiens begon langzamerhand de wereld te veroverden. Hoewel eerst nog in kleine groepen, kwam er onder invloed van een beter klimaat in Europa een fikse groei in het aantal moderne mensen. Ze trokken met de kuddes grazers over de vlakten mee en waren op die wijze steeds dichtbij het voedsel. Niet alleen trokken ze met de kudden mee over het Europese vaste land maar ook maakten ze gebruik van de vruchten die ze op hun trektochten tegen kwamen zoals noten en bessen. Ook wortels van planten en bladeren dienden tot voedsel voor deze moderne mens.

In vergelijking tot primitieve stammen denkt men dat de mannen op het wild gingen jagen en dat de vrouwen bessen en noten verzamelden. Al trekkend door Europa kwam er langzaamaan ook een andere ontwikkeling. De moderne mensen leerden dieren tam te maken. Domesticeren wordt dit genoemd. Niet alleen dieren werden gedomesticeerd maar ook gewassen. Moderne mensen trokken minder rond en vestigden zich langzaam op vaste plaatsen. In Nederland kwam die vaste bewoning omstreeks 7500 jaar geleden tot stand en in Noord Nederland weten we dat de eerste moderne mensen zich ongeveer 5000 jaar geleden op vaste plaatsen gingen vestigen en een boerenleven leiden op een gemengd bedrijf. Alles nog zeer primitief maar in de ontwikkeling van die bedrijven zat voldoende perspectief voor de toekomst. Een toekomst die stormachtig is verlopen zo kunnen we achterom kijkend zien. In de miljoenen jaren van menselijke ontwikkeling op de aarde heeft de nazaat van alle mensachtigen, de Homo Sapiens Sapiens op een stormachtige wijze de wereld veroverd. Zelfs zo stormachtig dat er geen plekje meer op aarde is waar geen nazaten van de vroegere voorouders wonen. Het rondtrekken zal de moderne mens over gehouden hebben van de genen van de vroegere jagers. Zij trokken rond om voedsel te vergaren. De moderne mens trekt rond om kennis uit te wisselen. Kennis en kennisontwikkeling zijn het moderne DNA van de moderne mens.

In dit hoofdstuk is een vrij globale opsomming gegeven van de evolutie van de Mens. In grote stappen is 4,5 miljoen overbrugt van de prehistorische geschiedenis van de mens. Alleen over die geschiedenis zouden boeken geschreven kunnen worden. Alleen de hoofdlijnen zijn in dit hoofdstuk aangegeven. Wetenschappers en onderzoekers hebben veel meer verschillen gevonden in opgegraven beenderen van onze voorouders. Ook die verschillen zijn door wetenschappers benoemd en de reis door de evolutie die we in dit hoofdstuk hebben gemaakt over de mens is best nog uit te breiden met andere soortgenoten uit de verre oudheid. In dit hoofdstuk heeft de schrijver zich beperkt tot de hoofdlijnen van de lange afstand die achter ons,  de Homo Sapiens Sapiens ligt.

 

Hoofdstuk III

De mens en het klimaat

Opvolging van koude en warme perioden op de aarde in de laatste 4,5 miljoen jaar hebben ook grote invloed gehad op de evolutie van die mens. Zo moest hij zich in de warmere gebieden langs de evenaar aanpassen aan een warm tropisch klimaat en in de koude noordelijke gebieden aan de soms felle koude perioden.

Koude en warme perioden en klimaatveranderingen zijn zo oud als de aarde zelf. Voor dit hoofdstuk is het belangrijk om de warme en koude perioden te beschrijven die van invloed zijn geweest op de mensen die in noord Europa rondtrokken.

De koude perioden die voornamelijk op het noordelijk halfrond van de aarde voorkwamen worden ijstijden of glacialen genoemd. De warmere perioden worden interglacialen genoemd. 

Eén van de laatste grote ijstijden die van grote invloed is geweest op Noord Nederland, is de Saale ijstijd, genoemd naar een zijrivier van de Elbe, de Saale. Deze ijstijd duurde van 238.000 jaar tot 128.000 jaar geleden. De ijstijd begon na een relatief warmere interglaciale periode die van 243.000 tot 238.00 jaar geleden het weer in noord Europa positief had beïnvloed. Vanaf  238.000 jaar geleden werd het in de Scandinavische landen steeds kouder en liep de gemiddelde jaarlijkse temperatuur zo veel naar beneden dat de grote rivier de Eridanos, die vanaf de Barentsz-zee tussen Finland en Zweden door naar de Oostzee liep en vervolgens in de Noordzee uitmondde, ook in de zomermaanden bevroren bleef. Het ijs breidde zich gestadig uit over het Scandinavische contingent. Na duizenden jaren was de ijskap boven dit contingent door sneeuwval zoveel aangegroeid dat er een grote landijsgletsjer ontstond met een honderden meters dik ijspakket. In de Saale ijstijd wisselden temperaturen zich wel steeds af maar de koude temperaturen overheersten en de allerlaagste temperaturen kwamen in deze ijstijd zo rond 140.000 jaar geleden voor. Door dat deze ijskap bleef aangroeien meer dan 100.000 jaar lang begon deze op een bepaald moment te bewegen op de taai vloeibare zool onderin de gletsjer die door de hoge druk van het ijs erboven was ontstaan. De grote landgletsjer uit het noorden dreef langzaam naar het zuiden en bedekte op een gegeven moment een groot deel van Nederland. De uiterste grens die de ijskap van deze gletsjer bereikte is globaal de lijn Haarlem – Nijmegen. Door het enorme gewicht van de ijskap werd de grond langzaam voor het ijs uit gestuwd.

Er ontstonden daardoor voor de ijskap grote stuwwallen van tientallen meters hoog.  Toen het klimaat warmer werd ongeveer 128.000 jaar geleden smolt het ijs en trok de ijskap zich terug. Wat achterbleef op de lijn tot waar de gletsjer zich had uitgestrekt, waren stuwwallen als stille getuigen van deze ijstijd. Restanten van deze stuwwallen vinden we nog terug in de Veluwe en tussen Arnhem en Nijmegen.

In de zool van de grote landgletsjer werd veel grond, puin en steen meegevoerd. De gletsjer die langzaam vanuit het noorden naar het zuiden schoof voerde dit materiaal ,mee naar Noord Nederland waar het na het smelten van de gletsjer achter bleef. Ook deze materialen zijn in de bodem terug te vinden als een laag keileem met  daarin afgeronde stenen. Die stenen zijn afgerond op de reis in de zool van de gletsjer van Scandinavië naar ons land. Stenen schuurden onder de grote druk van het ijs over elkaar en werden op die wijze afgerond. In Noord Nederland vinden we die stenen terug in het keileem in de ondergrond.

De stenen, die zwerfstenen of zwerfkeien worden genoemd zijn terug te leiden naar de plaatsen in de Scandinavische landen waar de gletsjer de stukken rots van de bergen schuurde. Veel mensen hebben in de vorige eeuw verzamelingen aangelegd van deze zwerfstenen uit de gletsjer.

Vanaf 128.000 tot 120.000 jaar geleden liep de ijstijd ten einde en trok de gletsjer zich langzaam terug. De koude trok weg en het klimaat werd warmer. Tussen 120.000 en 80.000 jaar geleden was het ook in Noord Europa warmer geworden en heerste er een interglaciale tijd waarin ook het noorden van Europa met struiken, mossen en grassen begroeide. Kudden dieren trokken het nieuwe landschap in Nederland vanaf zuid Europa binnen. Deze warmere interglaciale tijd wordt het Riss-Wurm interglaciaal genoemd.

Vanaf  80.000 tot 10.000 jaar geleden heerste er een nieuwe ijstijd. In deze periode schommelden de temperaturen behoorlijk. Zo was het soms een koude periode en kwamen daartussen ook weer warmere voor. Het was in die tijd dat de Neanderthaler ook door Europa en Nederland trok en zich in de koude perioden zich te handhaven in het soms barre landschap.

Doordat veel water lag opgeslagen in de enorme gletsjers op het noordelijk halfrond van de aarde lag de zeespiegel in de Noordzee veel lager. Een groot deel van de Noordzee lag droog en bestond uit grote grasvlakten. Grote kudden dieren zoals Mammoeten, rendieren, wilde paarden maar ook wolharige neushoorns en sabeltand tijgers waren vanuit het zuiden naar Noord Europa getrokken. Het terrein waar de grote kudden graasden was het jachtterrein van de Neanderthaler. We weten dat de Neanderthaler in de bergachtige gebieden vaak verbleef in grotten. In veel grotten zijn sporen van verblijf van de Neanderthaler teruggevonden. Maar hoe hij overleefde in de open gebieden en met name op de grote prairies die op de droge delen van de Noordzee aanwezig waren is niet helemaal bekend. Wel worden er op de Noordzeebodem regelmatig vuistbijlen opgevist die toegeschreven worden als gebruiksgereedschap van de Neanderthaler. Ook treffen vissers die op de Noordzee vissen en met name op de Doggersbank vaak botten aan van mammoeten, wolharige neushoorns en soms van sabeltand tijgers. Deze vondsten uit een ver verleden laten zien dat in de periode dat de Neanderthaler door Noord Europa trok, het klimaat warm genoeg was voor dierlijk en menselijk leven.


Een poolwoestijn in Nederland

Nog eenmaal stak in die periode een extreme koude op. Dit was in de periode die ligt tussen 40.000 en 16.000 jaar geleden. In het noorden van Europa was een nieuwe gletsjer ontstaan die zich maximaal uitbreidde tot Noord Duitsland. Nederland was ook in de greep van de kou gekomen. Door de extreme kou die vooral heerste vanaf 28.000 tot 16.000 jaar geleden, groeide er niets meer en werd het landschap tot een soort poolwoestijn. De bodem raakte meters ingevroren waardoor ook in Nederland een permafrost ontstond. De sporen van deze extreme kou en de poolwoestijn vinden we in onze bodem terug.

Tijdens deze voorlopige laatste glaciale perioden waarbij de koude Nederland in z’n greep hield, zorgden poolwinden voor verplaatsing van het droog gevroren zand. De wind blies gedurende duizenden jaren het zand over de kale vlakten. Het door de wind gedreven zand sleep en polijstte in die lange perioden alle aan de oppervlakte liggende stenen. De stenen die aan de oppervlakte lagen zijn door het stuivende zand in de poolwoestijn, in tapse en driehoekige vormen geslepen. Dit soort door zand en wind geslepen stenen noemt men windkanters. Ze worden in Nederland nog altijd gevonden en vormen één van de vele herinneringen aan de laatste koude periode die Nederland in z,n greep hield.

Pingo ruïnes op de Duurwoudsterheide. Foto Paul Paris.

Tijdens deze koude periode ontstonden op een groot aantal plaatsen in Nederland de pingo,s. Pingo,s zijn ijslenzen die ontstaan in een permafrost bodem waarbij honderden jaren lang warmere en koudere perioden zich afwisselen. Het opborrelende grondwater bevriest aan de oppervlakte, dooit in warmere tijden en bevriest weer bij koudere perioden. Door dit steeds herhalende proces groeien ijslenzen aan tot meters dikke ijsklompen die de grond rondom de ijsklomp wegduwen en opstuwen. Toen het klimaat na duizenden jaren weer warmer werd smolten de ijsklompen en bleef op de plaatsen waar zich de ijsklompen hadden gevormd, kleine meertjes achter. Deze meertjes uit deze laatste ijstijd vinden we nog overal in Nederland terug. Ze worden pingoruines genoemd. Het woord pingo is afkomstig van de Eskimo's  De processen die tot pingovorming leiden doen zich ook nu nog voor op Groenland.

Vanaf 16.000 jaar geleden veranderde het klimaat en werd het warmer. Ook de begroeiing kwam weer terug en ook de grote kudden die tijdens de koude periode naar het zuiden waren getrokken kwamen weer naar het noorden om daar op de vlakten te grazen.

Wie niet terug kwam was de Neanderthaler. Vanaf 40.000 jaar geleden toen het kouder werd in Nederland was hij naar het zuiden van Europa getrokken. We hebben inmiddels gezien dat hij is uitgestorven. Wie wel kwam was de moderne mens de Homo Sapiens Sapiens. Eerst als doortrekkende jager en vanaf 7.000 jaar geleden ook als boer die zich een vaste plek verkoos in ons Nederlands grondgebied.

Het warmere klimaat betekent niet dat er geen ijstijd meer is. Er vond nog een opmerkelijk feit plaats. Tussen 14.000 en 13.000 jaar geleden zakte de temperatuur plotseling weer sterk en ontstond er een koude periode. Een bijzonder feit daarbij is dat we de overgang van deze warme periode naar een koudere periode terugvinden in onze bodem. Het is een donkere laag met houtskool en asdeeltjes. Lang heeft men gedacht dat deze laag was veroorzaakt door de uitbarsting van een vulkaan in het Duitse Eifelgebergte. Recent heeft een Nederlandse wetenschapper, Han Kloosterman, ontdekt dat in die laag Nano deeltjes diamant en irridium aangetroffen worden. Deze ontdekking zou verband kunnen houden met de inslag van een meteoriet op het noordelijk halfrond van de aarde. De laag werd voor het eerst ontdekt bij een opgraving in het Nederlandse Usselo in 1946 door de toenmalige directeur van het Rijksmuseum in Twente, Cornelis Hijszeler. De laag werd daarop de “laag van Usselo" genoemd en dient nog steeds voor het dateren van een bepaalde periode in de prehistorie. Later is gebleken dat deze laag over heel Noord Europa en in het Noorden van Amerika in de bodem wordt aangetroffen.

Wetenschappers zijn van mening dat we nu ook nog in een ijstijd leven waarin het klimaat regelmatig verandert en koude en warmere perioden zich nog steeds afwisselen zij het dat het verschil tussen de hoge en lage temperaturen niet meer zo groot is als tijdens de echte glacialen waarbij de gemiddelde jaartemperatuur om het vriespunt of daaronder schuift.

 

Atlantisch woud

Ongeveer 10.500 jaar geleden eindigde de laatste grote ijstijd het Weichselien. De periode van het Weichselien berekent men van 116.000 jaar geleden tot 11.500 jaar geleden. Het is deze lange periode waarin veel dekzand is afgezet in Noord Nederland.

Vanaf 11.500 jaar geleden begon het landschap langzaamaan te veranderen. De temperatuur steeg en het werd warmer in Europa. Het vaste land van Europa was nog steeds verbonden met  Groot Brittanié maar ook daarin kwam verandering. Het smelten van de noordelijke ijsgletsjers deed de zeewaterspiegel stijgen. Deze warme periode duurde van 11.500 tot ongeveer 9.250 jaar geleden en wordt de Boreale periode genoemd. Aan het einde van deze periode was de Noordzee zo vol water gelopen dat deze doorbrak op de plaats dat nu het nauw van Calais wordt genoemd. Bij die doorbraak werd het vaste land van Europa gescheiden van Engeland door een nauwe zeestraat.

De grote steppen op het vaste land van Europa begroeiden eerst met struikgewas en daarna met bomen. Dennen en berkenbomen verspreidden zich het eerst over Noord Europa en later kwamen ook eiken en hazelaars. Het gunstige klimaat zorgde ervoor dat zich over een groot deel van Europa een groot woud ontwikkelde waarin steeds meer soorten bomen gingen groeien. Beuken, iepen en linden zorgden voor meer diversiteit in dit grote Europese woud. In het grote woud bleven ook nog hier en daar open plekken. Oerossen, grote herten en reeën maar ook wilde zwijnen kwamen veelvuldig voor in de grote Atlantische wouden. Ze vormden voor de rondtrekkende jager/verzamelaar voedsel. Die jager/verzamelaar trok in groepen mee met de trekkende kudden grazers. Uit opgravingen van de kampen waar deze jager/verzamelaar verbleef tijdens zijn trektochten blijkt dat er in die tijd sprake was van een soort basiskamp van kleine groepen van deze mensen en dat men zich bediende van een aantal tijdelijke kampementen in de wijde omgeving.

Langzaamaan verdween het immense woud en werd steeds meer gebied in cultuur gebracht. Van dit oerbos zijn in Europa nog een paar stukjes overgebleven. In Groot Brittannië en in Polen zijn nog gebieden waar de restanten van de Atlantische woud nog terug zijn te vinden. In deze laatste restanten van een woud dat een groot deel van Europa ooit bedekte kunnen we enige indruk krijgen hoe de omgeving er in de prehistorie voor dieren maar ook voor de eerste moderne mensen heeft uitgezien.

In Nederland zijn hier en daar nog stukken van het eens machtige oer bos te vinden. Vaak komen ze bij opgravingen of aanleg van wegen en bouwterreinen nog boven water. In 2008 werden bij een landinrichting onder Roden op ongeveer 80 cm onder het maaiveld de restanten aangetroffen van een oer bos dat volgens onderzoekers stamt uit het Mesolithicum. Deze restanten van bomen zouden ongeveer 8000 jaar oud zijn.

Vanaf ongeveer 7000 jaar geleden beginnen zich groepen mensen definitief te vestigen in Nederland. Er worden nieuwe onderkomens gebouwd waarin naast de mensen ook dieren kunnen verblijven. Het zijn de eerste boeren die vermoedelijk vanuit de Aziatische landen eerst in het zuiden van Nederland neerstrijken en zich daar vestigen. Ze houden vee zoals koeien, schapen en varkens en verbouwen gewassen zoals eenkoorn, vlas en boekweit. Door percelen bos plat te branden en de stronken te verwijderen ontstaat akkerland. Gewassen worden verbouwd en het vee laat men grazen in het woud op de open plekken. Ook ontwikkelen deze eerste boeren een nieuwe techniek. Er wordt aardewerk gebakken en zo ontstaat een nieuwe cultuur. Voedsel en dranken kunnen opgeslagen worden in de gebakken aardewerken kruiken. De eerste boeren in het zuiden van Nederland versieren hun aardewerk weeldering met brede banden die een rijke cultuur uitstralen.

 

Hoofdstuk IV

De eerste boeren in Nederland

 

Bandkeramieker cultuur

Vanuit het midden oosten verspreidde de Neolithische revolutie die van de rondtrekkende jager/verzamelaar leidde tot honkvaste en streekgeboden bewoning zich over Europa en ook over Nederland. De eerste culturen die vanuit centraal Europa in het zuiden van Nederland binnenkwamen waren boeren. Door hun productie van zeer fraai versierd aardewerk hebben ze een rijke indruk van die cultuur achtergelaten. Het met banden versierd aardewerk wordt door de archeologen gebruikt om deze cultuur met de naam "bandkeramiekers" aan te duiden. De oudste sporen van deze culuur die in Nederland zijn aangetroffen bij opgravingen dateren van ongeveer 7500 jaar geleden. Onderzoek laat zien dat de mensen van de bandkeramiek cultuur zich uitsluitend vestigden op de lössgronden in Limburg in de omgeving van de Maas of aan zijrivieren daarvan. Rond 6400 jaar geleden verdwijnt de bandkeramiek cultuur op onverklaarbare wijze uit Nederland. Sommige archeologen denken dat de bandkeramiekers dan overgaan naar een andere cultuur, de Michelberg cultuur.

Aanvullende informatie: Regional Limburg: The Neolithic period
Aanvullende informatie: Mesolithic finds near Bruisterbosch (Limburg)

Michelberg cultuur

Van 6.500 tot 6.400 jaar geleden vestigden de bandkeramiekers zich in Zuid Nederland. Deze cultuur was verspreid over België, een groot deel van Duitsland en het zuiden van Nederland. Wat opvallend is aan deze cultuur is dat ze vaak vestigden op de hoogste delen van heuvels en daar een soort aarden versterkingen aanlegden. De wallen van het aardewerk werden versterkt met palen, grachten en wallen. Het zijn de eerste tekenen van versterkingen om zich te beschermen tegen kwaadwillige invloeden van buiten. Onderzoek heeft aangetoond dat er vrij zeker veel strijd werd geleverd tussen de groepen van deze cultuur onderling. Op veel plaatsen waar graven uit de Michelberg cultuur werden blootgelegd blijkt dat de skelettten in grote wanorde over en langs elkaar liggen en beenderen vaak sporen van fors geweld doen zien.

Net als bij de bandkeramiekers kent de Michelberg cultuur een eigen typisch aardewerk en daarvan is de tulpbeker de beste typering van deze cultuur. De vuurstenen werktuigen zijn veelal vervaardigd uit vuursteen uit de prehistorische mijnen van Spiennes en uit Sint Pietervoeren in België. Daarnaast gebruikten ze ook de vuursteen uit de kalklagen bij Sint Geertruid in Limburg. De mensen uit de Michelberg cultuur legden als eerste Neolithische bewoners mijngangen aan om vuursteen te delven en bvekend is geworden dat zij de winning en bewerking van vuursteen als het eerste Neolitische volk in Nederland op een soort industriële wijze ter hand namen. Een typerend stuk gereedschap uit deze cultuur is de vuurstenen afslagbijl. De afslagbijlen werden veelal gebruikt door ze in een houder van been of gewei te plaatsen en dit geheel daarna te bevestigen aan een houten steel.

Trechterbeker cultuur

Van het zuiden gaan we nu naar het noorden van Nederland. Op het Fries - Drenths plateau zijn uit een aantal vondsten van artefacten aanwijzingen voor de aanwezigheid van mensen in een vroeg Neolithische cultuur tussen ongeveer 7000 en 6000 jaar geleden. Mogelijk houden die vondsten verband met de Swifterband cultuur en kan uit die vondsten afgeleid worden dat in Noord Nederland ook al vroeg de eerste boeren zich op vaste plaatsen in een nederzetting vestigden. Vast staat dat vanaf ongeveer 5.400 jaar geleden de eerste boeren zich hebben  gevestigd op de zandgronden in de Friese Wouden. Er werden gewassen verbouwd onder anderen emmertarwe en eenkoorn en er werden gedomesticeerde dieren gehouden waaronder koeien en schapen. Naast het bewerken van het landschap en het houden van vee bleef de jacht nog lange tijd een tweede tak van het vergaren van voedsel.

Er onstond een nieuwe cultuur die werd meegebracht van elders. De hunebedbouwers waren in feite de eerste boeren die zich in Noord Nederlandd vestigden. In tegenstelling tot hun voorgangers die alleen maar jaagden en rondtrokken vewstigden de hunebedbouwers zich op een vaste plaats en bakten voorwerpen van aardewerk. Eén van de bekers die door deze hunebedbouwers werde gebakken leek qua ontwerp een soort beker in een potje.Die bekerr werd trechterbeker genoemd en daarmee kregen de hunebedbouwers de aan die beker verbonden naam  "Het volk van de trechterbeker cultuur." De trechterbekers werden met stokjes bewerkt waardoor er op de bekers een prachtig gevarieerd patroon ontstond. Onderzoekers menen dat iedere vrouw die aardewerk bakte ene eigen patroon op de bekers ontwierp.

Hunebedden vinden we terug in de provincie Drenthe. De hunebedden die thans nog in het landschap te vinden zijn vertegenwoordigen maar een fractie van het aantal dat er ooit was. Veel stenen van hunebedden zijn in het verleden bewerkt tot kleine delen en gebruikt als wegverharding. Ook zijn mogelijk in de vroege middeleeuwen veel hunebedden in het noorden van Nederland gebruikt als fundering van nieuwe kerken bij de kerstening van Noord Nederland door Bonifatius en Liudger. De heidense hoogten werden in die tijd gekerstend en geslecht om te dienen als mogelijke funderingen van kerken.

Een hunebed was voor het volk van de trechterbeker cultuur een religieuse plaats. In het hunebed werden doden begraven en er vonden rituelen plaats. Uit de aangetroffen vondsten in hunebedden is gebleken dat de hunebedbouwers ook in een hiernamaals geloofden. Hun doden kregen kommen met eten en flesjes met vocht mee maar ook gereedschap zoals bijlen en schrabbers mee. Ook werden in hunebedden overblijfselen gevonden van de tondelzwam en stukjes vuursteen. Dit kennelijk met het doel dat de overledenen onderweg zelf nog vuur zouden kunnen maken. Onderzoek in de vele hunebedden heeft veel inzicht gegeven over het leven van het volk van de trechterbeker cultuur. Op een gegeven moment verdwijnt deze trechterbekercultuur uit Noord Nederland en duikt er een andere cultuur op.

De noordflank van één van de uitlopers van het Drenths - Fries plateau is het decor van het Nationaal Landschap de Noordelijke Friese Wouden. In de tijd dat de Hunebedbouwers, de mensen van de Trechterbekercultuur, in Drenthe hun hunebedden en boerderijen bouwden was er ook brede bewoning in de Noordelijke Friese Wouden. Op tal van plaatsen in die Friese Wouden zijn sites ontdekt waar in dezelfde tijd bewoning is geweest en waar boerderijen hebben gestaan. De  noordelijke Friese Wouden leenden zich in die periode ook uitstekend voor bewoning. Het landschap bestond uit hogere delen met zankoppen en lagere delen met rivieren zoals de Lauwers, de Oude Ried en de Kleine Zwemmer in het noorden van dit deel van het plateau en het rivierdal van het Âld Djip aan de zuidkant. Op de randen van de hogere zandgronden worden de archeologische sites aangetroffen waarop veel artefacten uit de Trechterbekercultuut terug zijn te vinden. De familie van der Brug - Bakkeveen hebben van een aantal site's in de omgeving van it Âld Djip honderden artefacten verzameld waarbij is gebleken dat deze uit een aantal verschillende culturen stammen. Lammert Postma en zoon Marten Postma hebben in het noordelijke deel van dit plateau grote aantal artefacten uit verschillende perioden gevonden. Hoewel er in het noordelijke deel van dit plateau weinig wetenschappelijk onderzoek is uitgevoerd blijkt uit de vondsten van genoemde familie van der Brug, vader en zoon Postma en vele anderen dat de noordelijke Friese Wouden een zeer rijke pre historische geschiedenis kent.

 

Standvoetbeker of enkelgrafcultuur

Vanaf ongeveer 4.800 tot 4.400 jaar geleden zien we veranderingen ontstaan in het boerenleven op de zandgronden. Vrij zeker vinden die veranderingen plaats door invoeden vanuit Oost Europa. Mensen worden niet meer in hunebedden begraven maar in graven in het veld en toegedekt met een laag zwerfstenen of met een heuvel. (grafheuvel). Dit begraven van één persoon in een graf wordt ook enkelgrafcultuur genoemd door sommige archeologen. De personen die onder een grafheuvel wrden begraven kregen vaak voorwerpen mee in hun graf en behoorden vrij zeker tot een bevoorrechte klasse.Ook het aardewerk wordt op een andere wijze ontworpem em gebakken. Er ontstaan lange smalle bekers die op een kleine voet kunnen staan. Dit soort bekers worden standvoetbekers genoemd De bekers werden versierd door ze voor het bakken te omwiklkelen met touw. Na het bakken van dit aardewerk bleven er op de beker een groot aantal ronde inkervingen over die door het touw waren ingesneden.

In Fryslan vinden we van de Standvoetbeker cultuur niet zo veel terug. Op sommige plaatsen hebben archeologen in grafheuvels nog iets gevonden van deze cultuur. Op het Mandenveld onder Bakkeveen en op een locatie nabij het vliegveld van Drachten (Eibertsgaasten) zijn een aantal vondsten gedaan die onmiskenbaar afkomstig zijn van het volk van de Standvoetbekercultuur. Ook moet met de mogelijkheid rekening worden gehouden dat heel veel van de grafheuvels uit de standvoetbeker cultuur in latere tijden geegaliseerd zijn en dat daarvan thans niets meer over is. Feit is dat de schrijver K.Sikkema en K.Sikkema Jr. in hun boek  "Zwaagwesteinde, het ventersdorp op de Friese heide "op een hoog terrein ten noorden van Zwaagwesteinde een hoogte omschrijven als It Oerd waarop een grafheuvel zou hebben gelegen.

Klokbekercultuur

Vanaf ongeveer 4.700 jaar geleden doet een nieuwe cultuur z'n intrede op de zandgronden in Fryslân. Het is de Klokbekercultuur genoemd naar de vorm van de drinkbekers die in deze cultuur worden gemaakt. In omgekeerde vorm lijkt de beker op een bel of klok. De bekers zijn zeer fraai bewerkt met allemaal lijntjes en strepen die zeer vakkundig en met grote nauwkeurigheid zijn aangebracht met touw en insteek. Op verschillende sites in Fryslân zijn vuursteen voorwerpen gevonden die toegeschreven worden aan de klokbekercultuur.

Vanaf 3.800 jaar geleden worden veranderingen zichtbaar in de klokbekercultuur. Die gaat langzaam over in de bronstijd. Ook tijdens de periode van de klokbekercultuur werd al sporadisch gebruik gemaakt van koper en brons.Vanaf 4.500 jaar geleden tot ongeveer 4.000 jaar geleden vinden veel veranderingen plaats waarbij soms sporen van de klokbekercultuur en soms sporen van de nieuwe bronstijd worden aangetroffen.  Het aarde werk krijgt langzaam aan andere en eenvoudiger vormen. De rijke bewerking van de bekers verdwijnt.

Eén van de meest opmerkelijke kenmerken van de klokbekercultuur zijn de brede zeer fraai bewerkte vuursteen spitsen. Ze worden overal op de Friese zandgronden teruggevonden en daaruit blijkt dat de verspreiding van de klokbekercultuur over heel Fryslân heeft plaatsgevonden. Als overgang naar de bronstijd worden er in de klokbekercultuur ook kleinere spitsen met drie steeltjes gemaakt van vuursteen. Dit soort spitsen worden driedoorns genoemd.

 

Hoofdstuk V

Bronstijd

Vroege bronstijd

Hoewel de aanvang van de bronstijd in Noord Nederland discutabel is wordt er gerekend dat die bronstijd vanaf ongeveer 4.000 jaar geleden is begonnen in het noorden. In midden Europa kende men voorafgaand aan de Bronstijd ook nog een kopertijd maar deze is niet doorgedrongen tot Nederland. De Bronstijd volgt in Nederland op de Steentijd. De kennis over de fabricage van brons is in het midden oosten ontstaan en heeft zich van daaruit verspreid. Koper is een vrij zacht metaal maar als koper wordt vermengd met tin ontstaat een harder metaal, brons. Brons laat zich goed bewerken en kon uitgehamerd worden tot messen en dolken. Het beste mengsel voor brons is 10 % tin en 90 % koper. Omdat brons in Nederland in het begin van de bronstijd nog een schaars artikel was werden naast bronzen voorwerpen ook nog lange tijd stenen voorwerpen gebruikt. Bekend zijn prachtige bewerkte sikkels van vuursteen die in de vroege bronstijd werden gemaakt.

Ook de gebruiken in de bronstijd werden anders. In een dorpsgemeenschap werden een aantal grote boerderijen gebouwd. In de veeteelt en landbouw werd geinvesteerd en voor het eerst werd ook wol gebruikt om daarvan garens te weven. Gedomesticeerde koeien werden voor de wagen gespannen en moesten de ploeg trekken. De handel tussen gemeenschappen onderling kreeg een internationaal karakter. Bronzen voorwerpen werden ingevoerd en geruild tegen veen en graan. Uit onderzoek is gebleken dat in de provincie Drente bronzen voorwerpen werden gegoten, dit in tegen stelling van de andere Nederlandse provincvies waar geen sporen van het gieten van brons zijn gevonden.

In de Friese wouden hebben een aantal grafheuvels gelegen die later allemaal zijn verdwenen. Op een aantal plaatsen kennen we alleen de verhalen en soms nog bijzonder mooie vondsten van de plaatsen waar deze grafheuvels hebben gelegen.

In het boek "Zwaagwesteinde, het ventersdorp op de Friese heide" omschrijft meester Keimpe Sikkema een grafheuvel op een hoge zandkop onder Zwaagwesteinde, genaamd de Hege Oerd. Volgens Sikkema is op de Hege Oerd een grafheuvel aanwezig geweest die later is geslecht. Zijn gegeven zijn in strijd met het onderzoek van amateur archeoloog Johannes M. Minnema (1903-1984) die de Hege Oerd in 1925 ontdekte als archeologische vindplaats. Feiten zijn wel dat door Sierd van der Hoek uit de Westereen (vroeger Zwaagwesteinde) een prachtige bewerkte vuurstenen dolk, door K. Zandstra een stenenhamerbijltje met gietnaad  en door de schrijven een helft van een stenen hamerbijl op de Hege Oerd zijn aangetroffen. Dit soort artefacten werden en worden vaak als grafgiften aangetroffen in grafheuvels. Minnema heeft een grote collectie vuursteen artefacten verzameld op de Hege Oerd. Helaas is zijn collectie zoek geraakt in de oorlogsjaren. In de periode voor en na de tweede wereldoorlog is de hoge zandkop op de Hege Oerd weggegraven en gebruikt voor ophoging van wegen en de aanleg van een vliegveld bij Leeuwarden. Toch worden er op het perceel nog steeds fraaie voorwerpen gevonden in de bovenlaag die na de afgraving is terug gezet. Uit die vondsten blijkt dat de Hege Oerd zeer lange tijd bewoond is geweest. Zo heeft de amateur archeologe Meta Oppedijk op de Hege Oerd een prachtige bewerkte Mesolithische kling gevonden en ook anderen hebben artefacten uit de Mesolithische tijd op dit perceel aangetroffen. Door Sierd van der Hoek werd op het perceel een prachtige geslepen Neolitische bijl gevonden.

Midden Bronstijd

In de midden bronstijd 3.800 jaar geleden werden de voorwerpen die uit brons gegoten of gesmeed werden steeds fraaier. Er verschenen armbanden van brons maar ook halssieraden en mantelspelden. Soms prachtig gevlochten en zeer kunstig ontworpen.

Bijzonderheden uit de middenbronstijd duiken soms per toeval op. Op 9 maart 1957 werd bij een onderzoek van het Barger Oosterveld door professor A.E.van Giffen een aantal houten palen aangetroffen die bij een latere reconstructie tot de ontdekking van  een soort tempeltje hebben geleid. Onderzoek toonde aan dat het tempeltje in de midden bronstijd moet zijn opgericht. Om het tempeltje was een ring van stenen aangebracht en de houten onderdelen van het templetje waren met pen en gat verbindingen in elkaar gezet. Ook bleek uit de kapsporen dat de balken van het tempeltje met een brede bronzen bijl waren bewerkt. Dergelijke brede bronzen bijlen worden beschreven als afkomstig uit de midden bronstijd.

Late Bronstijd

De periode tussen 3200 en 2800 jaar. In Noord Nederland was het brons zeer schaars getuige ook de weinige vondsten van bronzen voorwerpen in verhouding tot die in Zuid Nederland. Bronzen voorwerpen werden vaak nagemaakt in vuursteen of andere steensoorten. Fraaie dolken en bijlen die later als grafvondsten zijn terug gevonden getuigen van een gedegen vakmanschap van de steensmeden die de voorwerpen namaakten. Soms vergaten ze zelf in het stenen voorwerp dat nagemaakt werd van een bronzen model, zelfs de gietnaad niet. Omdat er in Noord Nederland geen delfstoffen voorkwamen om daarvan brons te maken ontstond er een ruilhandel. Als ruilopject gebruikte men in Noord Nederalnd zout dat aan de kust uit het zeewater werd gewonnen.

 

Hoofdstuk VI

IJzertijd

De ijzertijd periode kent eigenlijk ook drie perioden. Vroeg, midden en laat. In die ijzerperiode werd ook nog steeds brons gebruikt en ook werden nog steeds stenen voorwerpen gemaakt. Brons was schaars en het procedee om ijzer te maken was eerst nogal ingewikkeld doordat er in Nederland geen ijzererts voorhanden was. Op de Veluwe werden klapperstenen gebruikt om daaruit ijzer te smelten. In Noord Nederland gebruikte men ijzeroer dat in de moerassige bodem werd gewonnen.

 

 

 

 GERAADPLEEGDE LITERATUUR.

Beuker J. - Vuurstenen werrktuigen, technologie op het scherp van de snede

Deeben J. Drenth E. Van Oorsouw M.F. en Verhart L. - De steentijd van Nederland (archeologie 11/12).

Fagan B.M. - IJstijd. 

Fasani L. - Geillustreerde wereldgeschiedenis van de archeologie

Jager S. en van Ginkel E. - Archeologie van de Stellingwerven.

Koeveringe Y. van - Zwerfstenen in Fryslân.

Neefjes J. Brinkkemper O. Jehee L. en W.van de Griend - Cultuur-historische altlas van de Vecht.

Postma L. en Kloosterman J.F. - Gif of gift in archeologisch perspectief.

Postma L. en Kloosterman J.F. - Neanderthalers in Fryslân.

Postma L. en Kloosterman J.F. - Oerboeren in Fryslân.

 

 

 

 

 

Copyright © 2011 Archeoweb | Ontwerp en advies Jongsma Automatisering | Powered by WebsiteBaker

Total visitors: 85,009
Visitors today: 1
Visitors yesterday: 60
Max. visitors per day: 383
Currently online: 0
Max. online: 32
Total page views: 353,707
Page views of this page: 5,609
counter   Statistics