Steentijd archeologie

Ontdekkingsreis door de prehistorie

 - 

Hoofdstuk I.

De ijstijden.

Tot de rijke geschiedenis van de archeologie behoren onlosmakelijk de ijstijden. Klimaat, warm en koud, bepaalden in de prehistorie op welke plaatsen op aarde het leefklimaat gunstig was voor mens en dier. In de prehistorische reis van mensen op Archeoweb zal de lezer vaak de koude perioden en warme perioden vermeld zien staan. Klimaat heeft te maken met leven en soms overleven. IJstijden hebben in het verleden bepaald waar mens en dier konden leven. Vaak volgde de mens, het dier, zijn prooi en jachtbuit op deze aarde. Het is ook goed om op deze archeologische website ook aandacht te besteden aan de ijstijden.

IJskappen op de polen zijn vaak honderden meters dik.

In het verleden werden de noord- en zuidpool beschouwd als koude gebieden waar veel ijs aanwezig was. Over de oorzaak van deze massa's ijs was nog geen studie gedaan. Pas op 24 juli 1837 kwamen de ijstijden ter sprake op een groot congres over geologie van het Zwitsers Genootschap voor Wetenschappen te Neutachel. Een jonge wetenschapper, Louis Agassiz hield daar een inleiding over een studie die hij had gemaakt over de vlakgeschuurde stenen die hij in het Jura gebergte had aangetroffen. In zijn betoog stelde hij  dat de gladde stenen die hij bij het Jura gebergte had verzameld heel ver verwijderd waren aangetroffen van het moedergesteende van de bergen. In de studie die hij er over had gemaakt was hij tot de conclusie gekomen dat de gladde stenen vrij zeker door een drijvende ijskap of gletsjer waren meegevoerd en na het smelten van het ijs, soms kilometers verwijderd van het gebergte werden aangetroffen. Hij meende dat hij door zijn onderzoek het probleem had opgelost waarom die gladde stenen zover verwijderd waren aangetroffen van de bergen. Volgens Agassiz zou er in het verleden een ijstijd zijn geweest die de bergen in de Jura had bedekt.

Louis Agassiz

Met de toespraak van Louis Agassiz op het congres te Neutachel in 1837 werd eigenlijk de eerste aanzet gegeven voor een brede geologische discussie over de ijstijden. Hij kreeg al snel volgers en er werden nieuwe ontdekkingen gedaan over het fenomeen ijstijden. Snel daarna ontdekte men dat er meerdere ijstijden op aarde waren geweest en dat zelfs binnen de soms lange perioden in de ijstijden er wisselend warme en koudere perioden waren geweest.

Een man die een hele grote stap voorwaarts heeft gezet met betrekking tot de onderzoeken naar klimaat en ijstijden is Milutin Milankovitch ( 1879 - 1958). Hij studeerde aan het Weens Technisch Instituut en beëindigde in 1904 daar zijn studie als architect. In 1909 werd hij benoemd aan de Universiteit van Belgrado en ging onderzoek doen naar het formuleren van een wiskundige theorie over de baan van de aarde om de zon.

Als professor in de toegepaste wiskunde aan de Universiteit te Belgrado besteedde hij meer dan 30 jaar studie aan het ontstaan van de ijstijden en de klimaatoorzaken die leiden tot koude en warmere perioden op aarde. Tijdens het onderzoek ontdekte Milankovich dat een schuine stand van de aardas tot gevolg had dat er een afname van de zonnestraling ontstond.  De verschillen die hij signaleerde in de stand van de aardas en de verschillen in het klimaat en de effecten die de straling van de zon had in een aantal perioden, plaatste hij in grafieken. Door de grafieken over elkaar te leggen en de verschillen in warme en koude perioden zichtbaar te maken ontstond zo een beeld van dieptepunten en hoogtepunten in de grafiek. De dieptepunten kwamen overeen met koude perioden, de ijstijden of glacialen en de hoogtepunten met de warmere perioden of interglacialen.

Het onderzoek van Milankovitch was gebaseerd op 3 variaties of parameters. De drie parameters die hij hanteerde in zijn onderzoek waren metingen van de precessie, de obliquityen de eccentricity. De precessie is de waggelende tolbeweging door de schuinstaande as van de aarde  over een periode van 23.000 jaar. De obliquity of helling is de schuine stand van de aardas ten opzichte van de verticale as van de aarde en de eccentricity is de afwijking van de ronde naar een elliptische baan van de aarde om de zon.

Schematische weergave van het onderzoek van Milanovitch over de precessie, obliquity en excentricity

Deze door Milankovitch ontwikkelde theorie gold jarenlang als theorie voor onderzoeken door wetenschappers. Daar kwam verandering in toen onderzoek via koolstof, de zogenaamde C-14 en isotopen mogelijk werd naar dateringen van ijskernen. De theorie van Milankovitch verdween deels naar de achtergrond maar raakte nooit helemaal uit beeld ondanks het huidige C-14 onderzoek naar boornkernen uit de ijskappen van de Noord- en Zuidpool

Hoofdstuk II.

De Golfstromen.

Het gehalte aan zout en opwarming van het zeewater spelen een rol bij de golfstromen in de oceanen op deze aarde. In de 20ste eeuw hebben een groot aantal wetenschappers zich op onderzoek naar de golfstromen in de oceanen geworpen. Eén van die golfstromen langs de kust van de Verenigde Staten door de Atlantische oceaan loopt via Ierland en IJsland naar de noordelijke ijszee. Dit is de warme golfstroom die het water vanaf de evenaar naar het noorden doet stromen. Tijdens die stroming van zuid naar noord koelt het water af. Afkoeling van het zeewater in de golfstroom in combinatie met een hoog zoutgehalte van dat zeewater laat het zwaardere zeewater naar onderen zakken waardoor het in de onderste niveau's van de Atlantische oceaan terecht komt. Het naar onderen zinkende koude water zorgt er voor dat er een onderstroom in tegengestelde richting in de oceaan ontstaat en het afgekoelde zeewater in een onderstroom terug doet stromen naar de evenaar

Schematisch beeld van de warme en koude golfstroom in de Atlantische oceaan.

Golfstromen in de oceanen zijn onderdeel van een wereldwijde transportband die koude en warme watermassa's over alle oceanen laat circuleren. Diezelfde golfstromen zorgen er voor dat het in west Europa veel warmer is dan in andere regio's met dezelfde noorderbreedte. Er is wel een keerzijde. De temperaturen stijgen en  en de ijskappen smelten sneller dan in het verleden. Door een snellere smelting van de ijskappen op de polen stijgt de zeespiegel. Studies over temperatuur verhoging en het smelten van de ijskappen maken duidelijk dat ogenschijnlijk kleine veranderingen grote gevolgen kunnen hebben voor ons klimaat.

Er kan een kantelpunt ontstaan in de golfstromen dat grote gevolgen kan hebben. Zo zinken in de Atlantische oceaan in de noordelijke Labradorzee enorme watermassa,s uit de warme golfstroom naar het noorden naar de er onder liggende koudere golfstroom. De Nederlandse hoogleraar Fysische Oceanografie Sybren Drijfhout aan de Universiteit te Southamton en tevens hoogleraar Dynamica van het Klimaat aan de Universiteit Utrecht bestudeerde de golfstromen in de Atlantische Oceaan.

Professor Dr. Sijbren Drijfhout.

Eén van zijn ontdekking is dat door de draaiing van de aarde op de oceanen grote windgedreven wervels of draaikolken ontstaan. Op de Atlantische oceaan ligt tussen Spanje en Florida een grote subtropische wervel of draaikolk die met de klok meedraait. De warme golfstroom krijgt door dit soort wervels of draaikolken een extra impuls naar het noorden. Warm water van de golfstroom zinkt in de noordelijke Labradorzee als het afkoelt. Bij temperatuur verhoging van de warme golfstroom zou het systeem in een extreem geval kunnen kantelen en stilvallen. Dit wordt een kantelpunt genoemd dat kan lijden tot het stilvallen van de golfstroom.

Als de golfstroom in zou storten daalt de temperatuur en dat zal kunnen leiden tot een tijdelijke stilstand in temperatuur verhoging op aarde maar daarna zal de temperatuur snel hoger worden. Een nieuwe koudere periode die leidt tot een ijstijd acht Drijfhout vrijwel nihil. Het andere effect de zeespiegelstijging zal in de komende eeuwen rampzalig gaan worden voor lange landen zoals Nederland. Sommige oceanologen verwachten een stijging van zes meter van de zeespiegel

Hoofdstuk III

Glacialen en interglacialen.

Koude en warmere periodes horen bij de lange geschiedenis geschiedenis van onze aarde. Ze wisselen elkaar geregeld af.  Koude periodes worden aangeduid als glacialen en warmere periodes als interglacialen. In de laatste 2,5 miljoen jaar wisselen koude en warme perioden elkaar geregeld af. de koude periodes - glacialen - aangeduid als ijstijden,hebben een naam gekregen die wetenschappers afleiden van en rivier. Dat deze namen corresponderen van een rivier verwijst naar een onderzoek dat wetenschappers hebben gedaan naar een bepaalde ijstijd een rivier die invloed heeft gehad op een koude periode.

Elster ijstijd.

Voor noord Europa is belangrijk de Elster ijstijd ( genoemd naar de rivier de Weisse Elster in Duitsland). Een ijstijd die vanaf 465.000 - 418.000 jaar geleden van invloed was op het noordelijk deel van Europa. Daarvoor wisselden lange tijd koude en warmere perioden elkaar af. Die periode wordt het cromanien genoemd maar de periode van voor 465.000 jaar geleden is voor Nederland niet belangrijk. De Elster ijstijd of de Elsterien ijstijd heeft sporen achtergelaten in ons land en die zijn in de ondergrond van Nederland terug te vinden

Tunneldal uit het Elsterien bij het Friese Noordbergum.

Bij het afsmelten van de enorme ijskappen aan het einde van het Esterien ontstonden onder het ijs rivieren van smeltwater die onder grote druk enorme hoeveelheden sediment meevoerden. Hierdoor ontstonden diepe tunneldalen die in de ondergrond van noord Nederland terug zijn te vinden. Tijdens opvolgende perioden slipten de tunneldalen vol nieuw sediment uit andere formaties en nu zijn dit soort tunneldalen een prachtig depot voor onderzoek naar koude en warme perioden na het Elsterien. Tijdens de lange Elster ijstijd dreven enorme ijsmassa,s van noordelijke ijsgletsjers richting Nederland en bereikten noord Nederland. Hoever deze gletsjers over Nederland zijn gedreven is niet helemaal duidelijk doordat latere ijstijden de bodem behoorlijk hebben verstoord. Het voorbeeld hierboven van het tunneldal onder Noordbergum bij Zwartkruis is  een goed voorbeeld van de invloed van de Elster ijstijd. Dit soort diepe tunneldalen tot soms 400 m diep worden ook aangetroffen in Duitsland en Polen.

Saale ijstijd.

Evenals de Elster ijstijd is de Saale ijstijd vernoemd naar de Duitse rivier de Saale. De Saale ijstijd maakt evenals de Elster ijstijd deel uit van een lange periode in het Pleistoceen ( Over het Pleistoceen een volgend hoofdstuk). Ongeveer 238.000 jaar geleden verslechterde het klimaat en werd het op aarde kouder. Het zou een nieuw begin zijn van een lange koude periode, een ijstijd. De temperatuur op aarde daalde geleidelijk en zorgde er voor dat op het noordelijk halfrond bomen afstierven en deed het land langzaam veranderen in een grote toendra. Koude ijzige stormwinden namen bezit van het landschap en in een lange periode veranderde het landschap door sneeuw in een ijskorst. Deze ijskorst groeide in de jaren aan tot een grote landgletsjer van honderden meters dik. Door de grote druk van het enorme pakket ijs werd de zool van de gletsjer taai vloeibaar en begon de ijsmassa daarop te drijven. De gletsjer schoof vanuit het hoge noorden in de duizenden jaren da deze extreme kou heerste heel langzaam van het noorden in de richting van midden Europa.

Kaartje met het maximaal bereik van de ijsgletsjers over Nederland. Blauwe lijn de Elster ijstijd, gele lijn de Saale ijstijd en rode lijn de Weichsel ijstijd.

De gemiddelde temperatuur in de Saale ijstijd was gemiddeld 18 graden lager dan in het interglaciaal van voor deze ijstijd. Veel water uit de oceanen raakte gedurende deze ijstijd opgeslagen in de grote gletsjers. Het gevolg was dat de stand van de zeespiegel ongeveer 100 meter lager was dan die van nu. De Noordzee kwam door al die opslag van water in de gletsjer droog te liggen. Onderussen schoof de gletsjer verder en bereikte langzaam Noord Nederland. Het verste bereik van deze immense grote gletsjer kwam tot op de lijn van Haarlem - Nijmegen. De rivier de Rijn die tot voor de Saale ijstijd een noordelijke loop had en uitmondde in de Noordzee via wat nu het IJsselmeer is, vond een zuidelijker stroomdal naar het westen Nederland en mondde daardoor op een nieuwe plaats in de Noordzee uit. Een gletsjer van de omvang als die in de Saale ijstijd werkt als een soort bulldozer. Langzaam schuift te gletsjer in zuidelijke richting en door het enorme gewicht van honderden meters ijs worden grote massa's grond voor de gletsjer omhoog gedrukt en vormen aan de voorzijde stuwwallen.

 

 

Schematisch overzicht van een landgletsjer en een voor de gletsjer opgeschoven grondmassa, stuwwal voor de gletsjer. 

Ongeveer 128.000 jaar geleden veranderde het klimaat. Het werd warmer op aarde. De gletsjer die over Nederland lag begon te smelten door de hogere temperaturen en de ijsmassa's smolten langzaam af. Aan de uiterste randen van de gletsjer bleven na het afsmelten hoge stuwwallen achter in een kaal landschap. Ze vormen nu nog de stille getuigen van de gletsjer die lang geleden over een groot deel van Nederland lag. Ze zijn in de  afgelopen duizenden jaren sterk geërodeerd maar nog altijd goed te herkennen in ons landschap. Dr hoge Veluwe, de Utrechtse heuvelrug, de Sallandse heuvelrug, het rode klif Gaasterland en de hoogten van Wieringen en Texel vormen de stille getuigen van een lang geleden ijstijd in Nederland.

De stuwwal of klif bij Oudemirdum in Gaasterland is een stille getuige van de ijsgletsjer die meer dan 120.000 jaar terug over Nederland lag.

Na het smelten van de gletsjer bleef er een enorme massa sediment achter dat in de zool van de gletsjer naar Nederland was meegevoerd door het schuiven van het ijs. Dit sediment of morene bestond uit keileem en stenen doe uit het hoge noorden, de Scandinavische landen was meegevoerd. De morene wordt keileem genoemd en daarin verpakt zitten stukken en stukjes rots uit de gebergten van het hoge noorden. Deze stukken rots of keien worden noordelijke zwerfstenen genoemd. Aan de hand van een vergelijking van de zwerfstenen van de in het noordelijke deel van Nederlandse aangetroffen stenen met rotsen in Scandinavische landen zijn de plaatsen van herkomst van de stenen vast te stellen en kan ook een afleiding van de route van de gletsjers bepaald worden. In Nederland zijn veel verzamelaars van die zwerfstenen actief. Ze vergelijken de hier gevonden noordelijke zwerfstenen die afkomstig zijn van de gletsjers met rotsen en gebergten in de Scandinavische landen. ( www.zwerfsteenweb.nl). 

De ijskappen van de gletsjer smolten langzaam en het duurde van ongeveer 136.000 tot 117.000 jaar geleden dat het ijs zich langzaam maar zeker naar het noorden terugtrok. Deze periode wordt het Eemien genoemd ( hierover later). Het Eemien is een interglaciale periode. Het werd overal op aarde warmer en het klimaat in het Eemien valt te vergelijken met het klimaat van nu in Nederland. De zomers waren zelf nog warmer dan die van nu. Het smeltende ijs van de gletsjers zorgde er voor dat de zeespiegel snel steeg en die bereikte aan het einde van het Eemien een stand die 7 m hoger was dan de stand van de zeespiegel nu. Amersfoort lag bij wijze van spreken in die tijd aan de kust terwijl grote delen van het huidige Nederland overstroomd waren door de zee. Het morene landschap van zand, leem en keien begon langzaam te begroeien tijdens het Eemien

Doorsnede van een keileemrug uit de Saale ijstijd met zand, leem en keien.

Weichsel ijstijd.

Na de warmere periode van het Eemien begon het ongeveer 116.000 jaar geleden in Europa kouder te worden. De begroeiing die tijdens het eemien was ontstaan van grote vlakten en regenwouden verdorden in die koude periode en langzaamaan ontstond in Europa een groot steppenlandschap. Het zou een begin zijn van een nieuwe lange ijstijd de Weichsel ijstijd genoemd naar de Poolse rivier de Wisla. Deze Weichsel ijstijd wordt door een deel van ed wetenschap ook wel aangeduid als het Wurm glaciaal. Een ijstijd die wou duren van 116.000 jaar geleden tot 12.850 jaar terug. Tijdens de duur van deze ijstijd wisselden glaciale en interglaciale perioden elkaar af. In het noorden van de Scandinavische landen begon in de koudere perioden opnieuw een grote landgletsjer aan te groeien met een dikte van maar liefst anderhalve kilometer zo is berekend. De gletsjer die net als de gletsjers in de Saale ijstijd langzaam in zuidelijke richting begon te drijven bereikte zijn uiterste grens in het noordelijk deel van Duitsland tot het gebied van Sleeswijk-Holstein. De soms immense kou maakte grote gebieden in Europa onherbergzaam en veranderde in de koudste periode van deze ijstijd, Europa in een poolwoestijn. Het zou tot ongeveer 12.850 jaar geleden duren alvorens er een nieuwe warme periode in Europa kwam.

Grote delen van Europa veranderden tijdens de koudste periode van de Weichsel ijstijd (25.000 - 20.000 jaar geleden) in een poolwoestijn

De glacialen van de Weichselijtijd.

Na de Saale ijstijd werd het 116.000 jaar geleden warmer in Europa. Er begonnen grote loofbossen te groeien en grote steppen maakten het landschap in Noord Europa compleet. Tijdens koude perioden in de Weichsel ijstijd verdwenen de bossen en soms zelfs de stepentoendra,s. Doordat langere koude en warme perioden elkaar afwisselende is de Weichsel ijstijd verdeeld in drie koude perioden of glacialen. 

1. Vroegglaciaal.

Nadat 116.000 jaar geleden de Saale ijstijd eindigde en het warmer werd begon er al snel begroeiing te komen in Noord Europa. Naast uitgestrekte steppen toendra's' ontwikkelden zich in de warmere perioden van het Eemien grote loofbossen. In koude perioden verdwenen de bossen en bestond de begroeiing soms uit grassen afgewisseld met dennen en berken. Doordat in de ijsgletsjers in het noorden nog grote hoeveelheden water waren opgeslagen was de Noordzee nog droog en bestond uit een uitgestrekte steppen steppen toendra, doorsneden met rivieren en beken.  Op deze grote steppen leefden veel zoogdieren waarvan de bekendste zijn de wolharige mammoeten, paarden en herten. Daarnaast kwamen in het gebied veel andere dieren voor zoals de wolharige neushoorn, wisenten, hyena's, de sabeltandtijger, leeuwen en veel kleinere zoogdieren. Ook de Neanderthaler trok door het steppengebied op zoek naar jachtbuit. Mens en dier waren aangepast aan het koude klimaat in deze tijd.

Wolharige mammoet als grote grazen op de steppen toendra,s van de Noordzee.

2. Pleniglaciaal

Vanaf 73.000 jaar geleden werd het op het noordelijk halfrond kouder en ging de temperatuur naar beneden. De gemiddelde temperatuur in het pleniglaciaal bedroeg ongeveer zeven graden. De bossen en ook een deel van de steppentoendra verdween. Het pleniglacaal typeerde zich door zeer extreme koude perioden waarbij tussen 22.000 en 18.000 jaar geleden de allerkoudste periode was. Er was geen begroeiing meer, de vorst was diep doorgedrongen en de permafrost bodem was meters dik. In de permafrost bodem ontstonden diepe scheuren door bevriezing en in de bodem vinden we tot op vandaag de sporen daarvan terug in de vorm van vorstwiggen. De warmere perioden na het pleniglaciaal zorgden voor een ontdooiing van de permafrostbodem en het water sijpelde in de vorstwiggen en nam van de bovengrond sediment mee dat de wiggen vulde.

Vorstwig in het sediment afkomstig uit het pleniglaciaal.

Laatglaciaal.

Het laatglaciaal beslaat de laatste vierduizend jaar van de Weichsel ijstijd. Het werd 18.000 jaar geleden snel warmer in Noord Europa. In de eerste perioden volgden warmere en koudere perioden elkaar snel af. De Weichsel ijstijd eindigde nog met een uitzonderlijke korte felle periode van kou. Aan deze periode het Oude Dryas en de perioden die bij de overgang van het pleistoceen naar het holoceen horen wordt in een afzonderlijk hoofdstuk aandacht geschonken. Dit in verband met de komst van de moderne mens in het noorden van Europa.

 

Pingoruïnes.

De Weichsel ijstijd bezorgde Nederland een unieke nalatenschap, de pingoruïnes. Ze zijn op veel plaatsen in het landschap te vinden en met name zijn er honderden terug te vinden in het nationaal landschap van de Noordelijke Friese Wouden. Pingo's ontstonden in de koudste periode van de Weichsel ijstijd in de metersdikke permafrost bodem Opborrelend kwelwater vanuit de ondergrond vormde in de loop van honderden jaren grote ijslenzen in de permafrost die door dooien en aanvriezen soms aangroeiden tot een ijsmassa die tientallen meters boven het oppervlakte oprezen. ( Het woord pingo is door de Inuit Eskimo's' gegeven aan de hoge heuvels die we kennen als ijslenzen).

Pingoruïne Bootsmapoel onder Twijzel.

Nog steeds ontstaan dit soort pingo's in Noord Europa in koude gebieden.  Op Groenland zijn tussen de 65ste en75ste breedtegraad de processen die leiden tot een pingo ( een grote ijslens) nog steeds gaande en zijn ze een prachtig voorbeeld van de wijze waarop dit soort lenzen ook hier in Nederland tijdens de Weichsel ijstijd ontstonden. De steeds aangroeiende lenzen op Groenland - tot 90 meter hoog met een breedte van maximaal 2 km -  worden vanuit de permafrost omhoog gedrukt. Met de ijslenzen wordt de grond om de lens mee omhoog gedrukt en bij warmere perioden glijdt die grond langs het ijs van de lens naar beneden en vormt een ring rond de pingo.

Pingo op Groenland in de 20ste eeuw.

 

Pingoruïnes zijn prachtige objecten voor onderzoek. Gedurende duizenden jaren na de koude perioden van de Weichsel ijstijd groeiden in en om de pingoruïnes planten die groeiden, afstierven en veen vormden op de bodems van die pingoruïnes. Door het aangroeien van de veenlagen over duizenden jaren en opstapeling van veen vormen de bodems een uniek archief. Wetenschappers tonen met veenmonsters uit de pingoruïnes aan welke planten in bepaalde perioden rond en in het water van die pingoruïnes groeiden. Deze wetenschap halen ze uit de stuifmeelpollen die in dat veen aanwezig zijn en die ze vervolgens koppelen aan tijd en laag in het veen. Soms komen uit die onderzoeken bijzondere gegevens. Stuifmeelpollen van bv emmerkoorn of vlas kunnen aangeven in welke periode deze gewassen in de omgeving van de pingoruïne werden verbouwd en daarmee kan een link worden gelegd naar bv de eerste bewoning in de omgeving van de pingoruïne.

Pingoruïnes op de Duurswoudsterheide onder Bakkeveen.

Hoofdstuk IV.

Het laatglaciaal.

Het laatglaciaal kenmerkte zich door snelle opeenvolgende perioden van koude en warmere perioden. Het volgde op de koudste periode van het pleniglaciaal. Die laatste laatglaciale periode van 4000 jaar is ook belangrijk voor archeologisch en geologisch onderzoek en wordt daarom hier in een afzonderlijk hoofdstuk behandeld.

Oudste Dryas.

Vanaf 16.000 jaar geleden veranderde de koudste periode uit de Weichsel ijstijd doordat het klimaat warmer werd. De overgang van de Weichsel ijstijd naar het Holoceen ging met horten en stoten. Warmere en koudere perioden wisselden zich in snel tempo af. De Weichsel ijstijd eindigde definitief met een aantal wisselde koude- en warmere perioden. Het Oudste Dryas is een overgang van de pleniglaciale ijstijd naar de laat glaciale ijstijd. De Scandinavische ijskap had z'n maximale uitbreiding gehad tot de Elbe bij Hamburg en de terugtrekkende ijskap, die in de afwisselende koude en warme perioden van het laat glaciaal, langzaam terug trok liet z'n sporen achter in het landschap van Noord Duitsland. In het noorden van Duitsland leverde dat een aantal eind morenes op. In het buurland Duitsland wordt deze periode waarin het langzaam warmer werd, aangeduid als het Meienhof interstadiaal. In het oudste, het oude en het jonge Dryas verdween steeds de begroeiing deels van de steppen en toendra,s en kreeg de wind vrij spel op zand en leem. Grote hoeveelheden zand en leem zijn in deze glacialen verplaatst en die verplaatsing vinden we terug in onze bodem als dekzandlagen.

foto Harry Huisman.

Bolling.

in de eerste periode van het laatglaciaal, die Bolling wordt genoemd en duurde van 14.650 tot 14.000 jaar geleden, werd het snel warmer. (De Bolling periode is genoemd naar een Deens dorp waar isotopen onderzoek is gedaan over deze periode in de turfbodem) De warmere temperaturen deden het landschap veranderen. In het steppenlandschap veranderde de vegetatie. Er begonnen bomen te groeien en er vormden zich bossen. In de bossen groeiden de wilg, de eik, de berk en dennensoorten uitbundig in deze warmere periode. Ook dieren trokken vanuit zuidelijke delen van Europa naar het noorden en paarden, rendieren en edelherten graasden op de overgebleven vlakten. Rivieren die ontstonden door het smeltende ijswater werden weer het domein van de zalm en het langzaam smelten van de ijskappen deed de zeeën met 35 meter stijgen. Het was in deze periode dat de eerste moderne mensen vanuit zuid Europa naar het noorden trokken. Ze jaagden voornamelijk op de rendieren en trokken met deze kudden mee. Deze jagers worden de Hamburgjagers genoemd. Na deze warme periode in het Bolling werd het rond 14.000 jaar geleden opnieuw kouder. Deze periode, oude Dryas genoemd, die kort duurde van 14.000 tot 13.800 jaar geleden zorgde er voor dat de bossen verdwenen en er een steppe overbleef. In de zomermaanden bloeide er op deze steppen de witbloeiende zilverster die ook wel achtster wordt genoemd, zeer uitbundig. De Latijnse naam van deze zilverster is Dryas octopetale. De naam Dryas van deze zilverster is gebruikt om de naam van de koude perioden in de laatste 4000 jaar van het laatglaciaal aan te duiden.

 

De zilverster (dryas octopetale)

 

 

 

 

 

 

Het Oude Dryas.

Het Oude Dryas in een koude periode die maar honderd jaar duurde, van 14.000 tot 13.900 jaar geleden. Uit onderzoeken is gebleken dat het Oude Dryas niet overal ter wereld even duidelijk is af te bakenen. Op de lagere breedtegraden is de klimaatverandering die er in het Oude Dryas plaats vond,  minder waar te nemen. In Noord Europa en Siberië is deze koudere periode goed waarneembaar. Blijkbaar bleef het in andere gebieden minder koud in deze periode. In die gebieden waar deze koude periode nagenoeg geen invloed had vloeien de Allerod- en Bollingperiode in elkaar over. Daar waar deze koude periode heerste verdwenen de bossen en werd Noord Europa weer een gebied met steppen en toendra's. De gletsjers in de Scandinavische landen groeiden in deze koude periode weer aan. Nederland lag tijdens het Oude Dryas in een zone met toendra's. Onderzoeken hebben uitgewezen dat de enorme steppe en toendra landschappen zich uitstrekten van de Oeral tot in Ierland. Er ontstond een groot Baltish ijsmeer op de plaats waar nu de Oostzee ligt en de Baltische staten waren bedekt met een ijskap. Denemarken en zuid Zwaden waren daarentegen in deze periode ijsvrij. Ook de Noordzee ten zuiden van de Doggersbank was droog en een groot toendra gebied.

De uitgestrekte steppen en toendra's waren tijdens het Oude Dryas het leefgebied van veel soorten kuddedieren zoal de steppenwinsent, rendieren, elanden, wilde paarden, mammoeten en wolharige neushoorns. Roofdieren zoals de bruine beer, de holenbeer, de hyena, de poolvos en de veelvraat jaagden op de kuddes die over de steppen en toendra's trokken. Ook mensen trokken met de kuddes mee over de steppen en toendra's op jacht naar buit. In Noord Europa werd in deze tijd vooral gejaagd op rendieren. Uitzonderingen waren er on der anderen in de Oekraïne waar nog op mammoeten werd gejaagd. Daar werden door de mammoetjagers hutten gebouwd die verankerd werden met mammoetslagtanden. De enorme hoeveelheden mammoetbotten die gevonden worden bij nederzettingen in de Oekraïne en in Siberië maken duidelijk dat deze grote dieren overbejaagd werden.

Reconstructie van een jagershut opgebouwd uit mammoetbotten.

Het Oude Dryas kende in archeologische zin regionale verschillen. Het Jong Paleolithicum kende een aantal jagersculuren die in het Oude Dryas vielen. De Hamburg cultuur is ontstaan voor het Oude Dryas maar de jagerscultuur van de Haveltergroep ontstond tijdens het Oude Dryas. In het noorden, Denemarken en Zuid Zweden ontstond tegelijkertijd de Federmesser cultuur van de rendierjagers. Ten zuiden van de Hamburgcultuur was tegelijkertijd een andere jagerscultuur, die van Magdaléniencultuur.  De Oekraïense en Siberische cultuur die op mammoeten jaagde wordt Molodovan genoemd.

Allerod.

Na de meer dan honderd jaar durende koude periode van het Oude Dryas verdween de kou even plotseling weer als die was gekomen. Er volgde een langere warmere periode en dit interstadiaal wordt Allerod genoemd naar de plaats Allerod op het Deense eiland Seeland. Bij die plaats is onderzoek gedaan in de veenafzettingen van het Allerod interstadiaal. Het warme Allerod interstadiaal duurde van 13.900 tot 12.850 jaar geleden waarna het weer kouder werd.  In het Allerod heerste er een vochtig klimaat met veel sneeuwval in de wintermaanden en maximum temperaturen in de zomermaanden van ongeveer 15 graden. De permafrost die nog aanwezig was verdween in deze periode uit de bodem. In die bodem is het Allerod goed te herkennen aan een ongeveer 10 cm brede bleke zandlaag tussen de dekzanden van het oude en het jonge Dryas. In 1946 ontdekte de directeur en onderzoeker van het rijksmuseum Twente, Cornelis Hijszeler, in de bleke zandlaag van het Allerod een donkere baan die hij verder onderzocht. In de donkere laag werden veel houtskooldeeltjes aangetroffen. Hij noemde deze laag de "laag van Usselo". Bij latere onderzoeken werden in deze laag, naast houtskooldeeltjes, ook Nano diamantjes, iridium en koolstof bolletjes aangetroffen. Het leidde tot meer onderzoek en daaruit bleek dat de laag van Usselo niet alleen in Nederland in de bodem voorkomt maar over heel het noordelijk halfrond wordt waargenomen. De bekende geoloog Johan Bert (Han) Kloosterman (1931 - 2016) heeft in Nederland en in Noord Amerika veel onderoek gedaan naar het ontstaan van deze laag van Usselo. Zijn conclusie uit onderzoeken samen met die van universiteiten uit Noord Amerika hebben tot de conclusie geleid dat er omstreeks 13.000 jaar geleden een meteorieten inslag is geweest op het Noordelijk halfrond die geleid heeft tot een hitte reactie waardoor bij zeer hoge temperaturen de Nano diamantjes, het irridium en de koolstof bolletjes zijn ontstaan in de laag van Usselo. In Noord Amerika wordt deze laag de "Clovis layer" genoemd. Kloosterman publiceerde zijn uitkomsten in een aantal zeer toonaangevende wetenschappelijke bladen in Amerika. In Nederland is men altijd sceptisch geweest over een meteorieten inslag die geleid zou kunnen hebben tot de overblijfselen van Nano diamantjes, irridium en koolstofbolletjes in de laag van Usselo.

 

Rechts geoloog Johan Bert Kloosterman en links de laag van Usselo als een donkere streep in de witte Allerodlaag van de steilwand

 

 

Jong Dryas.

Aan het einde van het Allerod interglaciaal veranderde het klimaat en werd het kouder. Er begon opnieuw een koude periode die ongeveer 11.650 jaar geleden even abrupt eindigde als ze was begonnen. Er zijn veel theorieën in omloop over het opnieuw ontstaan van dit laat glaciaal. Eén van de theoriën is dat de invloed van enorme hoeveelheden zoet water in de noordelijke oceanen heeft geleid tot afkoeling. De doorbraak van een afschermende hoogte van het gigantische Agasizmeer in noord Canada zou geleid hebben tot een zeer grote instroom van zoet water in de Atlantische oceaan waarna het zoete water zorgde voor een andere golfstroom in de oceaan. De Nederlandse wetenschapper dr.C.J. (Tijn) Berends van de universiteit Utrecht onderschrijft deze theorie hoewel ook hij een slag om de arm houdt. Het Agassizmeer - in oppervlakte vergelijkbaar met een land als Zweden - dat door het smeltende water van de noordelijke gletsjers overvol was geraakt, brak door naar de Atlantische oceaan en daardoor stroomden enorme hoeveelheid water in de noordelijke ijszeeën. Hierdoor zou wereldwijd de zeespiegel met ongeveer een meter zijn gestegen.

Het immens grote gletsjermeer in Noord Amerika tijdens het Allerod.

Een andere verklaring zou kunnen zijn dat tengevolge van een grote inslag van een meteoriet de atmosfeer verstoord raakte door grote hoeveelheden stof die tot de afkoeling hebben geleid. Deze theorie zou gestaafd worden doordat glasvormige overblijfselen zijn aangetroffen in landen ten noorden van de evenaar. Daarnaast wordt ook een uitbraak van de vulkaan, de Hiawathkrater op Groenland in verband gebracht met de afkoeling in het jong Dryas stadiaal.

Hoofdstuk 5.

Het Boreaal.

Het Boreale tijdperk volgt op de Weichsel ijtijd met glacialen en interglacialen. Ook dit Boreale tijdperk dat ongeveer 11.750 jaar geleden begint met het veranderen van het klimaat. Het wordt warmer in Noord Europa. Voor Noord Europa wijkt het Boreale klimaat af van andere gebieden. Daarom wordt in Noord Europa een overgangs periode ingebracht die we kennen ls het Pre-Boreale tijdperk. Dit Pré-Boreale tijdperk  wordt in Noord Europa gedateerd van 11.750 tot 10.200 jaar geleden. Het ligt op de overgang van het Paleolithicum naar het Mesolithicum. Het warmere klimaat zorgde ervoor dat de gletsjers zich steeds verder terugtrokken naar het noorden. Door het afsmelten van de gletsjers vormden zich brede stromen smeltwater in het noorden dat de zeespiegel langzaam maar zeker deed stijgen. De zeespiegelstijging zorgde ervoor dat ook langzaam maar zeker de Noordzee natter werd en vol ging stromen. Het klimaat tijdens het Pré-Boreaal wordt een continentaal klimaat genoemd. Er viel weinig regen en bossen met daartussen heidevelden ontwikkelden zich in dit Pré-Boreale tijdperk. Het warmere klimaat zorgde voor meer begroeiing. Bomen zoals de jeneverbes en lijsterbes domineerden de bossen.  Ze rukten op en gingen steeds noordelijker groeien. De kudden grazers trokken meer naar het noorden en oosten en dieren zoals die in het Allerod ook aanwezig waren kwamen vanuit Zuid Europa terug in Nederland. Opnieuw liepen in Nederland herten, wilde zwijnen, wolven en bruine beren rond. In de moerassen en rivieren zwommen bevers en otters en de snoek en de meerval waren talrijk aanwezig.

De bruine beer kwam tijdens het Pré-Boreaal voor in Nederland.

In de moerassen vormden zich in het Pré-Boraal veenafzettingen. De Boreale periode was ook de periode van het Mesolithicum. Een deel van de jagers zoals die er waren tijdens de Hamburg- en Ahrensburgcultuur trokken me de kudden rendieren mee naar het noorden en het oosten. Een ander deel bleef in onze streken wonen. Ze vestigden zich blijvend als jager-verzamelaar en trokken door het gebied waarbij ze op het daar verblijvende wild jaagden en vruchten en noten verzamelden. Ondertussen ontwikkelde zich in het Pré-Boreaal in het midden oosten de eerste landbouw.

Het Boreaal,

Na het Pré-Boreale tijdperk werd het steeds wat warmer in Europa. Dat uitte zich ook in de begroeiing. Eiken, Linden en Elzen groeiden steeds noordelijker en verdrongen de in het Pré-Boreale ontwikkelde bossen van jeneverbes en lijsterbes. Op sommige plaatsen zijn in de moerassige veenbodem onderzoeken gedaan naar de Boreale omstandigheden en de plaats van de mens in deze interessante klimatologische periode. In de Russische plaat Vis aan de Vytsjegdarivier is een Mesolithische nederzetting opgegraven die veel gegevens opleverde over het Boreale tijdperk en de plaats van de mensen daarin. Van plantmaterialen gevlochten korven en netten werden opgegraven evenals kleine bootjes van berkenhout. In het veen werden winter ski's en sleden aangetroffen die waarschijnlijk zijn gebruikt in de lange koude winters in dit gebied.  Bogen, speren, pijlen en zelfs gedecoreerde benen voorwerpen kwamen bij deze opgraving tevoorschijn.

Atlanticum.

De naam Atlanticum is afgeleid van Atlantische oceaan. Het was de Noorse botanicus A.G.Blytt die in 1876 deze naam lanceerde  naar aanleiding van een onderzoek in deze periode. De zeespiegel was tijdens het Atlanticum ongeveer 20 meter lager dan nu. Het water van de zee kwam tot aan Schokland en zandafzettingen vormden duinen en strandwallen tijdens de eerste periode in het Atlanticum. In het eerste deel van het  Atlanticum was er in Nederland een warm en nat klimaat. De gemiddelde temperaturen in Nederland waren in het Atlanticum hoger dan die van nu. In het noord-oosten van Europa vormde zich een groot Atlantisch woud met eiken, linden, elzen en essen met veel ondergroeiing van hazelaar en lijsterbes. Vanaf 8.200 jaar geleden daalde de temperatuur weer iets en werd het minder warm. De Waddenzee kreeg vanaf het begin van het Atlanticum vorm achter de duinen en strandwallen. Veenvorming vond in deze periode op uitgebreide schaal plaats in Nederland. Het was in deze begin periode dat de landbouw vanuit het midden oosten oprukte in Europa. De eerste boeren vestigden zich in het zuiden van ons land. kapten bossen en brachten de landbouw voor het eerst in Nederland. 

Het enige oerbos dat z'n oorsprong nog vindt in het Atlanticum is het grote woud bij het Poolse Bralowieza.

Later in het Atlanticum steeg de zeespiegel en kwamen er grote delen van Nederland onder water te staan. De eerder gevormde veenmoerassen veranderden daardoor in grote lagunes. De grote bossen die zich in het begin van het Atlanticum hadden gevormd en in die periode een optimale ontwikkeling op het vaste land van Europa hadden meegemaakt vielen voor een deel ten prooi aan de vanuit het zuiden en oosten binnenkomende nieuwe mensen die de bomen kapten, vee hielden en gewassen verbouwden. Ze hielden kudden schapen, geiten en varkens.


Verantwoording:

Berends, Tijn - Modelling the influence of lake Agassizon on glacial isostatic adjustment and deglaciation of the laurentide ice sheet.

Huisman, Harry - De laatste 4000 jaar van de Weichselijstijd.

Schenk, Dorine - Smeltwater uit gigantisch meer verantwoordelijk koud klimaat in ijstijd.

 

 

 

 

 

 

 

Copyright © 2011 Archeoweb | Ontwerp en advies Jongsma Automatisering | Powered by WebsiteBaker - Certified Edition