Steentijd archeologie

Ontdekkingsreis door de prehistorie

Archeologen en amateur archeologen uit Noord Nederland

In deze rubriek wordt aandacht geschonken aan de archeologen en amateur archeologen die een bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis van de prehistorie in Noord Nederland. Voor een aantal daarvan geldt dat ze niet alleen belangrijke vondsten uit de steentijd hebben opgegraven of gevonden maar ook dat ze middels geschreven artikelen een bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van de prehistorische geschiedenis in Noord Nederland. Een groot aantal van deze archeologen en amateur archeologen heeft ook een bijdrage geleverd aan het IJstijdenmuseum door collecties of delen daarvan beschikbaar te stellen voor de exposities in het museum. In het IJstijdenmuseum wordt daarom ook in een galerij aandacht geschonken aan deze archeologen en amateur archeologen.

   


 

 Binne van der Brug (1917-2006) en Grietje van den Burg (1921-2010).

 

Binne en Grietje moeten in één adem worden genoemd. Dit echtbaar is zeer actief geweest in de archeologie. Al voor de tweede wereldoorlog leerde de bekende amateur archeoloog Pieter Horjus uit Oostermeer, Binne de eerste beginselen over de steentijd archeologie. Daarmee was bij Binne de kiem gelegd voor zijn latere zoektochten naar artefacten in de Friese wouden. Toen hij zijn latere vrouw Grietje ontmoette raakte die ook met het archeologische virus besmet. Al snel waren ze samen op zoektocht waarbij voor hun het gebied rondom het Âld Djip onder Ureterp en Bakkeveen hun zoekgebied werd. Op tientallen plaatsen in dat gebied vonden zij artefacten die later tot een indrukwekkende verzameling uit zou groeien. Later werden ook hun kinderen bij de zoektochten betrokken en samen met Tineke, Rinie en Roel ondernamen ze vanaf die tijd de zoektochten in het gebied.

Eind vijftiger jaren begon men in Opsterland met een grote ruilverkaveling. Daarbij werd heel wat grond verzet. Er werden sloten gegraven en  werden percelen land afgegraven. Het was voor hun een gouden tijd. Aan de boorden van het Âld Djip vonden ze een site waarop ze veel vondsten deden uit de Hamburgcultuur. Prachtige Hamburg spitsen, krombekstekers, steelschrabbers en boren, stuk voor stuk schitterende artefacten van een vuursteensmid en jager/verzamelaar uit de Hamburg cultuur. De Hamburgsite onder Bakkeveen is een prachtig bewijs van een kamp van de Hamburgjagers dat op die plaats ooit een uitvalsbasis is geweest voor het jagen op rendieren die daar toen over de open vlaktes trokken.

 

 Rivierdal van het Âld Djip.

Niet alleen werden door Binne en Grietje sites van Hamburg jagers ontdekt. In het gebied rond het beekje het Âld Djip, dat in het verre verleden een bredere rivier is geweest die voor de afvoer van het water zorgde, leefden in de prehistorie mensen uit een aantal culturen. Dat is ook te herleiden uit de vondsten van culturen die na de Hamburg jagers steeds weer het gebied aan deze stroom opzochten. In de rijke verzamelingen van Binne en Grietje zien we dat ook terug in artefacten uit het Meslolithicum, het Neolithicum en de Bronstijd. Binne van der Brug en Grietje van der Burg zijn van grote waarde geweest voor het onderzoek naar de prehistorische geschiedenis van het gebied onder Ureterp en Bakkeveen. Hun eerste kennis haalden ze bij Pieter Horjus maar later was hun vraagbaak de bekende amateur archeoloog en schoolmeester Piet Houtsma uit Waskemeer. Samen met Houtsma hebben ze een aantal sites in het gebied opgegraven. Alle artefacten die ze op hun zoektochten verzamelden zijn op een vakkundige wijze geregistreerd. Daarbij gebruikten ze ook kaarten van het gebied waarop de sites nauwkeurig werden ingetekend. Een deel van hun enorme verzameling artefacten is toegevoegd aan de verzamelingen van het Fries museum. Een ander deel is in bruikleen bij het IJstijdenmuseum in Buitenpost en wordt daar geëxposeerd.

 

 Deel van de in het IJstijdenmuseum Buitenpost geexposeerde Hamburg artefacten fam. Van der Brug

Het werd al vermeld dat Binne en Grietje hun kinderen Tineke, Rinie en Roel, altijd nauw betrokken bij hun archeologische hobby. Zij hebben dan ook het zoekwerk van hun ouders voortgezet en worden in deze rubriek nog afzonderlijk genoemd.


Tjitte Douma

Tjitte Douma

Tjitte Douma, geboren te Wommels op 24 januari 1924 was werkzaam in de ruilverkavelingen in Fryslân. Via de familie van der Brug uit Selmien onder Drachten en zijn echtgenote Maaike Adema, (23-6-1926....5-2-2011 ) raakte hij verknocht aan de steentijd archeologie. Zijn zoekgebied in Fryslân was voor het grootste deel gericht op de landerijen tussen Bakkeveen en Beetsterzwaag, het gebied het oude stroomdal van de Boorne of het Âld Djip.

De Hamburg cultuur en de Creswell cultuur in de collecties van Tjitte Douma zijn zeer bijzonder met onder anderen een rijke verzameling van één van de bekende site's aan de Boorne onder Siegerwoude. Niet alleen deze jong paleolitische culturen zijn in zijn collecties terug te vinden maar ook uit de andere culturen zoals het Mesolithicum, het Neolithicum en de Bronstijd zijn prachtige artefacten uit het stroomdal van de Boorne in de collecties van Douma aanwezig.

Niet de artefacten alleen zijn interessant voor Douma maar veel meer het verhaal achter de artefacten. De ontwikkeling van de mensen in de steentijd en de wijze van het ontwerpen en maken van stenen werktuigen zijn interessant in de ogen van Douma. Hij volgt dan ook alle wetenschappelijke onderzoeken. 

In de vitrinekast in de gang bij Douma liggen de gevonden artefacten keurig gerangschikt

Na zijn pensionering in 1985 heeft Tjitte Douma met echtgenote Maaike Adema veel gereisd en daarbij speelde de archeologie en de geologie een grote rol. De tastbare resultaten zijn terug te vinden in de collecties artefacten, mineralen en fossielen uit bv. Frankrijk, Belgié, Denemarken maar ook uit bv Australië.


 Albert Egges van Giffen 14/3/1884 - 31/5/1973

Albert Egges van Giffen groeide op in Diever als zoon van een predikant. Hij wist al snel dat hij de archeologie als zijn beroep zou kiezen. Die interesse voor archeologie deed hij in eigen omgeving op. Eén van zijn eerste opgravingen die hem de nodige faam verschafte was de opgraving van een terp in het Groningse Ezinge. Bij die opgraving ontwikkelde hij de Quadrant methode. Een methode waarbij delen van een site werden opgegraven volgens een bepaalde indeling. Sommige van zijn studenten vergeleken de methode met het snijden van een taart in partjes. Ezinge was ook de plaats waar hij zijn leven lang aan verbonden zou blijven. Toen hij ouder werd kocht hij de directiekeet die gebruikt werd bij de opgraving van de terp van Ezinge en bracht die over naar Diever waar het gebouw verder als vakantiewoning voor de van Giffens dienst deed.

In zijn omvangrijke studies naar de archeologie en de onderzoeken die hij deed bij hunebedden in Drenthe ontwikkelde hij zich steeds meer. Het doctoraat in zijn werk en hobby haalde hij bij de universiteit in Groningen waar men hem later benoemde tot hoogleraar. Van Giffen was ondermeer oprichter van het biologisch-archeologisch instituut, conservator bij het Drentsmuseum en lid van de KNAW.

 


 

Piet Houtsma.

Piet Houtsma, oud hoofd van de school in Waskermeer. Hoewel deze schoolmeester een aantal opgravingen heeft verricht op het Mandefjild in Boelenslaan en een locatie onder Siegerswoude waar het respectievelijk ging om een onderzoek in grafheuvels op het Mandefjild en naar Hamburgcultuur op de locatie bij Siegerswoude, heeft Houtsma ook rond Bakkeveen site's gevonden met voorwerpen uit de Trechterbekercultuur. Houtsma werkte samen met gevestigde archeologen zoals Albert Egges van Giffen, Hendrik Jan Popping, Assien Bohmers en Harm Tjalling Waterbolk.

 Gerrit Jonker.

Gerrit Jonker bezig met het sorteren van op de akkers gevonden artefacten. 

Een amateur archeoloog die zeer zeker een plaatsje verdient in deze rubriek is Gerrit Jonker (Steenwijk. In zijn gebied, dat van Zuid-Oost Fryslân en het grensgebied daarvan met Drenthe en Overijssel. ontdekte hij meer dan 100 sites uit de Steentijd.

Een belangrijke ontdekking deed Jonker in 1989 onder Oudehaske. Op een perceel land vond hij artefacten uit de laat jong Paleolithische Ahrenburg cultuur. Naar aanleiding van deze vondst werd op het perceel een opgraving gedaan in twee korte perioden waarvan de eerste in 1990 en de tweede in 1991. Er werden in het totaal ruim 2600 artefacten opgraven door studenten van de BAI in Groningen. Het onderzoek stond onder leiding van de Groninger archeoloog Dirk Stapert. Bij de opgraving verleende de bekende veldassistent bij het Fries museum, Jan Boschker assistentie bij het graafwerk.

De eerder door Jonker gevonden artefacten op deze site werden door Jonker geschonken aan het Fries museum. Deze schenking leidde tot een geschil tussen Jonker en de conservator van het Fries museum. In tegenstelling tot de verwachting van Jonker werden zijn Ahrensburg artefacten niet in het museum tentoongesteld maar kwamen als studie doeleinden in het depot terecht. Dit conflict was er de oorzaak van dat Jonker later zijn omvangrijke verzameling artefacten niet schonk aan het Fries museum maar aan het IJstijdenmuseum in Buitenpost. In het laatste museum wordt een deel van de bij Oudehaske gevonden artefacten uit de Ahrensburg cultuur in een expositie ten toon gesteld. 

De omvangrijke verzamelingen artefacten van Jonker bevatten ook een groot aantal midden Paleolithische artefacten die een herinnering zijn aan de jagerscultuur van de Neanderthaler. Rondom Steenwijkerwold en Steenwijk heeft Jonker een respectabel aantal van deze zeer schaars gevonden artefacten gevonden. Het heeft er ook toe geleid dat in het streekmuseum in Oldemarkt een aantal van deze midden paleolithische vomdsten van Jonker, tegelijkertijd met andere vondsten worden geëxposeerd.

 Een deel van de enorme hoeveelheid vuurstenen werktuigen, maalstenen, klopstenen en andere steentijd artefacten zoals Jonker ze eerder exposeerde in één van zijn kamers thuis. De verzamelingen zijn thans in het bezit van het IJstijdenmusuem te Buitenpost

  


Johannes Minnes Minnema

Johannes Minnes Minnema (1903 - 1984) drukker en ontwerper met als grote hobby de archeologie. Het gebied tussen Damwoude en Driesum was het gebied waarin Minnema een aantal sites ontdekte waaronder die van de Zandhorst nder Driesum wel één van zijn belangrijkste vondstplaatsen was waarop hij voorwerpen uit de periode van de Trechterbekercultuur heeft gevonden.

 

 

 

 

 

 


 

Pieter Mudstra.

Pieter Mudstra (1900-1990) woonde op de heide onder Suameer en ontwikkelde zijn liefhebberij voor de archeologie al vrij vroeg. Rondom de Bergumermeer en de Leijen lagen zijn sites. In 1942 ontdekte Pieter Mudstra een Hamburg site onder Ureterp. Naar aanleiding van zijn vondsten bestaande uit een aantal Hamburg schrabbers werd in 1943 op die plaats door het Fries Museum een grote opgraving uitgevoerd. De opgraving stond onder leiding van Johannes Minnes Minnesmas uit Westergeest en werd gefinacieerd door het Duitse rijk.

Hij werd aangesteld als veldassistent archeologie bij het Fries Museum in Leeuwarden In de tweede wereldoorlog werd hij door de bekende archeoloog Assien Bohmers die werkzaam was bij de BAI van de Universiteit Groningen gevraagd mee te werken aan een archeologisch onderzoek voor Nazi Duitsland in Unterwistenitz in Tsjechië. Voor dit onderzoek werden nog een aantal Friezen, de broers Johannes en Kees Groenhof uit Akkerwoude, Romke Postma uit Roodkerk en Andries van der Veen uit Westergeest door Bohmers geronseld. 

 

 

 

 


 Johannes Siebenga.

 

Johannes Siebinga (1898-1969) Deze amateur archeoloog en huisarts hield zich bezig met de steentijd archeologie in Smallingerland en heeft een aantal belangrijke onderzoeken uitgevoerd met betrekking tot de steentijd.  Vindplaatsen.
Eén van zijn belangrijkste vindplaatsen was een veld naast de Blauwe Dobbe, een pingoruine, onder Houtigehage.  Deze vindplaats die op een zandheuvel ligt ten noorden van de Blauwe Dobbe  werd bij deze pingoruine in 1938 ontdekt door Siebenga. In de jaren die daarop volgden zou hij er honderden vondsten van artefacten op deze plaats. Uit het onderzoek dat Siebenga deed trok hij de conclusie dat de artefacten een sterke overeenkomst vertoonden met de opgegraven artefacten bij Meiendorf (Duitsland). De opgravingen bij Meiersdorf door de bekende Alfred Rust leverden veel artefacten op waarbij een deel nog gevat was in stukken bot of gewei.
Siebenga dateerde een deel van de gevonden artefacten bij de Blauwe Dobbe uit de Hambnurg cultuur. Het betrof hier een aantal stekers en werktuigen die volgens Siebenga overeenkwamen met die uit de Hamburg cultuur en die gebruikt waren om bot en gewei te bewerken. Zijn onderzoek wees uit dat het om artefacten ging die gebruikt waren in een koudere periode van het Articum meer dan 12.000 jaar geleden toen er rond Houtigehage een grote toendra lag waarom rendieren graasden.
Jagers zouden gezien andere vondsten op de vindplaats nabij de Blauwe Dobbe in opeenvolgende perioden tot na 9000 jaar geleden nog geregeld bij deze pingoruine hun jachtkamp hebben gehad getuige vondsten van artefacten uit de Ahrensburg periode en het Mesolithicum.

Een andere vindplaats was het Zwartveen ten Zuid-Oosten van de Leijen. Hier werden een groot aantal artefacten door Siebenga gevonden op een hogere rug dicht bij de Leijen. De hier gevonden artefacten vergeleek Siebenga met de artefacten uit de Maglemose cultuur.
(De Maglemose cultuur is de eerste Mesolithische cultuur in de Noordelijke helft van Europa en wordt gedateerd op 9.500  - tot 8.000 jaar geleden. Het was de cultuur van een bosjagers dioe zich langs rivieren en meren vestigden vanaf Engeland tot Zweden. Ook op de zeebodem die toen aanmerkelijk lager lag waardoor het vaste land van Engeland bereikbaar was,  leefden deze jagers.) 
Een opgraving ter plaatse leverde meer dan 70.000 stukken en stukjes vuursteen op.  3000 stukken hadden bewerkingssporen, hiervan maakten 300 microlithen deel uit. Bijzonder was dat bij de opgraving niet alleen stukjes houtskool werden uitgezeefd maar ook een hoeveelheid verkoolde doppen van hazelnoten. Een groot aantal kernbijlen die bij de opgraving gevonden werden lieten duidelijke slijpsporen zien. Siebenga trok uit de slijpsporen op de artefacten de conclusie dat deze bijlen geschacht waren geweest in stukken gewei of bot.

Een leuke bijdrage leverde Johannes Siebenga in de jaren van de tweede wereldoorlog ter gelegenheid van het 300 jarig bestaan van Drachten. In dit jubileum boekje met de titel "Overzicht van de voorgeschiedenis van de gemeente Smallingerland" geeft Siebenga een overzicht van de vroege geschiedenis van Smallingerland en wat belangrijkers is, beschrijft naar aanleiding van archeologische vondsten in het gemeentelijke gebied, de prehistorische culturen. Het boekje illustreerd Siebenga zelf met een aantal tekeningen van artefacten uit de steentijd die door hem zijn opgegraven op een aantal plaatsen in zijn gemeente. Een paar jaar na de uitgifte van de eerste druk verschijnt een tweede druk van het boekje waarin Siebenga een aantal correcties plaatst op de eerste druk en een aantal nieuwe vondsten en nieuwe sites beschrijft. Hij besluit het boekje met dat uit zijn onderzoekingen is gebleken dat de zandgronden in Oost Friesland vrijwel onafgebroken bewoond zijn geweest vanaf de koude periode van de Weichselijstijd tot op de dag van heden.


Hein van der Vliet.

Eén enkele vondst kan de naam van een amateur archeoloog voor altijd verbinden aan de steentijd. Hein van der Vliet de dorpstimmerman van Wijnjeterp, had naast zijn timmermansvak een grote hobby en dat was de acreheologie. In 1939 vond Hein van der Vliet onder Wijnjeterp een vuistbijl. Hoewel hij zeker van zijn vondst was lukte het in eerste instantie niet om anderen daarvan te overtuigen. De Opeinder huisarts en amateur archeoloog Johannes Siebenga, die naam had in archeologische kringen, deed de vuistbijl af als een vuursteen splijtstuk. Daarna kwam er nog een actie uit onverwachte hoek. De conservator van het Drachtster museum Wouter van der Horst had van anderen gehoord dat niet Hein van der Vliet, maar een paar schooljongens de vuistbijl hadden gevonden en deze hadden overgedragen aan Hein ven der Vliet. Een affaire die jarenlang door sudderde totdat de conservator van het Fries museum, Evert Kramer en amateur archeoloog Lammert Postma, een diepgaand onderzoek instelden en tot de conclusie kwamen dat alleen Hein van der Vliet de echter vinder van de vuistbijl kon zijn. Pas in 1956 werd de vuistbijl ook erkend door de gevestigde archeologen en sindsdien prijkt dit prachtige midden paleolitische werktuig in het museum in Gorredijk

 

 

 

 

 

 

Bronnen.

 

Henstra K.R. - Pieter Mudstra.

Klok R.H.J. - Hunebedden in Nederland

Neste T. van - Neolithisatie van de Benelux.

Raemaekers D.C.M.- Het vroeg- en midden Neolithicum in noord- midden- en west Nederland.

Vries Oebele - Archeoforum Johannes Minnema.

Copyright © 2011 Archeoweb | Ontwerp en advies Jongsma Automatisering | Powered by WebsiteBaker

Total visitors: 77,697
Visitors today: 26
Visitors yesterday: 44
Max. visitors per day: 383
Currently online: 1
Max. online: 29
Total page views: 268,265
Page views of this page: 2,282
counter   Statistics