Steentijd archeologie

Ontdekkingsreis door de prehistorie

Archeologen en amateur archeologen uit Noord Nederland

In deze rubriek wordt aandacht geschonken aan de archeologen en amateur archeologen die een bijdrage hebben geleverd aan de geschiedenis van de prehistorie in Noord Nederland. Voor een aantal daarvan geldt dat ze niet alleen belangrijke vondsten uit de steentijd hebben opgegraven of gevonden maar ook dat ze middels geschreven artikelen een bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van de prehistorische geschiedenis in Noord Nederland. Een groot aantal van deze archeologen en amateur archeologen heeft ook een bijdrage geleverd aan het IJstijdenmuseum door collecties of delen daarvan beschikbaar te stellen voor de exposities in het museum. In het IJstijdenmuseum wordt daarom ook in een galerij aandacht geschonken aan deze archeologen en amateur archeologen.

   



Terug naar boven
 

Johan Christiaan - Assien - Bohmers  1912 - 1988.

 

Bohmers werd geboren in Harlingen. Na het doorlopen van de HBS studeerde Bohmers geologie aan de Universiteit van Amsterdam. Tijdens zijn studie in Amsterdam werd hij lid van de jongerenorganisatie van de SDAP. In Amsterdam leerde hij Wijtske Hofstra uit Ureterp kennen en met haar woonde hij op kamers in Amsterdam. Het overlijden van Wytske en haar zoontje in het kraambed in 1932 was voor Bohmers een verlies dat hij een heel leven mee zou dragen. Hij pakte zijn studie daarna weer open promoveerde in 1937 op een proefschrift over uitstervende inktvissoorten. In hetzelfde jaar sluit Bohmers zich aan bij de aan de SS gelieerde organisatie Ahnenerbe. Het leverde Bohmers goede contacten op met de leider van Ahnenerbe, Wolfram Sievers en via Sievers kwam Bohmers ook in contact met de SS leider Heinrich Himmler.

Door deze contacten gelukte het Bohmers om bij archeologische onderzoeken leiding te geven aan een opgraving in de Mauerngrotten in in het Juragebergte. Bij deze opgraving werd onderzoek gedaan naar Neanderthalers die gebruik hadden gemaakt van deze grotten en daarin veel sporen hadden achtergelaten. In de grot werden bij dit onderzoek overblijfselen van Neanderthalers, een skelet van een mammoet maar ook werktuigen zoals speren opgegraven en konden een graveernaald en een ivoren hanger worden veilig gesteld. Bohmers linkte de gevonden speren in de grot aan de Cro-Magnon mens die zo omschreef hij de grot ongeveer 70.000 jaar geleden de grot hadden verlaten toen de Neanderthalers deze in bezit namen.Voor Bohmers een onderzoek waarbij hij niet alleen veel ervaring op het gebied van archeologie zou opdoen maar ook naam kreeg door zijn onderzoek.

Met de resultaten van het grotonderzoek naar de Cro-Magnon mens hield Bohmers lezingen op internationale podia en richtte hij exposities in. In Nederland, België en Frankrijk trokken zijn exposities veel publiek. Het bracht hem ook in contact met de Frans wetenschapper Abbé Henri Breuil van het instituut Paléonthologie Humaine in Parijs, die in Frankrijk maar ook daar buiten grotonderzoek deed naar schilderingen. Hij nam Bohmers mee naar de grotten van Lafond de Gaume waarin een onderzoek naar wandschilderingen van de Cro-Magnonmens plaats vond. Bohmers verhuisde in verband met zijn onderzoeken naar het Franse Le Trois-Fréres

Zijn bekendheid en onderzoeken leidden er toe dat Bohmers in 1941 als archeoloog werd aangesteld bij de Rijksuniversiteit te Groningen. In 1942 werd hij aangezocht om archeologisch onderzoek te doen in het Tsjechische Dolni Vestonice. Hier was eerder een groot onderzoek begonnen maar door de tweede wereldoorlog was het onderzoek tot stilstand gekomen. Bohmers zocht medewerkers voor dit onderzoek in Dolni Vestonice en stelde een aantal Friezen aan om hem bij dat archeologisch onderzoek bij te staan. Als eerste werd de uit Westergeest afkomstige Johannes Minnema aangesteld en deze kreeg tot taak om de artefacten die bij het onderzoek naar boven kwamen te tekenen. Verder hielpen bij deze opgraving de broers Kees en Johannes Groenwoud uit Akkerwoude, Pieter Mudstra uit Suameer, Romke Postma uit Roodkerk en Andries van der Veen uit Westergeest.

Johannes Minnema maakte deze foto van de Friese handlangers bij de opgraving in Dolci Vestonice in Tsjechië.

Vanaf eind 1942 deed Bohmers een onderzoek op een archeologische site in Ureterp. Pieter Mudstra die ook betrokken was bij de opgravingen in Dolci Vestonice in Tsjechië zette Bohmers op het spoor van een archeologische site onder Ureterp. Hoewel in eerste instantie deze site door Bohmers werd gesitueerd dat deze lag bij de Prinsendobbe onder Ureterp, bleek later dat de site ongeveer 600 meter verderop aan de Meskerdyk lag. Vermoedelijk wilde Bohmers de site beschermen tegen ongewenst bezoek tijdens de opgravingen en daarvoor een andere locatie bij de Prinsendobbe heeft aangegeven. Met Pieter Mudstra en een zoon van de noaris Peereboom uit Buitenpost, het dorp waar Bohmers inmiddels woonde, kon hij hier een onderzoek starten en een opgraving doen die later bekend werd als één van de belangrijkste opgravingen van de Hamburgcultuur in Nederland. Tijdens de opgravingen onder Ureterp werden er 5408 artefacten veilig gesteld. Van dit aantal werden er 1360 aangemerkt als werktuigen uit de Hamburgcultuur. Voor het gedenkboek van Albert Egges van Giffen - Oudheidkundig bodemonderzoek in Nederland - heeft Bohmers een indrukwekkend hoofdstuk over de jong paleolithische culturen en beschrijft daarin onder anderen de opgraving te Ureterp. Aan het hoofstuk zijn een aantal bladzijden met tekeningen van artefacten bijgevoegd. De tekeningen zijn door Bohmers eigenhandig gemaakt. Deze bijdrage geeft aan dat Bohmers over een grote kennis beschikte van het jong paleolithicum in Nederland.

Door Assien Bohmers getekende artefacten - klingschrabbers - van de opgraving onder Ureterp.

Bohmers geeft in het jubileum boek gedetailleerde beschrijvingen van de vondsten die de Hamburgsite Ureterp opleverde. Kerfspitsen, stekers, boren, schrabbers en klingschrabbers worden tot in detail beschreven. Ook hier blijkt een stuk deskundigheid van de archeoloog Bohmers. Ook in het hoofdstuk een prachtige vergelijking die Bohmers trekt met de opgravingen in het Duitse Meiendorf door de bekende Alfred Rust.  Hij schrijft: "Wanneer wij Ureterp willen vergelijken met andere vindplaatsen van dezelfde groep, komt hiervoor in de eerste plaats Meiendorf in aanmerking. De getalsverhoudingen van de werktuigen der verschillende vindplaatsen worden weergegeven. Er werden in Ureterp 1007 bewerkte stukken geteld tegen 979 in Meiendorf. Meiendorf heeft 245 klingentegen Ureterp 361; Meiendorf heeft 2698 afvalstukken tegen Ureterp 5296." Het lijkt een beetje tegen elkaar opbieden bij deze zinsnede van Bohmers.

In het jubileumboek gaat Bohmers ook nog in op de Tjongercultuur. Bohmers beschrijft dat Hendrik Jan Popping in 1933 en in 1934 een aantal vindplaatsen in Friesland aan de Kuinder had omschreven als Kuiderculturen. Enige jaren later zou ook de Duitse archeoloog H.Schwabedissen, waarmee Bohmers regelmatig contact had, een soortgelijke cultuur hebben ontdekt en beschreven. Bohmers schrijft: "Korte tijd na Schwabedissen heeft schrijver deze cultuurgroep, onafhankelijk van hem, in Friesland nogmaals vastgesteld.  Het blijkt, dat hiertoe voornamelijk de door Popping als "Kuinderculturen" beschreven vindplaatsen behoren"  Bohmers stelt in zijn bijdrage in het jubileumboek voor om de "kuindercultuur" te veranderen in  Tjongercultuur omdat de "ui"in kuinder moeilijk uit te spreken zou zijn in andere talen. Ook hier doet blijken dat Bohmers over een grote kennis over de steentijd beschikte en dat enige eerzucht Bohmers niet vreemd was

Aan het einde van de tweede wereldoorlog, na de bevrijding, werd Bohmers ondervraagd over zijn positie en zijn werk in de Duitse Ahnenerbe door de Canadese Inlichtingendienst. Hij woonde toen inmiddels in Buitenpost en was negen maanden gevangen. Het onderzoek leide niet tot een aanklacht tegen Bohmers en Bohmers ging daarop verder als geoloog en docent aan de Rijks Universiteit in Groningen. Het verleden in Abenerbe had echter wel gevolgen voor de verdere carriëre van Bohmers. In 1954 werd niet hij maar Tjalling Waterbolk hoogleraar en directeur fan het archeologisch instituut van de universiteit. De rol van Bohmers in de Nederlandse steentijd archeologie was daarmee beperkter geworden.

 

 

Bronnen: 

Dr. A Bohmers; Prof. H.Tj Waterbolk en anderen. - Oudheidkundig onderzoek in Nederland 

Nederlandse prehistorici en het vooroorlogse national - socialisme.



Terug naar boven
 

Binne en Grietje van den Burg

(Binne:  1921 - †2010)

Binne en Grietje moeten in één adem worden genoemd. Dit echtbaar is zeer actief geweest in de archeologie. Al voor de tweede wereldoorlog leerde de bekende amateur archeoloog Pieter Horjus uit Oostermeer, Binne de eerste beginselen over de steentijd archeologie. Daarmee was bij Binne de kiem gelegd voor zijn latere zoektochten naar artefacten in de Friese wouden. Toen hij zijn latere vrouw Grietje ontmoette raakte die ook met het archeologische virus besmet. Al snel waren ze samen op zoektocht waarbij voor hun het gebied rondom het Âld Djip onder Ureterp en Bakkeveen hun zoekgebied werd. Op tientallen plaatsen in dat gebied vonden zij artefacten die later tot een indrukwekkende verzameling uit zou groeien. Later werden ook hun kinderen bij de zoektochten betrokken en samen met Tineke, Rinie en Roel ondernamen ze vanaf die tijd de zoektochten in het gebied.

Eind vijftiger jaren begon men in Opsterland met een grote ruilverkaveling. Daarbij werd heel wat grond verzet. Er werden sloten gegraven en  werden percelen land afgegraven. Het was voor hun een gouden tijd. Aan de boorden van het Âld Djip vonden ze een site waarop ze veel vondsten deden uit de Hamburgcultuur. Prachtige Hamburg spitsen, krombekstekers, steelschrabbers en boren, stuk voor stuk schitterende artefacten van een vuursteensmid en jager/verzamelaar uit de Hamburg cultuur. De Hamburgsite onder Bakkeveen is een prachtig bewijs van een kamp van de Hamburgjagers dat op die plaats ooit een uitvalsbasis is geweest voor het jagen op rendieren die daar toen over de open vlaktes trokken.

Rivierdal van het Âld Djip.

Niet alleen werden door Binne en Grietje sites van Hamburg jagers ontdekt. In het gebied rond het beekje het Âld Djip, dat in het verre verleden een bredere rivier is geweest die voor de afvoer van het water zorgde, leefden in de prehistorie mensen uit een aantal culturen. Dat is ook te herleiden uit de vondsten van culturen die na de Hamburg jagers steeds weer het gebied aan deze stroom opzochten. In de rijke verzamelingen van Binne en Grietje zien we dat ook terug in artefacten uit het Meslolithicum, het Neolithicum en de Bronstijd. Binne van der Brug en Grietje van der Burg zijn van grote waarde geweest voor het onderzoek naar de prehistorische geschiedenis van het gebied onder Ureterp en Bakkeveen. Hun eerste kennis haalden ze bij Pieter Horjus maar later was hun vraagbaak de bekende amateur archeoloog en schoolmeester Piet Houtsma uit Waskemeer. Samen met Houtsma hebben ze een aantal sites in het gebied opgegraven. Alle artefacten die ze op hun zoektochten verzamelden zijn op een vakkundige wijze geregistreerd. Daarbij gebruikten ze ook kaarten van het gebied waarop de sites nauwkeurig werden ingetekend. Een deel van hun enorme verzameling artefacten is toegevoegd aan de verzamelingen van het Fries museum. Een ander deel is in bruikleen bij het IJstijdenmuseum in Buitenpost en wordt daar geëxposeerd.

Deel van de in het IJstijdenmuseum Buitenpost geexposeerde Hamburg artefacten fam. Van der Brug

Het werd al vermeld dat Binne en Grietje hun kinderen Tineke, Rinie en Roel, altijd nauw betrokken bij hun archeologische hobby. Zij hebben dan ook het zoekwerk van hun ouders voortgezet en worden in deze rubriek nog afzonderlijk genoemd.



Terug naar boven
 

Tjitte Douma

Tjitte Douma, geboren te Wommels op 24 januari 1924 was werkzaam in de ruilverkavelingen in Fryslân. Via de familie van der Brug uit Selmien onder Drachten en zijn echtgenote Maaike Adema, (23-6-1926....5-2-2011 ) raakte hij verknocht aan de steentijd archeologie. Zijn zoekgebied in Fryslân was voor het grootste deel gericht op de landerijen tussen Bakkeveen en Beetsterzwaag, het gebied het oude stroomdal van de Boorne of het Âld Djip.

De Hamburg cultuur en de Creswell cultuur in de collecties van Tjitte Douma zijn zeer bijzonder met onder anderen een rijke verzameling van één van de bekende site's aan de Boorne onder Siegerwoude. Niet alleen deze jong paleolitische culturen zijn in zijn collecties terug te vinden maar ook uit de andere culturen zoals het Mesolithicum, het Neolithicum en de Bronstijd zijn prachtige artefacten uit het stroomdal van de Boorne in de collecties van Douma aanwezig.

Niet de artefacten alleen zijn interessant voor Douma maar veel meer het verhaal achter de artefacten. De ontwikkeling van de mensen in de steentijd en de wijze van het ontwerpen en maken van stenen werktuigen zijn interessant in de ogen van Douma. Hij volgt dan ook alle wetenschappelijke onderzoeken. 

 

In de vitrinekast in de gang bij Douma liggen de gevonden artefacten keurig gerangschikt

Na zijn pensionering in 1985 heeft Tjitte Douma met echtgenote Maaike Adema veel gereisd en daarbij speelde de archeologie en de geologie een grote rol. De tastbare resultaten zijn terug te vinden in de collecties artefacten, mineralen en fossielen uit bv. Frankrijk, Belgié, Denemarken maar ook uit bv Australië.



Terug naar boven
 

Gerrit Elzinga

Dit artikel is ter beschikking gesteld door de "De Vrije Fries"

Eigen koers langs kans en overmacht Gerrit Elzinga

als provinciaal-archeoloog van Friesland 1959-1988

door EVERT KRAMER EN GILLES DE LANGEN

Op 8 mei 2017 is in zijn woonplaats Goutum Gerrit Elzinga overleden, voormalig boegbeeld van de Friese archeologie. Elzinga, die bijna 94 jaar geworden is, was van 1959 tot 1988 provinciaal archeoloog van Friesland en heeft, vooral dankzij zijn specifieke taakopvatting, tomeloze werkdrift en niet te vergeten zijn publieke optreden, in die functie bijzonder veel betekend voor de Friese archeologie. Gerrit Elzinga, geboren in Amsterdam op 10 juni 1923, volgde van 1940 tot 1943 een opleiding aan de middelbare tuinbouwschool te Boskoop.

Na de oorlog was hij verbonden aan het Instituut voor de Veredeling van Tuinbouwgewassen te Wageningen. De archeologische voorwerpen die Elzinga tijdens zijn werk in de proeftuinen bij Elst opraapte deden hem al snel een nieuw pad inslaan, een pad dat hij zijn verdere werkzame leven zonder aflatende geestdrift heeft bewandeld. Ook na zijn pensionering liet de archeologie hem niet los. Zo bleef hij tot op hoge leeftijd de Friese amateurarcheologie begeleiden en volgen.(1) Hij toonde zich een trouw bezoeker van de open dagen die gehouden werden tijdens de jongste terpopgravingen door het Terpencentrum van het Groninger Instituut voor Archeologie.

Jaren na zijn vertrek bij het Fries Museum was hij nog als vrijwilliger verbonden aan het Hannemahuis in Harlingen en ook als numismaat bleef hij actief. Nauwelijks met pensioen stond hij als secretaris van de Numismatische Kring Friesland ‘Mr. Jacob Dirks’ alweer in de Leeuwarder Courant (afb. 1), een podium dat hij als provinciaal archeoloog zo vaak betreden had.

Oudere leden van het Koninklijk Fries Genootschap zullen zich Elzinga herinneren als dé reisleider van de jaarlijkse, gedegen      voorbereide soms meerdaagse excursies in binnen- en buitenland, eveneens een rol die hij tot na zijn pensionering bleef  vervullen.

 

 

 

 1. Als numismaat bleef Elzinga ook na zijn pensionering een grote afkeer houden van schatzoekers, omdat hij de Friese bodemschatten als publiek erfgoed beschouwde. Foto: Wietze Landman,   Leeuwarder Courant 17-12-1988

Nieuw werkveld afgepaald

De eerste vondsten in de Betuwe waren de opmaat tot het doen van archeologische waarnemingen in het tijdens de oorlog getroffen gebied en deze brachten Elzinga vervolgens tot het inrichten van een archeologische presentatie over de geschiedenis van Wageningen. Elzinga’s heroriëntatie kreeg al in 1950 (Openings toespraak archeologische afdeling 29-04-1950 Elzinga) zijn beslag met zijn benoeming tot conservator van de Gelderse Archeologische Stichting in welke hoedanigheid hij was verbonden aan het Gemeentemuseum Arnhem, een functie die hij tot 1959 zou bekleden.

Ondertussen waren in diezelfde jaren in archeologisch Friesland zaken aan het veranderen. Mr. P.C.J.A. Boeles, de grote drijvende kracht achter de vooroorlogse Friese archeologie had in december 1950 na een geruchtmakende affaire zijn taken op het Fries Museum, toen nog van het Fries Genootschap, moeten neerleggen.(2) Daarna vielen de archeologische en numismatische afdelingen onder de verantwoording van het gehele bestuur.(3) Feitelijk werd zijn functie voor de archeologie waargenomen door de historicus-archeoloog Herre H. Halbertsma, bestuurslid van het Genootschap.

Deze was weliswaar verbonden aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB, nu de RCE) te Amersfoort, maar nog veelvuldig in Friesland aanwezig, onder meer ook als conservator van het Scheepvaartmuseum in Sneek. Hij was het die samen met prof. dr. H. Tjalling Waterbolk bij directeur dr. Abraham Wassenbergh van het Fries Museum pleitte voor een voltijds aanstelling van een provinciaal-archeoloog, een die zowel in Leeuwarden aan het Fries Museum als in Groningen aan het Biologisch-Archaeologisch Instituut (BAI later opgegaan in het Groninger Instituut voor Archeologie) van de Rijksuniversiteit Groningen verbonden zou zijn, dat wil zeggen volgens een personele unie die ook voor de archeologen van het Groninger en Drents Museum gold.

Het was een constructie die alleen in Noord-Nederland tot stand kwam: elders waren de provinciaal archeologen verbonden aan de ROB. De nieuwe provinciaal archeoloog moest dus balanceren tussen de belangen van twee werkgevers en over een flinke dosis energie beschikken, wilde hij geen van beide partijen teleurstellen. Het zal in dat besef zijn geweest dat besloten werd in deze uitdagende dubbelfunctie de toen 36-jarige Elzinga te benoemen, zulks op aanbeveling van Halbertsma wie de Arnhemse conservator was opgevallen tijdens bijeenkomsten van de archeologische correspondenten van de ROB.

De komst van de nieuwe archeoloog betekende hoe dan ook een breuk met het verleden. Na de Eerste Wereldoorlog hadden Genootschap en Museum zich geconcentreerd op passieve uitbreiding, beheer en tentoonstelling van de collectie. In het veld hadden zij geen archeologische activiteiten ontplooid. Sinds de actieve begeleiding van de commerciële terpafgravingen door prof. dr. Albert E. van Giffen en diens medewerkers van het BAI was overgenomen, was er van enig veldwerk door Genootschap en Museum geen sprake meer geweest. Dat had men trouwens ook nauwelijks kunnen verwachten. Boeles was immers werkzaam op de Leeuwarder rechtbank en kon niet ook nog het veld in. Men mocht (en het nageslacht mag) meer dan tevreden zijn met diens bijdragen aan collectiebeheer, tentoonstellingen en vooral met diens synthetiserende wetenschappelijke werk waarvan het peil mijlenver hoger lag dan van het werk van de liefhebber, die Boeles toch feitelijk was, verwacht had mogen worden.(4)

Het lag mede gezien die prestaties (en de activiteiten van het bestuur tussen 1951 en 1959, waarover straks meer) niet voor de hand dat Elzinga nu gelijk tentoonstellingen en synthese centraal zou stellen. Met zijn voltijds-aanstelling en de Groninger ruggensteun lag het veel meer voor de hand dat de nieuwe archeoloog de schep zou gaan hanteren en actief de nieuwe collectie zou gaan uitbreiden, en daarnaast de oude beter toegankelijker zou maken. Tijdens en na de oorlog hadden de Groninger archeologen ingezet op twee nieuwe doelen: inventarisatie van het bodemarchief en een nieuwe grootschalige terpopgraving. In de oorlogsjaren begon Halbertsma, toen nog verbonden aan het BAI, aan het in kaart brengen van de terpen en wierden van Noord-Nederland. In de jaren erna zou Halbertsma zijn meesterproef afleggen met de voltooiing van zijn terpenatlas met toelichtende tekst, die in 1963 door de Vereniging voor terpenonderzoek werd uitgebracht.(5)

Daarnaast zou hij vanuit Amersfoort weldra zijn kerkenonderzoek oppakken. Van Giffen op zijn beurt deed enkele proefopgravingen om te zien of het succes van de opgravingen in Ezinge en Leens in Friesland kon worden herhaald. Hij zal zich na 1951 ongetwijfeld vrijer hebben gevoeld nu de invloedrijke en goed op de Friese belangen lettende Boeles het veld had moeten ruimen en wat dat aangaat waren de vooruitzichten gunstig: met de komst van de nieuwe provinciaal archeoloog die deels in eigen kring werd aangesteld, zou de Groninger invloed verzekerd zijn.

En met hun man in het veld zouden de kansen op opgravingen van wetenschappelijk betekenis significant moeten toenemen. Het was van meet af aan duidelijk dat ten behoeve van het veldwerk en de uitbreiding van de collectie het museum nadrukkelijker met de amateur-archeologie zou gaan samenwerken. Voor de tweede wereldoorlog waren het amateurs als H.J. Popping, door Elzinga aangeduid als dé promotor van de Friese prehistorische archeologie, die de teloorgang van archeologische resten als gevolg van de ontginningen aankaartten en niet alleen zelf noodopgravingen verrichtten maar ook zowel Groningen (van Giffen) als Leiden tot veldwerk overhaalden.(6)

Dergelijke verbindingslijnen moesten korter kunnen en het was een van de taken van de nieuwe provinciaal archeoloog om in het Fries Museum zoveel mogelijk vondstmeldingen en toevalsvondsten in ontvangst te nemen, de situatie in het veld te inspecteren en van de resultaten verslag te doen en bij dit alles zo optimaal mogelijk met de amateurwereld samen te werken.

Voortvarend van start

Het was tegen deze achtergrond en met deze verwachtingen dat Elzinga op 1 april 1959 in Friesland aan de slag ging. Volgens het verslag van het Fries Genootschap over 1959 was dat aan het Fries Museum als assistent ‘met de speciale opdracht, zijn zorgen aan de archeologische afdeling te wijden’. In 1960 schreef de secretaris van het genootschap dat ‘de herinventarisatie (al) ter hand genomen (was), en (dat) dank zij nieuw gelegde dan wel tot nieuw leven gebrachte contacten in de provincie, (…) voor de toekomst stellig een herleving van de belangstelling voor dit deel onzer verzamelingen (mocht) worden verwacht’.(7) Elzinga deed gelijk zelf verslag, zoals hij dat de komende jaren zou blijven doen.

Hij meldde dat hij was begonnen met het aanleggen van een kaartsysteem waarin de beschrijvingen van de voorwerpen konden worden opgesteld en ondergebracht.(8) 1959 was overigens bepaald geen ongunstig tijdstip voor de nieuwe provinciaal-archeoloog om te beginnen: het was het jaar van de Tentoonstelling ‘Van Friezen, Franken en Saksen’, een succesvolle tentoonstelling die al voor de komst van de nieuwe archeoloog was voorbereid.

Het was ook het jaar waarin de hoopvolle opgraving te Tritsum onder leiding van prof.dr. H.T. Waterbolk van start ging.(9)

Gunstig was ook dat de munt- en penningverzameling al voor zijn komst opnieuw geordend en beschreven was.

2. Als provinciaal archeoloog maakte Elzinga een vliegende start. Hier toont hij een van de vondsten die hij in 1962 deed bij een verkenning in de Bagijnesteeg in Leeuwarden. Foto: F.L. Schoustra, collectie Historisch Centrum Leeuwarden

Hiervoor had het Genootschap de hulp ingeroepen van het Koninklijk Kabinet van Munten, Penningen en Gesneden Stenen te Den Haag dat onder leiding van dr. H. Enno van Gelder tussen 1951 en 1958 de klus klaarde.(10)

En in 1953 was de archeologische tentoonstelling opgefrist met een herschikking in   moderne vitrines, zodat Elzinga op dat punt voorlopig althans evenmin zorgen had.(11) Diegenen die hun hoop hadden gevestigd op de werklust van de nieuwe archeoloog   kwamen niet bedrogen uit. Alleen al uit de literatuurlijst van Elzinga die wij ter   gelegenheid van zijn afscheid publiceerden, is af te leiden dat hij meteen vol gas gaf.(12)

Op talloze plaatsen deed hij waarnemingen (afb. 2) en het is niet vreemd dat zijn leidinggevende aan het BAI, hoogleraar-directeur Waterbolk, zich naar verluidt vol verbazing afvroeg waar Elzinga toch de tijd vandaan haalde. Welnu, dat was bijvoorbeeld uit de zaterdagen waarop hij met ‘zijn’ amateurarcheologen noodwaarnemingen deed en uit de vele zondagen waarop hij met vrouw en kinderen de talrijke monumenten voor zijn rekening nam.

Organisatie van een vondstenstroom

Al spoedig na zijn aantreden werd duidelijk dat Elzinga het belang van de amateurarcheologie erkende en zijn steentje bijdroeg aan hun organisatie. Zo was hij in 1961 betrokken bij de oprichting van de Fryske Foriening fan Amateur-Aldheidkundigen (1961-1965/1971). Vervolgens was hij mede-oprichter en secretaris van de Argeologyske Wurkgroep (1972-1982) en vanaf 1983 adviseur (en na zijn pensionering erelid) van het Argeologysk Wurkferbân van de Fryske Akademy.(13) Gedurende zijn gehele loopbaan in Friesland heeft Elzinga intensief met amateurarcheologen samengewerkt, waarbij hij hen veel gaf: veel tijd en aandacht en tijdens zijn talloze waarnemingen ook de gelegenheid om mee te graven.

Bekende amateurarcheologen als Jaap Scheffer en Hendrik de Jong deden, zoals gezegd veelal op zaterdagen, onder Elzinga’s leiding hun eerste veldervaring op. Ook de tweede auteur was een van de gelukkigen. Dankzij Elzinga mocht hij in 1979 deel uitmaken van de groep vrijwilligers die in de binnenstad van Leeuwarden de restanten van laatmiddeleeuwse houten huizen hielpen blootleggen. Overigens was Elzinga ook persoonlijk ten nauwste met de amateurwereld verbonden.

3. Gerrit Elzinga bij een opgraving in de Stûkfjilden, ten noordoosten van van Wartena (1964). Links ‘vondstenzoeker’ Pieter Mudstra, tweede van rechts Assien Bohmers van het Biologisch-Archaeologisch Instituut. Foto: Friese Koerier/Dagblad van het Noorden

Sinds 1974 was hij getrouwd met Tineke van der Brug, die van 1 september 1968 tot 1 september 1976 aan het Fries Museum verbonden was als assistente van de archeologische afdeling en waarvan de naaste familie weldra evenzeer in de ban van de prehistorie zou raken.

Het was een ieder die de Elzinga’s kende duidelijk dat hij zich voor zijn werk buiten kantooruren thuis niet hoefde te verontschuldigen. De talloze waarnemingen leidden tot een enorme toevloed aan vondsten en de aandacht die de pers aan het veldwerk besteedde stimuleerde vondstmeldingen en dus de uitbreiding van de museumcollectie eens te meer. De registratie in het veld en de verwerking in het museale depot was veel te veel voor een man alleen en het was al spoedig na zijn start dat Elzinga omzag naar de aanstelling van assistentie.

Wij bewonderen de wijze waarop Elzinga daarin slaagde. Zo wist hij voor elkaar te krijgen dat in het kader van de ruilverkavelingen, die toen volop gaande waren, de Cultuurtechnische Dienst en de provincie samen de aanstelling van een veld-assistent (ook wel de ‘vondstenzoeker’ genoemd) gingen bekostigen. Als eerste trad Pieter Mudstra aan (afb. 3), die na enige jaren dienst in 1965 werd opgevolgd door Jan Boschker. Dankzij sociale en economische regelingen werd de staf verder uitgebreid met medewerkers voor typewerk, vondstverwerking en depotbeheer en waarvan de namen Dick Visser en Klaas Bekkema de huidige generatie archeologen het meest bekend zullen zijn.

Kroon op Elzinga’s inspanningen op het vlak van personeelsbeleid was de aanstelling van een gestudeerd archeoloog, de eerste auteur, die in 1983 bij het Fries Museum in dienst trad, vanaf 1 september 1984 afdelingshoofd werd en van Elzinga veel werk kon overnemen. Voeg daarbij een tiental amateurs die ook na het veldwerk de helpende hand toestaken en het zal duidelijk zijn dat het Fries Museum meer werd dan een buitenpost van het BAI. Het museum ondersteunde de ambities van Elzinga tot op zekere hoogte.

Vooral de ruimte die directeur Wassenbergh hem de eerste jaren bood was cruciaal. Hoewel in later jaren de alsmaar uitdijende archeologische collectie stilaan ook zorgen baarde, was het anderzijds evident dat Elzinga als ambitieus conservator en de veelvuldig in het nieuws tredende veldarcheoloog het museum behalve een enorme schervenhoop ook goede publiciteit bezorgde. Hierom en ook om de intensief gevoerde correspondentie financierde het museum onder de nieuwe directeur Cees Boschma sinds 1966 secretariële ondersteuning en werd later aanvullende ruimte gehuurd voor de alsmaar grotere berg verhuisdozen en sinaasappelkistjes vol met archeologische schatten die hun weg naar de Friese hoofdstad bleven vinden. In de verslagen over 1962 en 1963 had Elzinga al melding gemaakt van een groeiende administratieve achterstand, een achterstand die in 1964 andermaal toegenomen was.(14) Secretariële ondersteuning werd nog urgenter toen Elzinga in Groningen prehistorie ging studeren.

Elzinga’s verslag over de archeologische afdeling in 1964, geschreven in 1965, was niet voor niets korter dan in voorgaande jaren. In 1965 had hij namelijk via een colloquim doctum toegang gekregen tot de opleiding waaraan hij in het academisch jaar 1965-1966 begon. De ondersteuning kwam er dus. Sinds 1 augustus 1966 fungeerde mej. M.L. Swart als assistente van de archeologische afdeling. Ze bleef een jaar.

Geen kansen missen in het veld

‘Wij hopen en verwachten dat zijn werk over enkele jaren mag leiden tot een doctoraal examen in de prehistorie’, aldus Boschma in januari 1966.(15) Het publiek maken van deze wens lijkt, zeker met de kennis van nu, welhaast een bezweringsformule die met de moed der wanhoop is toegepast.

Want waarschijnlijk was het de directeuren Boschma en Waterbolk al snel duidelijk dat de prioriteiten van de student niet bij de studie lagen. In feite had deze zijn werkwijze al gelijk bij aanvang in het museum bepaald.

 

 

4. Gerrit Elzinga in een karakteristieke pose. Voor Elzinga was het bereiken van het grote publiek erg belangrijk, bijvoorbeeld door bezoekers van een van zijn vele opgravingen te informeren over de vondsten. Foto: S. Andringa, collectie Tresoar

Hij zou de collectie op orde brengen, tijdelijke tentoonstellingen inrichten, zijn vak bij zijn mede-Friezen brengen en vooral het veld in gaan om noodwaarnemingen te doen en vondsten in te zamelen. Elzinga voltooide zijn studie dan ook niet. Wetenschappelijk werk mocht niet leiden tot gemiste kansen voor bescherming in situ èn ex situ. Het is kenmerkend voor zijn intenties hoe snel na de dip in 1965 zijn jaarverslagen weer hun oude vorm en inhoud kregen. Natuurlijk verzuimde Elzinga niet om na het aantreden van zijn secretaresse onmiddellijk te beklemtonen dat zijn depotruimte vol was.

Toch was Elzinga nog niet geheel tevreden toen hij ook zijn depotbeheer geregeld had. Hoezeer hij van Boeles afweek, hij had met hem gemeen dat hij goed op de Friese zaak lette, wanneer universitaire archeologen zijn territorium betraden.

Het kan niet anders of hij moet zich aan zijn grote voorganger gespiegeld hebben. Misschien was het behalve om zijn eigen interesse in de munt- en penningkunde ook vanwege het feit dat Boeles naast een vooraanstaand archeoloog ook een bekend numismaat was geweest, dat Elzinga uitgesproken en vasthoudend wenste dat zijn takenpakket met het beheer van de munten- en penningenverzamelingen werd uitgebreid of anders dat deze taak verder werd verbijzonderd, dat deze rol ook meer cachet kreeg en dat de munten en penningen een ruimer publiek verwierven.(16)

Hij kreeg ook nu weer zijn zin: in 1972 werd in Franeker het Fries Munt- en Penningkabinet voor het publiek opengesteld. Sinds de opening zou Elzinga er jaarlijks presentaties inrichten.(17) Vanaf dat jaar zou hij er ook apart verslag over doen. Bij het beheer van het kabinet kreeg Elzinga jaren later ondersteuning van Gerben Mensonides, totdat deze in 1984 het beheer volledig overnam. De Friese kranten brengen graag archeologisch nieuws bij hun lezers. Het is de verdienste van Gerrit Elzinga geweest deze interesse bij hen te wekken en te onderhouden. Door met zijn werk onderwerp te zijn van honderden krantenberichten bouwde hij een grote naamsbekendheid op die tot vele jaren na zijn pensionering stand hield.

Dat was ook een effect van de vele lezingen die hij door de hele provincie verzorgde. Men zou met niet eens zo’n grote mate van overdrijving kunnen stellen dat hij in elk dorp wel een diavoorstelling heeft gegeven, op een avond wel te verstaan. Elzinga begreep dat de archeologie een wankele basis had en dat publieke belangstelling een flinke steun in de rug betekende bij onderhandelingen over noodopgravingen en financiële armslag. Zijn belangrijkste doel lag echter in een verder verschiet en dat was het vergroten van het draagvlak voor de archeologische monumentenzorg. Het is op dit vlak dat Elzinga een van zijn grootste bijdragen leverde.

Beschermen of opgraven

Heel concreet was zijn werk voor de monumentenzorg ook. Niet alleen deed bij aan wat we nu bescherming ex situ zouden noemen, maar werkte hij ook aan een heel concreet handvat voor de bescherming in situ en wel door samen met Redmer Klok van de ROB de belangrijkste archeologische terreinen op een kaart te plaatsen. Deze Inventarisatie (vaker aangeduid als de Archeologische Monumentenkaart van Friesland) kwam in 1984 uit als vierdelige kaart die samen met een toelichting in een cassette verpakt zijn weg vond naar de Friese overheden.

5. Een van Elzinga’s belangrijkste onderzoeken betrof de opgraving van een urnenveld te Oosterwolde in 1974. Om zijn opgravingsresultaten te illustreren heeft Elzinga een urnengraf met kringgreppel laten namaken. Foto: collectie Fries Museum, Leeuwarden

Veel later diende deze kaart als uitgangspunt voor de huidige archeologische beleidskaart, de digitale FAMKE, te raadplegen op de provinciale website.(18) Met de monumentenwet van 1961 als steun poogde Elzinga archeologisch waardevolle terreinen zoveel mogelijk ongeschonden te laten of anders noodwaarnemingen te (laten) doen. Een goede uitgangspositie voor gravend onderzoek was nog niet zo vanzelfsprekend als die nu is. Er was bijvoorbeeld van voorbereidend booronderzoek en eigen opgravingsgeld nog geen sprake, laat staan dat het principe ‘de verstoorder betaalt’ wettelijk verankerd was.

Of er überhaupt kansrijk gravend onderzoek kon worden uitgevoerd was afhankelijk van de overredingskracht, de bluf, het informantennetwerk, de expertise, het organisatievermogen en het geluk van de provinciaal archeoloog en zijn medewerkers. Welnu, wie de complete lijst van opgravingen tussen 1959 en 1988 in ogenschouw neemt, beseft dat het bij Elzinga met de genoemde kwaliteiten wel goed zat. Wanneer we ons beperken tot de opgravingen waaraan Elzinga zelf leiding gaf, komen we tot de volgende top 20:

Sneek (1961)(19); Leeuwarden-Minnemastraat (1962); Wijnjeterp (1962); Stavoren (1962; in 1963 voortgezet en opgeschaald door H. Halbertsma); Warstiens (1965); Foudgum (voorbereid door Elzinga tenslotte uitgevoerd o.l.v. van H.T. Waterbolk, 1966); Terschelling - het Strieper Kerkhof op (1966-68 en 1970)(20); Drachten (1970, Zuider-Drachten); Hollum, Ameland (1970); Kolderwolde (1971); Oosterwolde (1971, urnenveld; afb. 5)(21); Britswerd (1974); Hardegarijp (1974); Kloesewier (1976); Leeuwarden-Gouverneursplein (voorbereidende fase, 1979); Smalle Ee (1980; afb. 6); Oosterwolde-Jardinga (1981); Warga (1983); Leeuwarden-Minnemastraat (1984); Oldeboorn (1984) en Siegerswoude-Voorwerk (samen met de AWN, 1984-85).

De perioden van onderzoek lopen uiteen van Jong-Paleolithicum tot late middeleeuwen. Met deze onderzoeken van enige omvang zette Elzinga met name belangrijke stappen in de studie naar de Friese veenontginningen, kerkenbouw en stadsontwikkeling. Wanneer we de vele kleinere waarnemingen ook in ogenschouw nemen tellen we graag daarbij de toegenomen kennis van de stinzen en de verspreiding van de steentijdnederzettingen. Daarnaast maakten Elzinga en zijn team ook opgravingen van anderen mogelijk, niet alleen door de vindplaats te ontdekken of door ondersteuning te bieden in het veld, maar ook door het voeren van de soms moeizame onderhandelingen vooraf. Hierboven noemden we al de opgravingen in Stavoren, Foudgum

en Leeuwarden-Gouverneursplein, maar daar kunnen tal van belangrijke waarnemingen door anderen aan worden toegevoegd, waarvan we slechts een paar opvoeren: Oldeholtwolde (ontdekt door Jan Boschker, opgegraven door Dick Stapert in 1980-81), Oldeboorn (ontdekt door Jan Boschker, opgegraven door Harry Fokkens en Jan Lanting in 1980) of Leeuwarden-Speelmansstraat (opgegraven door Piet Kooi in 1982). Om nog maar te zwijgen van de waarnemingen die het team van het Fries Museum zelfstandig uitvoerde, iets wat vaker voorkwam na 1983 toen de eerste schrijver van dit stuk bij het museum kwam werken en Elzinga zich meer kon gaan wijden aan de uitwerking van oud onderzoek. (afb. 7).

6. “Provinciaal archeoloog Gerrit Elzinga (met meetstok) wijst de sporen aan, die men bij Smalle Ee heeft gevonden. Op de voorgrond een skelet.” Aldus het bijschrift bij deze foto uit 1980, toen de naam Gerrit Elzinga een begrip geworden was. Foto: Leeuwarder Courant

De kosten van een eigen keuze

Dat hem begin jaren tachtig werk uit handen werd genomen was wel nodig, want er lag een geweldige berg achterstallig werk te wachten. Men hoopte dat de provinciaal archeoloog nu toch serieus zou beginnen met het uitwerken van zijn opgravingen. Toch slaagde Elzinga daar niet in, gewoonweg omdat er toch nog teveel andere zaken overbleven. Zo bleef hij wel degelijk publicitair actief, waarbij hij behalve de krant vooral het Fries Museum Bulletin als podium benutte. En in 1985 richtte Elzinga de tentoonstelling ‘Laag voor laag’ in, waarbij hij een overzicht gaf van zijn werk in de Leeuwarder binnenstad.

 

7. Elzinga werkte altijd samen met amateurarcheologen en de groep medewerkers die hij op het Fries Museum had weten op te bouwen. Hier poseren de deelnemers van een onderzoek aan de Droevendal in Leeuwarden (1984). Foto: Frans Andringa, Friesch Dagblad

Zeker heeft hij te lijden gehad onder de gevolgen van een ongeluk in 1984 waarbij hij met fiets en al door een automobilist werd geschept en waarvan hij geruime tijd moest herstellen.

Deze pech, zijn overgebleven werkzaamheden en ook dat deel van het veldwerk waaraan hij toch vasthield waren er debet aan dat de opgravingen niet werden gepubliceerd. Maar het lijkt ons ook dat hij niet echt meer de lust kon opbrengen om zich werkelijk te zetten tot het maken van de definitieve rapportages waarnaar hij in zijn jaarverslagen zo dikwijls had verwezen.

Ons is die houding begrijpelijk. Al in 1969 had hij omschreven waartegen hij had moeten opboksen: ‘het aantal snel en gelijktijdig werkende graafmachines is op het ogenblik zo groot en over zo grote afstanden in Friesland verspreid, dat soms op één dag een belangrijk terrein wordt vernield of zodanig beschadigd dat een nader onderzoek nauwelijks meer de moeite loont’.(22) Het waren geen luchtspiegelingen, geen draaiende windmolens die hij bij vergissing voor de vijand hield, want de aanslag op de Friese schatten was maar al te werkelijk. Met de respons van de provinciaal archeoloog op deze dreiging was het misschien anders gesteld. Alsof er geen sprake was van een geweldige overmacht heeft Elzinga zich aangegord en is hij een welhaast epische strijd aangegaan, zonder zich al te veel te bekommeren om dekking of aan- en afvoerlijnen.

De toegepaste tactiek was onder de omstandigheden beslist niet hopeloos, gezien bovengenoemde successen, maar evenmin zonder gevaar. Aanvankelijk stond Elzinga alleen en misschien stond ook zijn zelfgekozen doel uiteindelijk te ver af van wat zijn beide directeuren wensten. Zoveel collectie en waarneming was nu ook weer niet de bedoeling. Zij bleven hem wel steunen, maar beschikten niet over de middelen om hem dat te bieden wat Elzinga hen vroeg. Daarbij voldeden de depotruimten niet altijd aan de eisen en moest Elzinga zijn personele ondersteuning zelf inwerken en mede daarom extra lijden onder een hoog personeelsverloop.(23) Misschien was het verstandiger geweest wanneer hij in het veld meer kansen onbenut had gelaten en zichzelf wat meer had ontzien, want zijn drift tot waarnemen en verzamelen trok bij tijd en wijle ook een wissel op hemzelf. Een eenzame strijd wordt niet licht gewonnen.

Al vroeg moet Elzinga hebben ingezien dat aan zijn keuze ook een inhoudelijk prijskaartje hing. In 1973 schrijft hij in De Vrije Fries over de archeologische inzichten van Wopke Eekhoff, die hij neerzet als een sleutelfiguur met tal van kwaliteiten en succes, toch ook: ‘De potentie tot baanbrekend werk is ons inziens wel aanwezig geweest (..). Een teveel aan andere belangstelling (..) heeft echter verhinderd tot een eigen visie te komen’.(24) En dat was nota bene vlak nadat hij zelf zijn eigen opdracht met geïntensiveerde numismatische werkzaamheden had verzwaard! Elzinga moet dus hebben geweten of op zijn minst hebben kunnen weten dat zijn werkwijze ook negatieve effecten zou hebben.

Hij zal waarschijnlijk ook hebben beseft dat het niet uitwerken van eigen veldwerk onherroepelijk tot informatieverlies zou leiden en dat daarmee kennisoverdracht en synthetiserend werk niet optimaal zou dienen. Dit zou hem – zo zal hij bij de beoordeling van Eekhoff voor ogen hebben gehad – onvermijdelijke vanuit universitaire hoek kritiek opleveren. Deze kritiek kwam inderdaad en viel Elzinga niet altijd even gemakkelijk te verwerken.

 

Elzinga als erflater

En hiermee komen wij bij op wat voor ons gevoel toch de kern is van de zaak: de tweeslachtigheid van zowel Elzinga’s eigen houding als de ontvangst van zijn werk. Om bij Elzinga zelf te beginnen kunnen wij vaststellen dat hij van meet af aan zijn eigen weg is gegaan en willens en wetens bepaalde taken naast zich heeft neergelegd. Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat het ongebreidelde veldwerk en dito verzamelen zeker op het eind dienden als een vlucht naar voren, of althans als zodanig werkten, en dat de afwijzing van een gedegen verslaglegging ook te maken had met zelf gevoelde tekortkomingen.

Het blijft dan ook een van de raadselen waarom ondanks zijn eigen afwijzing van de academische mores, Elzinga toch is blijven haken naar erkenning vanuit wetenschappelijke hoek. Misschien heeft het ermee te maken dat Elzinga heeft willen horen dat wat hij afwees toch voldoende compenseerde. In elk geval heeft Elzinga in een ogenblik van vertrouwelijkheid zijn onzekerheid wel laten blijken aan de eerste auteur, toen hij zich openhartig afvroeg of hij wel genoeg gedaan had. Het uitwisselen van complimenten vraagt nu eenmaal om dialoog, en daaraan heeft het weleens ontbroken.

Men adviseerde hem herhaaldelijk keuzes te maken, vooral prioriteiten te stellen, opdat de productie niet verdund zou raken door de waan van de dag. Stak het dat deze raad aan dovenmansoren gericht bleek en kon men het daarom niet opbrengen hem toe te voegen dat hij er het beste van maakte? Maar los van persoonlijke gevoelens, was het werkelijk zo verkeerd wat Elzinga deed, waarom zou hij zich forceren op onderdelen, als hij zich op andere terreinen zo nuttig maken kon? Bovendien, en zoals eerder gezegd, waren de signalen niet eenduidig afwijzend. Men mocht wel geannoteerd drukwerk blijven eisen, toch bleef men hem ook faciliteren om opgravingen te doen op de belangrijkste plekken die hij en zijn team uitzochten. En toen hij in 1984 zijn 25 jarig ambtsjubileum vierde, zat de zaal toch maar mooi vol met coryfeeën.

Wat is genoeg?’ vroeg de melancholische dichter zich al af. Natuurlijk is deze al te menselijke vraag niet licht te beantwoorden, zeker niet door de erflater zelf, want laten we wel wezen, de waarde van een nalatenschap is mede afhankelijk wat van erfgenamen er van maken en vinden.

Wij volstaan bij wijze van afsluiting daarom met het volgende: was Elzinga in 1973 wellicht te streng voor Eekhoff, wij zouden dat nu zeker voor Elzinga zijn wanneer wij de geciteerde uitspraak over Eekhoff op de schrijver ervan zouden laten terugslaan.

Het is namelijk wel degelijk zo dat Elzinga’s rijke erfenis ook een wetenschappelijk legaat omvat: het is te vinden in meerdere wetenschappelijke publicaties, waaronder enkele proefschriften, die anderen mede dankzij de Archeologische Afdeling van het Fries Museum konden schrijven en natuurlijk in de wetenschappelijke potentie van al die Friese vondsten die tussen 1959 en 1988 uit het veld gebracht nu in het Noordelijk Archeologisch Depot zoveel legborden vullen.(25)

En dan is er nog, naast al die jaarlijkse rapportages en kortere stukken, de omvangrijke vakinhoudelijke correspondentie die Elzinga voerde met instanties en onderzoekers. Zij biedt toekomstige onderzoekers niet alleen veel archeologische feiten, maar ook een gedetailleerde kijk op het werk van een gedreven mens en de omstandigheden waaronder een provinciaal archeoloog moest opereren gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw.

1 G. Elzinga, ‘Argeology en amateurs yn Fryslân’, in: K. Huisman e.a. (red.), Diggelgoud. 25 jaar Argeologysk Wurkferban: archeologisch onderzoek in Fryslan (Leeuwarden 2008), 344-347.

2 G. Jensma, ‘P.C.J.A. Boeles. De laatste regent’, Fryslan 6 (2000) 2, 14-15.

3 C.J. Guibal, ‘122ste verslag van de toestand en de handelingen van het Fries Genootschap van Geschied- Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden over het jaar 1949’, Verslag van het Fries Genootschap en het Fries Museum 122 (1950), 1-3; 2.

4 P.C.J.A. Boeles, Friesland tot de elfde eeuw. Zijn voor- en vroege geschiedenis (2e druk: Den Haag 1951).

5 H. Halbertsma, Terpen tussen Vlie en Eems. Een geografisch- historische benadering (Groningen 1963).

6 G. Elzinga, ‘Een kringgreppelurnenveld bij Oosterwolde in Friesland’, in: W.A. van Es e.a. (red.), Archeologie en Historie. Opgedragen aan H. Brunsting bij zijn zeventigste verjaardag (Bussum 1973), 29-47; 30.

7 H. Schootstra, ‘131ste verslag van de toestand en de handelingen van het Fries Genootschap van Geschied- Oudheid- en

Taalkunde te Leeuwarden over het jaar 1959’, Verslag van het Fries Genootschap en het Fries Museum 131 (1960), 3-5; 3-4.

8 G. Elzinga, ‘Verslag over de archeologische afdeling (1959)’, Verslag van het Fries Genootschap en het Fries Museum 131 (1960), 24-31; 24.

9 Vgl. H.T. Waterbolk, ‘Beschouwingen naar aanleiding van de opgravingen te Tritsum, gem. Franekeradeel’, It Beaken 23

(1961), 216-226.

10 A. Wassenbergh, ‘Verslag van de directeur van het Fries Museum, Stania-state en het kerkmuseum Janum (1951)’, Verslag van het Fries Genootschap en het Fries Museum 123 (1952), 10-20; 11-14.

11 A. Wassenbergh, ‘Verslag van de directeur van het Fries Museum, Stania-state en het kerkmuseum Janum (1952)’, Verslag van het Fries Genootschap en het Fries Museum 124 (1953), 8-19; 9-11. Zie ook: H. de Leeuw, ‘Een nieuwe koers voor het Fries Museum, De herordening van het Fries Museum in 1952’, De Vrije Fries 93 (2013), 9-26

12 G.J. de Langen, M. Bierma en E. Kramer, ‘Publikaties van G. Elzinga’, Jaarverslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek 66-72 (1989), 25-44.

13 K. Bekkema, ‘Een kwart eeuw Argeologysk Wurkferbân fan de Fryske Akademy’, in: Huisman e.a. (red), Diggelgoud, 11-34.

14 G. Elzinga, ‘Nederzettingssporen van rond het begin onzer jaartelling bij Sneek’, De Vrije Fries 45 (1962), 68-99.

15 C. Boschma, ‘Verslag van de directeur van het Fries Museum, het kerkmuseum Janum en het museum Fogelsangh state (1965)’, Verslag van het Fries Genootschap en het Fries Museum 137 (1966), 10-17; 11.

16 Vgl. G. Elzinga, ‘Museum en argeology A.D. 1981’, De Vrije Fries 61 (1981), 53-63; 61.

17 G. Elzinga, ‘Het Fries Munt- en Penningkabinet’, De Vrije Fries 56 (1976), 93-115.

18 R.H.J. Klok en G. Elzinga, Inventarisatie archeologische monumenten in Friesland. Overzicht van archeologisch belangrijke terreinen in Friesland (Leeuwarden 1984).

19 G. Elzinga, ‘Nederzettingssporen van rond het begin onzer jaartelling bij Sneek’, De Vrije Fries 45 (1962), 68-99.

20 G. Elzinga, ‘Vijf kerken op het Strieper kerkhof’, in: Stichting Ons Schellingerland (red.), Terschelling… ’t Stryper wyfke: ‘ze staan er bij honderden’ (Terschelling 1974), 32-50.

21 Elzinga, ‘Een kringgreppelurnenveld’.

22 G. Elzinga, ‘Archeologische afdeling (Jaarverslag van het Fries Museum over 1968)’, De Vrije Fries 49 (1969), 142-150; 142.

23 Vgl. Elzinga, ‘Museum en argeology A.D. 1981’.

24 G. Elzinga, ‘De opkomst van de belangstelling voor de archeologie in Friesland’, De Vrije Fries 53 (1973), 68-79; 78.

25 J.M. Bos, ‘Het Fries Museum en de archeologie in 1990’, De Vrije Fries 70 (1990), 113-126; 117.



Terug naar boven
 

Albert Egges van Giffen

 14/3/1884 - †31/5/1973

Albert Egges van Giffen groeide op in Diever als zoon van een predikant. Hij wist al snel dat hij de archeologie als zijn beroep zou kiezen. Die interesse voor archeologie deed hij in eigen omgeving op. Eén van zijn eerste opgravingen die hem de nodige faam verschafte was de opgraving van een terp in het Groningse Ezinge. Bij die opgraving ontwikkelde hij de Quadrant methode. Een methode waarbij delen van een site werden opgegraven volgens een bepaalde indeling. Sommige van zijn studenten vergeleken de methode met het snijden van een taart in partjes. Ezinge was ook de plaats waar hij zijn leven lang aan verbonden zou blijven. Toen hij ouder werd kocht hij de directiekeet die gebruikt werd bij de opgraving van de terp van Ezinge en bracht die over naar Diever waar het gebouw verder als vakantiewoning voor de van Giffens dienst deed.

In zijn omvangrijke studies naar de archeologie en de onderzoeken die hij deed bij hunebedden in Drenthe ontwikkelde hij zich steeds meer. Het doctoraat in zijn werk en hobby haalde hij bij de universiteit in Groningen waar men hem later benoemde tot hoogleraar. Van Giffen was ondermeer oprichter van het biologisch-archeologisch instituut, conservator bij het Drentsmuseum en lid van de KNAW.



Terug naar boven
 

Piet Houtsma

Piet Houtsma, oud hoofd van de school in Waskermeer. Hoewel deze schoolmeester een aantal opgravingen heeft verricht op het Mandefjild in Boelenslaan en een locatie onder Siegerswoude waar het respectievelijk ging om een onderzoek in grafheuvels op het Mandefjild en naar Hamburgcultuur op de locatie bij Siegerswoude, heeft Houtsma ook rond Bakkeveen site's gevonden met voorwerpen uit de Trechterbekercultuur. Houtsma werkte samen met gevestigde archeologen zoals Albert Egges van Giffen, Hendrik Jan Popping, Assien Bohmers en Harm Tjalling Waterbolk.

Houtsma verdiend natuurlijk veel meer eer, dan wat hier vermeld staat, dat valt hier te lezen.

Het staat in een deel van het boek wat opgedragen is aan Ernst Taayke bij zijn afscheid als beheerder van het Noordelijk Archeologisch Depot in Nuis. Houtsma was voor meerdere amateurs een grote ondersteuning, was onderwijzend in het nummeren en registreren van vondsten.

Tussen 1954 en 1959 zíjn door Bohmers, Houtsma en na 1956 Schilstra voor het B.A.I. een drietal opgravingen gedaan op de heide van Duurswoude. Onder het woord Duurswoude is het verslag te lezen wat in het tijdschrift Archeologie Nr. 2 heeft gestaan. De laag van Usselo komt daarin ook ter sprake, ondertussen is die laag beter onderzocht. Na dit onderzoek zijn meteoriet inslagen gevonden onder het ijs van Groenland, wat voor nog meer aanvulling zorgt (zie hiervoor wetenschap in beeld nr 9-2019 geschreven door Niels Halfdan Hansen).

Stukje tekst over deze inslagen:

Wetenschappers hebben onder een gletsjer in het noordwesten van Groenland een gigantische krater ontdekt. Ze denken dat die veroorzaakt is door de inslag van een meteoriet en als dat klopt, zou dat nieuw licht kunnen werpen op een controversiële theorie over het massaal verdwijnen van een heel aantal diersoorten op het einde van de laatste ijstijd.

Een verslag van de ontdekking is te lezen in het nieuwste nummer van het vakblad Science Advances. De krater zou 31 kilometer breed zijn en zo tot de 25 grootste inslagkraters op aarde behoren. Hij zou 1 kilometer onder de Hiawatha Gletsjer zitten en de eerste ooit zijn die onder ijs wordt aangetroffen. De rest valt te lezen via deze link.

Ook op de Merskerheide onder Siegerswoude heeft Houtsma opgegraven en valt hier te lezen.



Terug naar boven
 

Pieter Horjus

 1887 - †1962

Amateur-archeoloog Pieter Horjus ontdekte tussen 1925 en 1942 onder Eastermar op een zandkop aan de Leien een laat paleolitische cultuur. De vondsten van Horjus vonden voornamelijk plaats op die hoogte aan het meer die is de streek met de naam de Kjellingen wordt aangeduid. Al snel bleek dat zijn gevonden artefacten op die verhoging behoorden tot de Tjongercultuur (Federmesser). Zijn vondsten kregen internationale erkenning toen een Duitse archeoloog, Hermann Schwabedissen een artikel over de vondsten publiceerde. Schwabedissen schreef zijn bevindingen naar aanleiding van de vondsten van Horjus samen met de Nederlandse archeoloog Assien Bohmers in 1954. Bij hun onderzoek namen ze een deel van de door Horjus op de Kjellingen gevonden artefacten mee. Sindsdien verdwenen de artefacten van Horjus in de vergetelheid.  Pas rond de eeuwwisseling kwamen er weer een aantal van de verdwenen artefacten boven water.

De Kjettingen onder Eastermar ligt tussen het Bergumermeer en de Leijen. Het gebied ligt op een opvallende verhoging in het laaggelegen gebied die ongeveer twee meter boven het vlakke landschap uitstijgt. Het is een laag beekdal dat de twee meren verbindt. Op de verhoging de Kjettingen vond Horjus op de akkers vuursteen werktuigen die ondergebracht konden worden in de jong paleolihische Tjonger cultuur. De Tjongercultuur wordt gedateerd tussn 11.800 en 9.300 jaar geleden. Deze periode wordt aangeduid als het allerod interstadiaal. De grote noord Europese toendra.s veranderden in die periode. Dennebomen en berkenbossen bepaalden het landschap door oplopende temperaturen. Rendieren trokken meer naar het boorden en boswild kwam er voor in de plaats.

De vondsten van Horjus bleven niet onopgemerkt. Archeoloog Assien Bohmers van de rijkuniversiteit te Groningen was geinteresseerd in de vondsten van Horjus en wilde deze determineren. Hij kreeg een deel van de vondsten van Horjus tijdelijk in bezit. Bohmers legde bij het onderoek van de arteften een link met de Franse steentijd culturen en schreef er over om zelf wat meer status te krijgen als archeoloog. Tijdens de oorogsjaren raakten de artefacten die Bohmers voor onderoek had mee genomen zoek. Pas in 1954 bij een publicatie van de Duitse archeoloog Dr. Hermann Schwabedissen werd duidelijk van een afbeelding in het artikel dat de artefacten die Bohmers eerder mee had genomen in Duits bezit waren gekomen. 

Toen Assiën Bohmers in 1963 een deel van zijn artefacten schonk aan het Fries museum bleek bij een later onderzoek in 1995 dat in de geschonken artefacten een vijftal artefacten aanweig waren uit de collectie van Horjus. Later in 1998 konden nog eens een achttal artefacten van Horjus op in dezelfde geschonken collectie van Bohmers. Dat deze artefacten getraceerd konden worden is te danken aan de duidelijke codering die Horjus op de artefacten aan had gebracht. Toch zijn er nog steeds een aantal artefacten uit de unieke collectie van Horjus zoek.

 

 


Henstra, Klaas R. De Kjellingen, Horjus, Bohmers en Schwabedissen in Archeoforum maart 2002.


Terug naar boven
 

Gerrit Jonker

Gerrit Jonker bezig met zijn grote hobby. Het sorteren van op de akkers gevonden vuursteen artefacten. 

Een amateur archeoloog die zeer zeker een plaatsje verdient in deze rubriek is Gerrit Jonker (Steenwijk. In zijn gebied, dat van Zuid-Oost Fryslân en het grensgebied daarvan met Drenthe en Overijssel. ontdekte hij meer dan 100 sites uit de Steentijd.

Een belangrijke ontdekking deed Jonker in 1989 onder Oudehaske. Op een perceel land vond hij artefacten uit de laat jong Paleolithische Ahrenburg cultuur. Naar aanleiding van deze vondst werd op het perceel een opgraving gedaan in twee korte perioden waarvan de eerste in 1990 en de tweede in 1991. Er werden in het totaal ruim 2600 artefacten opgraven door studenten van de BAI in Groningen. Het onderzoek stond onder leiding van de Groninger archeoloog Dirk Stapert. Bij de opgraving verleende de bekende veldassistent bij het Fries museum, Jan Boschker assistentie bij het graafwerk.

De eerder door Jonker gevonden artefacten op deze site werden door Jonker geschonken aan het Fries museum. Deze schenking leidde tot een geschil tussen Jonker en de conservator van het Fries museum. In tegenstelling tot de verwachting van Jonker werden zijn Ahrensburg artefacten niet in het museum tentoongesteld maar kwamen als studie doeleinden in het depot terecht. Dit conflict was er de oorzaak van dat Jonker later zijn omvangrijke verzameling artefacten niet schonk aan het Fries museum maar aan het IJstijdenmuseum in Buitenpost. In het laatste museum wordt een deel van de bij Oudehaske gevonden artefacten uit de Ahrensburg cultuur in een expositie ten toon gesteld. 

De omvangrijke verzamelingen artefacten van Jonker bevatten ook een groot aantal midden Paleolithische artefacten die een herinnering zijn aan de jagerscultuur van de Neanderthaler. Rondom Steenwijkerwold en Steenwijk heeft Jonker een respectabel aantal van deze zeer schaars gevonden artefacten gevonden. Het heeft er ook toe geleid dat in het streekmuseum in Oldemarkt een aantal van deze midden paleolithische vondsten van Jonker, tegelijkertijd met andere vondsten worden geëxposeerd.

 

            

Een deel van de enorme hoeveelheid vuurstenen werktuigen, maalstenen, klopstenen en andere steentijd artefacten zoals Jonker ze eerder exposeerde in één van zijn kamers thuis. De verzamelingen zijn thans in het bezit van het IJstijdenmuseum te Buitenpost        


Terug naar boven
 

Jan Nanne Lanting

 



Terug naar boven
 

Johannes Minnes Minnema

 1903 - †1984

Johannes Minnes Minnema werd geboren in Murmerwoude en was begaafd in techniek en wiskunde. In Leeuwarden volgde hij een opleiding werktuigbouw aan de MTS. Na zijn studie begon hij aan een wild avontuur in Amerika en kreeg een baan in New York.  Toen hij in 1931 tijdens een vakantie terug in Fryslân was ging zijn New Yorkse werkgeven failliet en besloot Minnema niet meer naar Amerika terug te keren. In Nederland terug begon hij een beroep als drukker en ontwerper met als grote hobby de archeologie.

Het gebied tussen Damwoude en Driesum was het gebied waarin Minnema een aantal sites ontdekte waaronder die van de Zandhorst onder Driesum. Eén van zijn belangrijkste vindplaatsen waarop hij voorwerpen uit de periode van de Trechterbekercultuur heeft gevonden. Daarnaast was een belangrijke vindplaats de Hoge Oerd ten noorden van de Westereen. De noordelijke rand van het Fries-Drenths plateau kan aangemerkt worden als zoekgebied van Minnema. Aan de zuidzijde begrensd door de spoorlijn Leeuwarden - Groningen en aan de noordzijde door de lijn Dokkum - Westergeest. Van het zoekgebied waar Minnema actief is geweest heeft hij een kaartje getekend waarop zijn vindplaatsen zijn aangegeven

In de vorige eeuw werden de hoge zandgronden in de Noordelijke Friese Wouden afgegraven en werd het zand gebruikt bij een groot aantal projecten. Het zand werd onder anderen gebruikt voor wegen en paden in Noord Fryslân maar ook bij de aanleg van zeedijken en bij de vliegbasis Leeuwarden.  Minnema maakte bij zijn onderzoeken gebruik  van de arbeiders die in de zandgraverijen werkten. Minnema instrueerde de zandgravers en liet hun artefacten verzamelen die ze tijdens het graven aantroffen. Voor in zijn ogen goede vondsten, betaalde hij de zandgravers een klein bedrag. Vooral de zandafgravingen aan de Hale onder Murmerwoude leverden hem op deze wijze duizenden artefacten op.

Vanaf 1939 begon Minnema met publicaties over de vondsten die hij deed in het noordelijke woudengebied. Er verschenen van zijn hand artikelen in kranten en geschriften. In zijn artikelen verwees hij ook naar de Hoge Oerd bij de Westereen waar artefacten uit het Mesolithicum werden aangetroffen. De tweede wereldoorlog bracht een ommekeer in het leven van Minnema. Onder invloed van de Groningse archeoloog Assien Bohmers liet hij zich adviseren om zich aan te sluiten bij de Duits getinte stichting Saxo Frisia. Samen werkten ze daarna voor de Duitse bezetter in archeologische onderzoeken in Duitsland en Oostenrijk. Als veldassistent van Bohmers nam hij dienst bij de Ahnenerbe, een nationalistisch onderzoeksinstituut dat als voornaamste taak had om wetenschappelijke te bewijzen te zoeken voor de herkomst en superioriteit van het zogenaamde Arische ras. Na het project keerde Minnema terug naar Nederland en vestigde zich met zijn vrouw Ruurdje de Vries op een boerderij onder Westergeest.

Na de bevrijding in 1945 werden Minnema en zijn vrouw gearresteerd. Bij zijn aansluiting bij Saxo Frisia in de oorlogsjaren waren beiden lid geworden van de NSB. Omdat er geen bewijs was voor het plegen van misdaden door Minnema en zijn vrouw werden ze al snel ook weer vrij gelaten. De arrestatie over een vermeend misdadig oorlogs verleden had diepe indruk op Minnema gemaakt en al snel raakte hij gefrustreerd omdat ook zijn vroegere vrienden afstand van hem namen vanwege zijn verleden. Zijn plaatsgenoten schouderden hem en maakten hem uit voor een NSBer. De ambitie bleef echter en Minnema gooide het over een andere boeg en wierp zich op de studie naar Leylijnen waarover hij publiceerde en vaststelde dat er denkbeeldige lijnen liepen tussen prehistorische offerplaatsen.

 

 

            

          



Terug naar boven
 

Pieter Mudstra

 1900 -†1990

Pieter Mudstra woonde op de heide onder Suameer en ontwikkelde zijn liefhebberij voor de archeologie al vrij vroeg. Rondom de Bergumermeer en de Leijen lagen zijn sites. In 1942 ontdekte Pieter Mudstra een Hamburg site onder Ureterp. Naar aanleiding van zijn vondsten bestaande uit een aantal Hamburg schrabbers werd in 1943 op die plaats door het Fries Museum een grote opgraving uitgevoerd. De opgraving stond onder leiding van Johannes Minnes Minnesma uit Westergeest en werd gefinacieerd door het Duitse rijk. 

Hij werd aangesteld als veldassistent archeologie bij het Fries Museum in Leeuwarden In de tweede wereldoorlog werd hij door de bekende archeoloog Assien Bohmers die werkzaam was bij de BAI van de Universiteit Groningen gevraagd mee te werken aan een archeologisch onderzoek voor Nazi Duitsland in Unterwistenitz in Tsjechië. Voor dit onderzoek werden nog een aantal Friezen, de broers Johannes en Kees Groenhof uit Akkerwoude, Romke Postma uit Roodkerk en Andries van der Veen uit Westergeest door Bohmers geronseld.  

Aanvullende informatie betreffende Pieter Mudstra.

Enkele jaren geleden is Hr. J. de Jong geïnterviewd door Roel van der Brug(Hr. de Jong is in 2019 100 jaar geworden) over een samenwerking met Böhmers ivm opgravingen. voor de tweede wereldoorlog was hij mee om opgravingen in Duitsland en Tsjechië te doen.  De eerste vrouw van Asiën Böhmers  is familie van Hr. J. de Jong. Daardoor kwam Böhmers regelmatig logeren in het Marshuisje in de Mersken onder Ureterp. Voor 1940 is Hr. J. de Jong gestopt met opgraven en terug naar huis gegaan, naar de boerderij van zijn vader.  Waarschijnlijk is Mudstra bij Böhmers gekomen in Duitsland. Hr. J. de Jong wist de namen te noemen van de Duitsers die tussen 1938 en 1940 meeholpen met opgraven.

Tijdens logeer partijen in het Marshuisje kreeg Böhmers er weet van dat het beekdal onder Siegerswoude en Ureterp archeologisch interessant is. Na 1940 kreeg notariszoon Peereboom uit Buitenpost een oproep om naar Duitsland te komen voor werk. Böhmers heeft hem in Nederland in dienst genomen waardoor hij thuis kon blijven. De opdracht van Bohmers was het Boorne beekdal te onderzoeken op aanwezigheid van sites uit de steentijd. Peereboom heeft bij dat onderoek de Hamburgsite nabij de Prinsendobbe onder Bakkeveen ontdekt. In het begin is hij ingezet bij het opgraven. Tot hij  ruzie kreeg over het loon wat hij nog tegoed had van Böhmers. het betekende het einde van de samenwerking. Mudstra was toen al als hulp bij Böhmers die op eigen kosten deze opgraving heeft uitgevoerd.

In een aantal boeken staat vermeld dat Mudstra de Hamburg site in Ureterp heeft ontdekt.  Böhmers heeft die in de oorlogsjaren opgegraven. Deze gegevens zijn in strijd met eerdere verslagen. Mogelijk omt er nog nadere informatie over deze geschiedenis.

Roel van der Brug 19-05-2020



Terug naar boven
 

Hendrik Jan Popping

 1885 - †1950

 

Hendrik Jan Popping had in Oosterwolde een drukkerij annex boekhandel. Daarnaast was hij uitgever van het regionaal dagblad "de Stellingwerver". De journalistiek en correpondent van het Fries Museum waren bij hem in goede handen. In zijn vrije tijd verdiepte Popping zich in de geschiedenis van eigen omgeving. Bij de ontginning van heidevelden onder Oosterwolde merkte hij dat daarbij het landschap sterk werd aangetast en er veel werd vernietigd. Popping wilde voorkomen dat er veel van de archeologische waarden in dat gebied werden aangetast. Daarom ging hij actief op zoek naar de archeologische sites in de heidevelden die door ontginning verloren dreigden te gaan.

Popping als ontdekker van de Kuinder-cultuur.

Tijdens zijn zoektochten ontdekte hij een site met bijzondere artefacten die hij bij onderzoek niet thuis kon brengen in een bekende cultuur.  Bestudering van de artefacten leverden op dat het zou kunnen gaan om een jong paleolithische cultuur die afweek van de bekende artefacten van de Hamburg cultuur. Popping was overtuigd van ontdekking van een nieuwe jager-verzamelaar cultuur in z'n eigen omgeving. Omdat hij de vondsten had verzameld aan de randen van een oud riviertje, de Kuinder, ook de Tjonger, noemde hij de ontdekking van deze nieuwe cultuur de Kuinder cultuur. 

Popping ging op de nieuw ontdekte site voortvarend te werk. Hij betrok de eigenaar van de grond waarop hij de artefacten vond bij zijn zoekwerk en deze laatste boer R.Stelma was al snel betrokken in het zoekwerk. Dat boer Stelma soms afwijkende artefacten aandroeg paste helemaal in het plaatje van de nieuwe Kuindercultuur. Over de Kuinder artefacten schrijft Popping dan ook in één van zijn boekwerkjes, Onze Voorhistorie, het volgende:

"Als hoogtepunt in de techniek van vuursteenbewerking wordt gewoonlijk aangenomen de oppervlakte retouche van Solutré, een arbeidsmethode die later door de Neolithikers van het noorden werd overgenomen en tot bloei gebracht, bij de vervaardiging van speerpunten, dolken en pijlspitsen. Waar het hier een verschil in techniek betreft zal een vergelijking met de Makkingaster mank gaan. Schakelen we het oppervlakte retouche uit dan moeten we echter verklaren dat we nimmer in ons land of waar ook een cultuur vonden die de Makkingaster in fraaiheid van lijnen, in veelvoud van vormen, in afwerking en in zorgvuldige keuze van het materiaal evenaarden."
 

Onder deze tekst plaatse hij in het boekje een pagina met tekeningen van de artefacten.

Toen later bleek dat boer Stelma deze artefacten had gevonden en ze wat mooier had gemaakt door ze bij te werken stond Popping eigenlijk een beetje in zijn hemd. Het boekje "Onze Voorhistorie" was al uitgegeven met daarin tekeningen van de vervalste werktuigen en er restte dan ook niets anders dan de niet verkochte exemplaren te vernietigen en nieuwe boekjes te drukken waarin de afbeeldingen niet meer werden geplaatst.

Op drie van zijn vindplaatsen ontdekte Popping rond 1930 zijn "Kuinder-cultuur" die later bekend kwam te staan als de Tjongercultuur. De eerste vondsten kwamen van een zandtong in het dal van de Tjonger bij Pradinge, een tweede site trof hij aan tijdens het graven van een zwembad bij Donkerbroek. De opgraving vond plaats in de venige bodem van de Tjongerbedding. Een derde vindplaats ontdekte Popping op een zandrug nabij het Kleindiep bij Makkinga - Lochtenrek. Het waren in die tijd zover bekend de best onderzochte en gepubliceerde vindplaatsen van artefacten uit het Jong Paleolithicum. Doordat de wetenschap tijdens de dertiger jaren weinig belangstelling had voor de oude steentijd culturen kreeg Popping de gelegenheid om zich met zijn vondsten uit het Jong Paleolithicum te manifesteren als archeoloog.

In 1936 kwam prof. dr. van Giffen persoonlijk kennis nemen van de jong paleolithische artefacten van Popping en voerde hij samen met Popping een onderzoek uit op de vindplaats Lochtenrek. De gegevens over dat onderzoek zijn door van Giffen nooit uitgewerkt of gepubliceerd.  Ondertussen ontwikkelde Popping zijn kennis verder  over de steentijd culturen. Kocht hij van andere amateur archeologen artefacten die in het gebied waren gevonden en gebruikte deze om ze te verkopen en zo de eigen onderzoeken te bekostigen. Ook verkocht hij delen uit zijn omvangrijke verzameling aan musea, de BAI en het Fries genootschap.

 

 



Terug naar boven
 

Johannes Siebinga

 1898 - †1969

Deze amateur archeoloog en huisarts hield zich bezig met de steentijd archeologie in Smallingerland en heeft in die omgeving een aantal belangrijke onderzoeken uitgevoerd met betrekking tot de steentijd en met name de Hamburgcultuur.

 Vindplaatsen.

Eén van zijn belangrijkste vindplaatsen was een veld naast de Blauwe Dobbe, een pingoruine, onder Houtigehage.  Deze vindplaats die op een zandheuvel ligt ten noorden van de Blauwe Dobbe  werd bij deze pingoruine in 1938 ontdekt door Siebinga. In de jaren die daarop volgden zou hij er honderden vondsten van artefacten op deze plaats. Uit het onderzoek dat Siebinga deed trok hij de conclusie dat de artefacten een sterke overeenkomst vertoonden met de opgegraven artefacten bij Meiendorf (Duitsland). De opgravingen bij Meiersdorf door de bekende Alfred Rust leverden veel artefacten op waarbij een deel nog gevat was in stukken bot of gewei.

Siebinga dateerde een deel van de gevonden artefacten bij de Blauwe Dobbe uit de Hamburg cultuur. Het betrof hier een aantal stekers en werktuigen die volgens Siebinga overeenkwamen met die uit de Hamburg cultuur en die gebruikt waren om bot en gewei te bewerken. Zijn onderzoek wees uit dat het om artefacten ging die gebruikt waren in een koudere periode van het Articum meer dan 12.000 jaar geleden toen er rond Houtigehage een grote toendra lag waarom rendieren graasden.

Jagers zouden gezien andere vondsten op de vindplaats nabij de Blauwe Dobbe in opeenvolgende perioden tot na 9000 jaar geleden nog geregeld bij deze pingoruine hun jachtkamp hebben gehad getuige vondsten van artefacten uit de Ahrensburg periode en het Mesolithicum.            

Een andere vindplaats was het Zwartveen ten Zuid-Oosten van de Leijen. Hier werden een groot aantal artefacten door Siebinga gevonden op een hogere rug dicht bij de Leijen. De hier gevonden artefacten vergeleek Siebinga met de artefacten uit de Maglemose cultuur.

(De Maglemose cultuur is de eerste Mesolithische cultuur in de Noordelijke helft van Europa en wordt gedateerd op 9.500  - tot 8.000 jaar geleden. Het was de cultuur van een bosjagers dioe zich langs rivieren en meren vestigden vanaf Engeland tot Zweden. Ook op de zeebodem die toen aanmerkelijk lager lag waardoor het vaste land van Engeland bereikbaar was,  leefden deze jagers.) 

Een opgraving ter plaatse leverde meer dan 70.000 stukken en stukjes vuursteen op.  3000 stukken hadden bewerkingssporen, hiervan maakten 300 microlithen deel uit. Bijzonder was dat bij de opgraving niet alleen stukjes houtskool werden uitgezeefd maar ook een hoeveelheid verkoolde doppen van hazelnoten. Een groot aantal kernbijlen die bij de opgraving gevonden werden lieten duidelijke slijpsporen zien. Siebinga trok uit de slijpsporen op de artefacten de conclusie dat deze bijlen geschacht waren geweest in stukken gewei of bot.

Een leuke bijdrage leverde Johannes Siebinga in de jaren van de tweede wereldoorlog ter gelegenheid van het 300 jarig bestaan van Drachten. In dit jubileum boekje met de titel "Overzicht van de voorgeschiedenis van de gemeente Smallingerland" geeft Siebinga een overzicht van de vroege geschiedenis van Smallingerland en wat belangrijkers is, beschrijft naar aanleiding van archeologische vondsten in het gemeentelijke gebied, de prehistorische culturen. Het boekje illustreerd Siebinga zelf met een aantal tekeningen van artefacten uit de steentijd die door hem zijn opgegraven op een aantal plaatsen in zijn gemeente. Een paar jaar na de uitgifte van de eerste druk verschijnt een tweede druk van het boekje waarin Siebinga een aantal correcties plaatst op de eerste druk en een aantal nieuwe vondsten en nieuwe sites beschrijft. Hij besluit het boekje met dat uit zijn onderzoekingen is gebleken dat de zandgronden in Oost Friesland vrijwel onafgebroken bewoond zijn geweest vanaf de koude periode van de Weichselijstijd tot op de dag van heden. 

Op 13 maart 1969 is Hr, Siebinga herdacht door een korte toespraak bij het Fries Genootschap, die is HIER te lezen.         



Terug naar boven
 

Geert Venema

 1961

De amateur archeoloog ontwaakte al op 13 jarige leeftijd in Geert Venema. Vanaf zijn jongenstijd is hij in de beekdalen van het Westerkwartier al op zoek naar artefacten uit de steentijd. Dat hij zo jong al geinteresseerd in archeologie was komt door de interesse in de vroegere geschiedenis van zijn ouders. Het zette Venema op het spoor van de archeologie in eigen streek. In de loop der jaren kon hij een prachtige collectie artefacten opbouwen en in zijn collectie prijken fraaie geslepen bijltjes uit het neolithicum. 

Eén van de fraaie Neolithische bijltjes uit de collectie van Venema.
 

De kennis die Venema opdeed tijdens zijn zwerftochten op zoek naar artefacten in eigen streek en de zelfstudie die hij uit nieuwsgierigheid naar meer kennis van de archeologie ondernam maakten hem in eigen gebied tot een deskundige die op veel vragen over de geschiedenis over het Westerkwartier antwoord wist. Hij nam meermalen deel aan onderzoek en opgravingen in allerlei archeologische projecten waarvan er ééntje door hem als zeer bijzonder werd ervaren. Het onderzoek naar Neanderthaler artefacten onder Peest door archeoloog Marcel Niekus was één van de mooiste klussen vond Venema.

Archeologie gaat voor Venema verder dan verzamelen en de stukken onderbrengen in een depot. Recent is in het eigen onderkomen een fraai klein archeologisch museum gebouwd. In het museum zijn in een aantal vitrines veel van zijn vondsten te zien. Archeologische vondsten horen in eigen gebied gepresenteerd te worden is de stelling van Venema en daarom bouwde hij zijn eigen archeologisch museum thuis.

Vitrines in het kleine knusse archeologische museum van Venema.
 

De ambities van Venema gaan verder. In de komende jaren een archeologisch informatiecentrum ontwikkelen bij het streekmuseum en groepen ontvangen in de boerderij  en in het museum. Archeologie moet overgedragen worden is de stelling van Venema die graag ziet dat schoolkinderen les krijgen in het verleden van het Westerkwartier. 

Een aantal fraaie pijlpunten uit de collecties van Geert Venema.

 

 



Terug naar boven
 

Hein van der Vliet 

 1890 - †1956

  

Een enkele vondst kan de naam van een amateurarcheoloog voor altijd verbinden aan de steentijd. Hein van der Vliet uit Lippenhuizen had naast zijn werk als timmerman/aannemer een grote hobby en dat was archeologie. In augustus 1939 vond hij een vuistbijl op een uitgeworpen leemhoop in het toenmalige ontginningsgebied tussen de Poasen en de Nije Heawei onder Wijnjeterp (nu Wijnjewoude).            

Hoewel hij aan de hand van zijn archeologische boeken zeker wist dat het om een echte vuisbijl ging, lukte het in eerste instantie niet om anderen daarvan te overtuigen. De Opeinder huisarts en amateurarcheoloog Johannes Siebenga, die naam gemaakt had in archeologische kringen, deed de vuursteen af als splijtstuk. Pas in oktober 1949 werd de vuistbijl als zondanig erkend door de gevestigde archeologen Assien Bohmers en Albert Egges van Giffen van het BAI van de Rijks Universiteit Groningen. De steen ging vervolgens de geschiedenis in als de Vuistbijl van Wijnjeterp of, in archeologische kringen, de Wijnjeterp. Het prachtige middenpaleolithische werktuig maakt sinds 1961 met vele andere vondsten van Hein van der Vliet, deel uit van de vaste collectie van het Streekmuseum in Gorredijk

In mei 1990 kwam er nog een actie uit onverwachte hoek. De conservator van het Drachtster museum, Wouter van der Horst, beweerde aan de hand van getuigenverklaringen in een artikel in het historisch tijdschrift De Neitiid dat de Vuistbijl van Wijnjeterp in 1946 door twee schooljongens was gevonden en via via in het bezit van Hein van der Vliet was gekomen. De affaire sudderde een jaar lang door in de Friese media, totdat in april 1991, Hendrik van der Vliet, de oudste zoon van Hein van der Vliet met het boek "De strijdbijl van Wijnjeterp" aan de hand van diverse getuigen verklaringen en onderzoeken afrekende met de beschuldiging van vindplaats- en  vinderschapvervalsing. Ook de conservator van het Fries Museum, Evert Kramer en amateurarcheoloog Lammert Postma kwamen aan de hand van een diepgaand onderzoek tot de conclusie dat alleen Hein van der Vliet de echte vinder van de vuistbijl kon zijn.

De vuistbijl die Hein van der Vliet in 1939 vond.            

http://members.home.nl/dou/sbw.htm

http://www.twentsetaalbank.nl/docs/1991-Vuistbijl_van_Wijnjeterp.pdf    



Terug naar boven
 

Harm Tjalling (Tjalling) Waterbolk

(Havelte,  1924)

Studeerde biologie en archeologie aan de Rijksuniversiteit te Groningen. Van 1945-1951 in verschillende posities werkzaam als assistent palynologie (pollenanalyse) van A.E. van Giffen. Van 1951 tot 1954 werkzaam bij de BPM. Promoveerde in 1954 op De prehistorische mens en zijn milieu, een palynologisch onderzoek naar de menselijke invloed op de plantengroei van de diluviale gronden in Nederland. Volgde in dat jaar Van Giffen op als hoogleraar-directeur van het Biologisch-Archaeologisch Instituut. Ging in 1987 met emeritaat.

Waterbolk voerde tal van opgravingen uit in Drenthe, Groningen, Friesland, Limburg, Zwitserland en Syrië. Hij had een bijzondere belangstelling voor nederzettingsonderzoek en groef nederzettingen op in Elp, Odoorn en Gasselte. Publiceerde uitvoerig over de typologie van prehistorische en middeleeuwse huisplattegronden, versterkte nederzettingen in Noord-Drenthe (‘Walled enclosures of the Iron Age in the north of The Netherlands’, Palaeohistoria 19 (1977) 97-172), nederzettingsterritoria en bewoningscontinuïteit. Schreef diverse synthetiserende studies (‘Das mittelalterliche Siedlungswesen in Drenthe. Versuch einer Synthese aus archäologischer Sicht’, in: H.W. Böhme (red.), Siedlungen und Landesausbau zur Salierzeit, I. In den nördlichen Landschaften des Reiches (Sigmaringen 1991) 47-108; ‘Archeologie’, in: J. Heringa e.a. (red.), Geschiedenis van Drenthe (Meppel/Amsterdam 1985) 15-90). Publiceerde voorts over het gebruik van C14-dateringen in de archeologie, de door amateur-archeoloog T. Vermaning aangedragen middenpaleolithische artefacten van Hijken en Hoogersmilde (met J.D. van der Waals; zie ook Stapert) en het Drentse landschap (Uit het leven van een landschap. Geschiedenis van de zorg voor natuur en landschap in Drenthe (1999)). Sinds 1970 lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.



Terug naar boven
 

Jan Zijlstra

 1941 - †2018

 

Van Vikingschat naar Finn en andere Friese koningen

Jan Zijlstra, oudheidkundige tussen eigenbelang en dienstbaarheid

EVERT KRAMER EN GILLES DE LANGEN

Op 21 februari 2018 overleed Jan Zijlstra in zijn woonplaats Leeuwarden. Zijlstra, die 76 jaar oud geworden is, was amateurarcheoloog en verzamelaar van munten en oudheden, waarin hij ook handelde. Door vroeg de aandacht te vestigen op het belang van metaalvondsten, daarover te publiceren en uitdagende opvattingen te verkondigen, is hij te rekenen tot de onderzoekers die aan het begin van de jaren 1990 de Friese terpenarcheologie wisten te vernieuwen. Hierom en om de collectie die hij bijeenbracht, waarvan de topstukken zich in het Fries Museum bevinden, kan Zijlstra beschouwd worden als een erflater, zij het een die niet onomstreden was.

Eric de Noorman en Romeinse keizers

De eerste jaren van zijn leven bracht Jan Zijlstra door in Marssum, het dorp waar hij samen met zijn tweelingzus op 11 december 1941 werd geboren. Het gezin Zijlstra telde voor de komst van de tweeling al een zoon en dochter. Vader Zijlstra werkte op de zuivelfabriek van de Frico, tot hij in de vroege jaren 1950 conciërge werd van de Rijks HBS aan het Zaailand in Leeuwarden. Dit betekende een verhuizing naar de ambtswoning aan de Willemskade achter de school. Als jongen raakte Jan sterk gefascineerd door de verhalen over Eric de Noorman, de Vikingkoning die in de tekststrip van Hans Kresse overzee zoveel spannende avonturen beleefde. De historische fantasieën waren toentertijd razend populair en zo goed getekend, dat menig jeugdige lezer het verhaal ingezogen werd. Zo ook Jan, wiens oog voor het verleden voorgoed geopend werd en die ook later nog zonder enige moeite landingen op de kwelderwallen nabij ‘zijn’ Wijnaldum alias Finnsburg levendig voor zich kon zien.

Het is hiermee in lijn dat Jan vanaf zijn veertiende levensjaar oudheden verzamelde, waarbij zijn aandacht vooral uitging naar Romeinse munten, die ook toen al op diverse beurzen werden verhandeld. Toen reeds ontwikkelde hij zijn kunde om bij het zien van een keizerskop onmiddellijk de naam van de vorst en diens regeerperiode te noemen. Menigmaal toog Jan naar het Fries Museum om zijn nieuwste aanwinst te tonen aan amanuensis E.J. Penning. Die zwaaide in die tijd dagelijks de scepter in het Eysingahuis, waarvan de jonge verzamelaar de statietrap in de Koningsstraat beklom om bij het museum aan te kunnen bellen.

Handelen in antiek en oudheden

Dat Jan de ulo volgde maar niet afmaakte,1 was geen belemmering voor het aanvaarden van een baan bij de Raad van Arbeid in Leeuwarden, gevestigd aan de Eewal. Als acquisiteur van bejaardenverzekeringen was het zijn taak langs de deuren te gaan om aan ouderen polissen te slijten. Het schijnt dat hij daar maar weinig succes mee boekte. Hij zal het dan ook niet lang aan de Eewal hebben uitgehouden. Mogelijk gaf de reorganisatie van de Raad van Arbeid in 1967 de zet om dienst te nemen als bode bij het Gerechtshof, eveneens in de Friese hoofdstad gevestigd. Hij handelde toen al in antiek. Tijdens zijn opleiding tot acquisiteur, verzorgd door collega Johannes (Hans) Damsteek, ontwikkelde Jan zijn talent om in elk voor hem nieuw interieur in luttele seconden potentiële handelswaar te ontdekken, mits aanwezig natuurlijk. Volgens de memoires van Damsteek was hij de kleinzoon van een Amsterdamse voddenjood, die later bekend zou worden als heilgenezer.2 Van 17 oktober tot en met 22 november 1959 was in het Fries Museum de tentoonstelling ‘Van Friezen, Franken en Saksen’ te zien (afb. 1).2

Van genoemde volken werd een groot aantal vondsten getoond, waaronder ook een dan nog tamelijk onbekende maar spectaculaire aanwinst, te weten de voetplaat van wat later de fibula van Wijnaldum zou gaan heten. Onder de vele bezoekers was ook de toen achttienjarige Zijlstra, die diep onder de indruk raakte. Vanaf dat moment was hij regelmatig te vinden ten kantore van provinciaal archeoloog Gerrit Elzinga. Elzinga had vanaf zijn aanstelling op 1 april de handen vol gehad aan de voorbereiding van de tentoonstelling en het leggen van contacten in zijn ruime werkveld en stond dus feitelijk nog aan het begin van zijn veelzijdige opdracht. Onder zijn liefste taken rekende Elzinga de uitbreiding van de museale collectie.

 

1. Promotiekaart van het Fries Museum voor de tentoonstelling “Van Friezen, Franken en Saksen”

Hij kon niet aanvaarden dat Friese oudheden door particulieren werden verzameld en al helemaal niet dat deze voor geld, laat staan voor veel geld, van eigenaar wisselden en zo aan zijn neus voorbij gingen. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat Elzinga in de jonge Zijlstra spoedig een welkome hulp zag.

Zijlstra had namelijk goede contacten met particuliere eigenaren van oudheden en wist deuren te openen die voor Elzinga dicht zouden blijven. Een van die contacten was voor Elzinga van groot belang, te weten de relatie die Zijlstra onderhield met Romke de Jong, een binnenschipper die in tussen 1946 en 1950 zaken had gedaan met niemand minder dan de grote mr. P.C.J.A. (Pieter) Boeles.3 In 1951 was De Jong door deze Friese grondlegger van de terpenarcheologie geprezen in de tweede druk van diens meesterwerk Friesland tot de elfde eeuw.4 Van de daarin afgebeelde ‘merkwaardige zilvervondst uit een terp te Winsum’, een ‘herinnering aan de Noormannen’, zouden er nog meer delen moeten zijn, weggeborgen op het schip van De Jong. In de winter van 1959/1960 kon Elzinga tijdens enkele bezoeken aan De Jong vaststellen dat ze echt bestonden.5 Het was op deze vondsten dat Elzinga zijn zinnen had gezet,6 misschien daarbij beïnvloed door Zijlstra. Die was eveneens bekend met de varende vondsten, omdat hij van De Jong reeds vroeg munten had gekocht.7 Inderdaad wist Zijlstra met ingang van 1962 de vondstenstroom hernieuwd op gang te brengen, volgens zijn zeggen daartoe mede aangespoord door Elzinga’s wetenschappelijke directeur, de Groningse hoogleraar archeologie dr. H.T. (Tjalling) Waterbolk.8

1 Volgens de met Zijlstra bevriende D. Hoekstra te Leeuwarden bleef Jan enkele malen zitten.

2 A.N. Zadoks-Josephus Jitta, A.N. (red.), Van Friezen, Franken en Saksen, 350-750 (Leeuwarden/Den Haag 1959).

3 G. Elzinga, ‘Rondom de “Vikingschat van Winsum”’, De Vrije Fries 55 (1975) 82-122, aldaar 83-85. De zilveren voorwerpen zoals afgebeeld door P.C.J.A. Boeles, Friesland tot de elfde eeuw. Zijn vóór- en vroege geschiedenis (tweede druk, ’s-Gravenhage 1951) 443, waren eind april 1949 in het bezit van het Fries Museum.

4 Boeles, Friesland tot de elfde eeuw, voor de Vikingschat: 442-443. Voor de vermelding van Romke de Jong: 325, 443 en 546, in het bijzonder 144: ‘Deze jongeling, begaafd met een scherp opmerkingsvermogen (…).’ Ook conservator D.J. Kamminga van de Oudheidkamer het Admiraliteitshuis te Dokkum was te spreken over De Jong, die verbazend veel verstand had van runen en munten: K. Düwel en W.-D. Tempel, ‘Knochenkämme mit Runeninschriften aus Friesland’, Palaeohistoria 14 (1970) 353- 391, aldaar 377, 388-389.

5 Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 85; vgl. ‘Is Fries Museum dupe van falsificateurs? Vraagtekens bij bijna 140 voorwerpen’, Leeuwarder Courant (hierna: LC) 3 mei 1972, 15.

6 Met aankopen in 1962 en 1963 en een bruikleen in 1965 ‘was volgens zeggen de schatvondst van Winsum compleet’. Na herhaaldelijk vragen vernam Elzinga eindelijk de vindplaats: de terp Bruggeburen bij Winsum: Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 85-86.

7 Zijlstra had aan de verzamelaar T. Helperi Kimm verteld dat hij door de muntenverzamelaar J. Postma uit Kimswerd (in 1972 al overleden) naar De Jong was doorverwezen, aldus Kimm tijdens zijn interview in 1972: ‘Verzamelaar Kimm over falsificaties: Oeral Lindaboekaffaire II gericht tegen mr. Boeles?’, LC 27 mei 1972, 9.

8 Volgens Zijlstra in zijn ingezonden brief in het LC van 9 mei 1972, 5, en tijdens zijn interview ‘Archeologen moeten wel met bewijzen komen. Jan Zijlstra: “Romke de Jong is in twadde Tsjerk Vermaning”’, LC 3 juni 1972, 9. Dit is overeenkomstig Elzinga’s melding dat hijzelf door het Fries Museum en het Biologisch-Archaeologisch Instituut was geadviseerd de contacten met De Jong aan te houden nadat zijn eigen pogingen tot verwerving hadden gefaald: Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 85.

De breuk met Elzinga en het Fries Museum

Na zo zijn best te hebben gedaan, meende de 24-jarige Zijlstra in 1965 kans te maken op een aanstelling aan het Fries Museum als assistent van Elzinga. Zijn belangstelling was welwillend ontvangen door Elzinga. Toch verzuimde Elzinga zijn vondstenwerver te tippen toen de vacature eindelijk in 1966 in de krant gepubliceerd werd. Van de publicatie bracht de provinciaal archeoloog Zijlstra pas op de hoogte toen zij elkaar op een zaterdag bij toeval op straat tegen kwamen. Zijlstra was woest en verbrak naar eigen zeggen per direct het contact.9 Waarom was Elzinga niet happig op een assistentschap van Zijlstra? Was dat, zoals hij later zou suggereren, omdat het aantal vondsten en de prijzen maar bleven stijgen, terwijl de kwaliteit juist afnam?10 Of speelde mee, zoals Elzinga veel later tegen een van ons zou laten ontvallen, dat Zijlstra het te hoog in de bol begon te krijgen? Beide hoofdrolspelers kennende, kunnen we ons wel voorstellen dat dit laatste een bedreigende factor vormde.

Het kan ook zijn dat de nog jonge Zijlstra het belang van zijn werkzaamheden voor het museum had overschat. Ook later gaf hij er blijk van geen oog te hebben voor de veelzijdigheid van het archeologische speelveld, vooral niet dat van de ambtelijke archeologie. Hij was en bleef sterk gericht op eigen doelen en prestaties, die hem dan ondergewaardeerd of weggedrukt toeschenen. In elk geval kwam het niet meer goed tussen hen, vooral niet toen het Elzinga ter ore kwam dat Zijlstra vanaf het semi-museale scheepje van De Jong oudheden doorverkocht aan particulieren. Deze prelude had een voedingsbodem gelegd voor de volgende akte. Het script voor dit vervolg zou worden geleverd door het Instituut voor Praeen Protohistorie (IPP) van de Universiteit van Amsterdam. Daar begon rond deze tijd prof. drs. H.H. (Carlos) van Regteren Altena samen met een groep studenten de vroegmiddeleeuwse relaties van de landen rond de zuidelijke Noordzeekusten te bestuderen. Tijdens de inventarisatie van het relevante materiaal viel hem op dat de Vikingvondsten uit Winsum nogal afweken van het algemene beeld, zozeer zelfs dat hij tot de conclusie kwam dat het om vervalsingen moest gaan. Hij bracht vanzelfsprekend Elzinga op de hoogte en publiceerde zijn bevindingen aangaande ‘Winsum’ als onderdeel van een werkrapport.11

Rond de Vikingschat van Winsum

Men kan zich goed de ontsteltenis op het Museum voorstellen. Dat roerganger Boeles om de tuin was geleid was tot daaraan toe, maar dat Elzinga enthousiast hetzelfde pad had bewandeld, was pijnlijk voor hem en slecht voor het imago van het museum. Samen met toenmalig directeur Cees Boschma besloot Elzinga de vervalsing niet aan de grote klok te hangen. Wel belegden zij op 30 maart 1971 een besloten vergadering met zes particuliere verzamelaars die eveneens de dupe waren geworden en zonder voorlichting ongetwijfeld met de aankoop van vervalsingen zouden doorgaan.12 Onder hen waren S.S. Mensonides uit Warffum en Tiemen Helperi Kimm uit Middelstum, die blijk gaven verrast te zijn en niet te kunnen geloven dat Zijlstra hen had misleid.13 Deze moest te goeder trouw hebben gehandeld. Blijkbaar was het moeilijk de vondsten meteen terzijde te schuiven en was de ook aangeschoven Van Regteren Altena niet overtuigend genoeg, want het museum besloot uiteindelijk tot nader onderzoek en een meer uitgebreide rapportage, die door Elzinga zou worden opgepakt.14 Dat was waarschijnlijk voor de bühne, want Amsterdam en Waterbolk in Groningen waren al wel klaar met de verdachte schatten. En toen gebeurde het jaar daarop iets opmerkelijks, wat als hoogst verdacht moesten worden beschouwd, zoals ook meegedeeld was aan de (andere) eigenaren van de vondsten tijdens een ‘speciale bijeenkomst’.15 Zijlstra, die al eerder op de hoogte zal zijn geraakt van de vergaderingen en toen te horen zal hebben gekregen dat hij was genoemd als betrokkene bij een vervalsingszaak, had zich stil gehouden, maar besloot nu ook naar buiten te treden.16

Hij schreef een brief aan de Leeuwarder Courant waarin hij de besloten vergadering van 30 maart transponeerde tot een middeleeuwse bijeenkomst op een Leeuwarder stadsstins.17 Op 26 april 1972 stuurde hij zijn parafrase naar de Leeuwarder Courant: de zaak en zijn aandeel erin zouden weldra op straat liggen. Maar niet onmiddellijk, want met de publicatie van zijn brief werd gewacht tot de krant zelf met een verhaal over de zaak kon komen. Waarom schreef Zijlstra zijn brief? Zijn naam was nog niet genoemd. Voelde hij zich dan toch betrapt en vond hij dat de aanval de beste verdediging was? Wij zijn geneigd te denken dat Zijlstra, in elk geval in het begin, te goeder trouw heeft gehandeld.18  Hij moet dan wel na de breuk met Elzinga zijn kritisch vermogen hebben uitgeschakeld ten gunste van een voortgezette verkoop van de oudheden van De Jong, want de vondsten werden steeds fantastischer en op een gegeven moment ook voor de potentiële kopers wel zo verdacht dat ze hem vriendelijk maanden het niet te overdrijven.19 De tekening die Zijlstra had gemaakt van een met runen en menselijke figuren versierd menselijk schedeldakfragment is in dit verband bijzonder illustratief (afb. 2).

Deze ‘prospectus’ was in het bezit van Kimm; de vondst berustte nog in het depot van de binnenschipper. Er zijn ook andere verklaringen voor Zijlstra’s reactie denkbaar. Meende hij in de ogen van zijn klanten in zijn hemd te zijn gezet, juist door de man die hem eerder had afgewezen? Of was het wereldje van de handel in oudheden zo klein, dat het wel duidelijk was dat Zijlstra wat uit te leggen had? Wij weten het niet, maar feit is dat Zijlstra in de pen klom.

 

2. Wellicht dat dit met runen en menselijke figuren versierde menselijke schedeldak zelfs de particuliere verzamelaars te verdacht voorkwam? Tekening door Jan Zijlstra, Leeuwarder Courant 27-5- 1972

9 Volgens de hierboven aangehaalde brief van 9 mei en het interview van 3 juni in de LC.

10 Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 109.

11 H.H. van Regteren Altena, ‘Winsum, gem. Baarderadeel (Fr.): “zilverschat”’, in: De Vikingen in de Lage Landen, getoetst aan de Danelaw. Working Paper I, Instituut voor Pre- en Protohistorie, Universiteit van Amsterdam (Amsterdam 1971) 19-25.

12 Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 82, met de mededeling dat op 30 maart ook twee juristen bij het overleg aanwezig waren; voor de aanwezigheid van Van Regteren Altena: G. Elzinga, ‘Archeologische afdeling’, De Vrije Fries 52 (1972) 122-136, aldaar 136.

13 Volgens T. Helperi Kimm in zijn interview met de LC, zie hierboven noot 8.

14 Tijdens een tweede vergadering 19 juni werd tot nader onderzoek besloten: Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 82.

15 Elzinga, ‘Archeologische afdeling’, 136; Düwel en Tempel, ‘Knochenkämme’; Van Regteren Altena, ‘Winsum’.

16 Zijlstra schreef op 1 maart en 10 april brieven aan respectievelijk Elzinga en het Fries Museum, waarop hij nog geen antwoord had gekregen toen hij zijn brief naar de LC zond, volgens het interview met Zijlstra LC 3 juni. Vgl. Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 85.

17 J. Zijlstra, J., ‘Vikingsaga’ (ingezonden brief van 26 april), LC 3 mei 1972, 5.

18 Ook Arnold Carmiggelt is die mening toegedaan: A. Carmiggelt, ‘“Ik weet ook hoe snel praatjes ontstaan.” Assien Bohmers en vier vervalsingsaffaires in de Nederlandse archeologie’, in: M.J.L.Th Niekus e.a. (red.), A mind set on flint. Studies in honour of Dick Stapert (Groningen 2012) 473-504, aldaar 485.

19 T. Helperi Kimm zou naar aanleiding van een te koop aangeboden zilveren krijgertje onlangs (dus in 1971/1972) tegen Zijlstra hebben gezegd dat het (of hij?) ‘nou moest ophouden. Dit is te gek, jong’, zie hierboven noot 8. Iets explicieter was Zijlstra’s directe baas geweest. Omstreeks 1985 vertrouwde Zijlstra de eerste auteur toe dat mr. Kuipers van het Leeuwarder Gerechtshof hem rond 1972 had gesommeerd het veronderstelde atelier per direct te sluiten.

3. De brief die Zijlstra aan de krant stuurde kwam als een boemerang op hem terug toen de krant besloot de mening van het FriesMuseum te volgen en Zijlstra zonder wederhoor verdacht te maken. Voorpaginanieuws van de Leeuwarder Courant, 3 5-1972

Zijlstra beschuldigd en verdedigd

De kwestie haalde op woensdag 3 mei 1972 de voorpagina van de Leeuwarder Courant (afb. 3).

Of Zijlstra er gelukkig van werd, valt echter te betwijfelen. Met een groot stuk, dat voor zover wij weten geschreven was door de met Elzinga bevriende journalist Sytse Jan van der Molen, koos de krant duidelijk partij, ook al werden vragende koppen gekozen: ‘Zilverschat uit Winsum in Friese Museum een vervalsing?’ en ‘Is Fries Museum dupe van falsificateurs?’ Gemeld werd wel dat het onderzoek nog niet was afgerond. De lezer, die onder de indruk zal zijn gekomen van al die directeuren, hoogleraren en andere gestudeerden, was het echter wel duidelijk: er waren spullen vals, er waren vervalsers en het kon niet anders of tussenpersoon Jan Zijlstra, die (een eenvoudige) bode bij het gerechtshof was en (ook al verdacht) handelaar in oudheden en antiek, moest er meer van weten. Zijlstra’s sowieso moeilijk toegankelijke ingezonden brief moest wel doel missen, te meer omdat in het hoofdartikel impliciet werd gesuggereerd dat hij mogelijk uit rancune had gehandeld omdat hij indertijd niet bij het museum was aangesteld: ‘In 1966 verbrak Zijlstra echter de relatie met het Fries Museum, toen het na rijp beraad toch niet wenselijk werd geacht, mede door zijn handelsactiviteiten, hem na een aanvankelijk welwillend ontvangen sollicitatie bij het Museum aan te stellen.’

Bovendien mocht Zijlstra, die met zijn brief de krant ‘ongewild op het spoor had gezet’, niet zeuren over geheimhouding: er was niets geheim, hij had toch zelf ook wel ‘de publicatie der universiteit van Amsterdam’ kunnen lezen? Het door Zijlstra gevraagde redactioneel commentaar vond men dan bij de krant niet nodig, aldus het stuk, implicerend: de feiten spraken voor zich. Dat de directie van het Fries Museum geen reden had om bij Zijlstra kwade trouw te veronderstellen, vond de lezer alleen terug in een korte redactionele opmerking bij diens brief. Maar die zal in het totale verband als een juridische voorzorgsmaatregel zijn overgekomen. De verdediging van Zijlstra moest uit andere hoek komen. Twee van de particuliere verzamelaars die van Zijlstra hadden gekocht, werden uitgebreid aan het woord gelaten in grote stukken die op 8 en 27 mei gedrukt werden. Zowel Mensonides als Kimm verklaarden, mede namens M. Kloetstra uit Noardburgum en H.M. Staal te Stiens, dat zij zeer goede ervaringen met Zijlstra hadden en dat ‘niemand zich doelbewust bedrog door Jan Zijlstra kon voorstellen’.20

Ondertussen bleven de vervalsingen keurig in de vitrine van het museum tentoongesteld, zij het met een waarschuwing erbij dat ernstig aan de echtheid van de voorwerpen werd getwijfeld. Maar als Zijlstra niet (alleen) achter de vervalsingen zat, wie dan wel: De Jong en/of anderen? En welk doel had men ermee gehad? Het voert hier te ver om de toen gepresenteerde opvattingen na te lopen. Een paar willen we wel noemen. Zo gaf Kimm uiting aan de gedachte dat de vervalsingszaak terug te voeren was op de wens om Boeles te beschadigen.21 Dat was toen niet zo’n vreemde gedachte. Had deze geen wraak over zich afgeroepen door bij herhaling de mening te verkondigen dat de Friezen niet afstamden van de Friezen uit de Romeinse tijd en dus geen zuiver oud Fries bloed in hun aderen hadden stromen?22 En konden met het aansmeren van vervalsingen niet alleen Boeles zelf maar gelijk ook diens opvattingen in diskrediet worden gebracht?23 Het veronderstelde complot vroeg om daders op de achtergrond. Reeds in het eerste stuk van 3 mei viel de naam van de archeoloog Assien Bohmers, de steentijdspecialist die in 1941 met Duitse steun bij het Biologisch-Archaeologisch Instituut (BAI) van de Rijksuniversiteit Groningen was aangesteld en daar tot begin 1967 werkzaam was gebleven. 24 Deze zou de eerste bezitter zijn geweest van een vervalst runenstaafje, dat hij aan Romke de Jong had overgedaan en dat nu via De Jong in het bezit van het BAI was gekomen.25 Bohmers had De Jong dus een vervalsing aan de hand gedaan, de bedrieger bedrogen aldus de krant, een kwalificatie waartegen Bohmers op 12 mei protesteerde.26 In 1975 zou Elzinga op dit spoor verdergaan en achter de vervalsingen invloeden van SS-ideologieën vermoeden, die ook door Bohmers waren aangehangen toen deze bij Das Ahnenerbe werkzaam was.

De betrokkenheid van Bohmers bij het vervalsen van de Vikingvondsten werd ditmaal niet expliciet benoemd. Elzinga beperkte zich ertoe ‘het niet onmogelijk te achten’ dat net als in Duitsland ook in Nederland een atelier onder nationaalsocialistische invloed ‘oer-Germaanse’ voorwerpen had geproduceerd. Hij kon zich ook voorstellen dat de jonge in bodemvondsten geïnteresseerde Romke de Jong ‘wellicht zonder dit aanvankelijk te beseffen’ in de ban was gekomen van ‘een groepering die doelbewust en op geraffineerde wijze een poging wilde doen om het beeld van de Friese voorgeschiedenis te wijzigen’. De productie moest na de oorlog zijn doorgegaan. Zeker toen, zo volgt impliciet uit het betoog, was Romke de Jong niet langer onschuldig.27

21 Volgens T. Helperi Kimm in zijn interview met de LC, noot 8 hierboven.

22 De gedachte dat er sprake was geweest van ‘een geraffineerde vervalsingscampagne’ gericht tegen Boeles als ‘wraakneming van pro-Friese zijde’ vond ook Zijlstra volgens de krant ‘niet zo gek’: LC, interview van 3 juni. Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 109 sloot niet uit dat vervalsingen de officiële archeologen moesten compromitteren.

23 De opvattingen van Boeles riepen vanaf het begin bij Friese historici veel weerstand op. De kritiek zwol aan na de publicatie van de tweede druk van Boeles’ hoofdwerk in 1951. Voor een van de laatste belangrijke kritieken, zie A. Russchen, New light on dark-age Frisia (Drachten 1967); voor een overzicht van de discussie en een herwaardering van Boeles’ visie: zie J. Bazelmans, ‘Het laat-Romeins bewoningshiaat in het Nederlandse kustgebied en het voortbestaan van de Friezennaam’, Jaarverslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek 2000, 76-82, 14-75.

24 Bohmers werd in 1965 geschorst, niet vanwege zijn activiteiten gedurende de oorlogsjaren, maar naar aanleiding van illegaal wapenbezit en begin 1967 eervol ontslagen: Carmiggelt, ‘Assien Bohmers’, 492.

25 Hier is overigens een vergissing in het spel, een die al gemaakt is door Boeles. Later zou Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 88 en vooral 93, melden dat de BAI-vondst een naald met runen moest zijn ter onderscheiding van het staafje uit Jouswier, ook wel ‘het AML(E)HD-amulet van Jouswier’ en ‘het beentje van Kamminga’ genoemd, die in het bezit was van de Oudheidkamer het Admiraliteitshuis te Dokkum. Voor een andere reis, de naald en een andere visie op het handelen van Bohmers: zie Carmiggelt, ‘Assien Bohmers’, 486-487.

26 A. Bohmers, ‘Bedrieger bedrogen (ingezonden brief)’, LC 12 mei 1972, 5. De krant corrigeerde de mededeling dat Bohmers ‘ongevraagd ontslag was verleend’, maar zei niet te begrijpen dat Bohmers uit het krantenbericht had opmaakt dat de kwalificatie bedrieger op hem sloeg.

27 Bohmers trad in 1938 in dienst bij Das Ahnenerbe, een nationaalsocialistisch onderzoeksinstituut. Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 106-109, noemt de mogelijke rol van Das Ahnenerbe en zijn medewerkers, waaronder die welke aan de Rijksuniversiteit Groningen verbonden waren, maar noemt Bohmers niet bij naam. Kerst Huisman gaf in 2004 een meer expliciete samenvatting van de mening van Elzinga door wel de naam van Bohmers te noemen: ‘De Vikingschat van Winsum, een intrigerende affaire’, Fryslân 10 (2004), nr. 1, 13-14. Ook hij suggereerde toen dat Bohmers bij de zaak betrokken was. Volgens Carmiggelt, ‘Assien Bohmers’, 484-487 bestaat er echter geen bewijs dat Bohmers als dader bij de Vikingvervalsingen betrokken is geweest. Hij volgt Elzinga als hij Romke de Jong aanwijst als doelbewust verspreider van vervalsingen.

Een Leeuwarder Vermaning?

Nu was Zijlstra ten tijde van de Duitse capitulatie vier jaar oud, wat hem toch moet hebben vrijgepleit van de verdenking de vervalsingen zelf te hebben gemaakt. Volgens deze lijn doordenkend had hij kunnen beweren dat hij slechts oude vondsten had doorverkocht, zonder dat hij wist dat het om vervalsingen ging. Maar voor deze tactiek koos Zijlstra niet toen hij meer specifiek op de beschuldigingen reageerde. Opnieuw deed hij dat middels een ingezonden brief, die op 9 mei verscheen en die hij schreef vóór de verschijning van het interview met Mensonides.28 Hij koos voor de frontale aanval door het Fries Museum onkunde te verwijten. Hij benadrukte te hebben gehandeld op nadrukkelijk verzoek van Elzinga en Waterbolk, en meldde nog steeds overtuigd te zijn van de eerlijkheid van Romke de Jong. ‘Ik wens met nadruk te stellen dat ik, vertrouwend op minstens vijf academische deskundigen en één archeoloog zonder graad, als betrekkelijke leek steeds te goeder trouw heb gehandeld.’ Hiermee deelde hij en passant een plaagstoot uit aan Elzinga die niet aan een universiteit afgestudeerd was.29

De Vikingschataffaire raakte in juni 1972 in een geheel ander vaarwater. Allereerst draaide de Leeuwarder Courant bij. De eerste publicatie was nogal uitgesproken geweest en de daaropvolgende interviews hadden wel een interessante discussie losgemaakt, maar de eerste verdachten niet schuldiger gemaakt. Bovendien rees op grond van de eerste reacties van Bohmers en Zijlstra het idee dat misschien niet alles klopte. Het was de redactie klaarblijkelijk duidelijk dat het tijd was voor wederhoor. Er werd besloten tot een interview met Zijlstra dat op 3 juni 1972 paginagroot met portretfoto werd afgedrukt (afb. 4).30

Het was afgenomen door de historicus Kerst Huisman, die pas bij de krant was aangesteld en die Zijlstra welwillend zou blijven volgen. In het interview met de hoofdkop ‘Archeologen moeten wel met bewijzen komen’ vertelt Zijlstra van alles te willen aannemen als de heren maar met goede argumenten kwamen. Hij was immers geen expert, maar vond de tot dan toe gepresenteerde bewijsvoering onder de maat. Hij herhaalde de punten uit zijn ingezonden brief van 9 mei. Hij was nog niet overtuigd dat de door hem aan het museum geleverde vondsten inderdaad vals waren en zei andermaal dat hij nog steeds in de oprechtheid van Romke de Jong geloofde: ‘hy is in twadde Tjerk Vermaning’.

4. Jan Zijlstra mocht van de krant eindelijk zijn kant van het verhaal vertellen. Foto: Leeuwarder Courant 3-6-1972

Hiermee vroeg Zijlstra met zoveel woorden aandacht voor het sociale aspect van de discussie. Vermaning was de amateurarcheoloog die in Drenthe de grootste archeologische schatten tevoorschijn bracht. De gevestigde wetenschap kon niets anders doen dan dankbaar volgen. En was Tjerk Vermaning niet een eenvoudige scharensliep die net als Romke de Jong op een boot woonachtig was en geen ingelijste diploma’s aan de wand had hangen? Dit zei Zijlstra allemaal niet, maar de lijn van verdediging was duidelijk: wie er ook achter de vervalsing had gezeten, hij wist het niet, maar was het niet vreemd dat de wetenschap zo gemakkelijk van standpunt kon veranderen?

Hier klopt iets niet

Op 25 juli maakte de krant bekend dat op grond van een tussenrapport van het Biologisch-Archaeologisch Instituut de valsheid van de voorwerpen (nog) niet aangetoond kon worden, aldus de kop, waarmee het stuk een heel andere indruk wekte dan wat het krantenartikel zelf over het rapport te melden had.31 Het was nu Elzinga die met een ingezonden brief kwam.32 Elzinga noemde het ronduit onfatsoenlijk dat zonder overleg uit een intern rapport was geciteerd. De redactie reageerde onderkoeld met de mededeling dat het de krant zelf was die uitmaakte wat er in de krant kwam en dat het in bepaalde gevallen zelfs onfatsoenlijk kon zijn om niet tot publicatie over te gaan.

Bovendien was de informatie die volgens Elzinga niet van het museum kon zijn verkregen, telefonisch verstrekt door museumdirecteur Boschma, waaruit de lezer kon afleiden dat de provinciaal archeoloog de inhoud van zijn brief niet met zijn directeur had besproken. Op 7 augustus kreeg eindelijk Romke de Jong het woord, toen hij met zijn tjalkje Oeral Thús even in Leeuwarden lag.33 Bijgestaan door zijn moeder gaf hij uiting aan zijn verontwaardiging, waarbij vooral Elzinga het moest ontgelden.

De heer De Jong had tot nu toe het stilzwijgen bewaard. ‘De lytse man moatte se dochs altyd ha. Tsjin dy grutte hearen kinne wy gewoane minsken dochs neat begjinne.’ De krant, die in de inleiding tot het interview uitdrukkelijk vermeldde dat de vervalsing nog niet bewezen was, kreeg trouwens ook een veeg uit de pan. Waarom waren verdachtmakingen al genoeg om zijn naam voluit te schrijven? Zijlstra zal tevreden zijn geweest, zeker toen hij de ironische column ‘Weekblad Bokwerder Belang’ van 10 augustus met de titel ‘Zeer beschaamzame vertoning in de oudheidkunde’ onder ogen kreeg en kon vaststellen dat de auteur zijn Vermaning- De Jong had opgepakt.34 De toenmalige terpschippers, zo luidde het, wisten als ‘mannen van de praktijk (..) er soms veel meer van af als de geleerden’. ‘Zijn onze terpen wel echt door de oude Friezen opgesmeten? Wij stellen die vraag maar, want wij weten dat niet met zekerheid en niemand van ons is er bij geweest, dus de wetenschap kan ons best oren aan het hoofd naaien.’ Zijlstra reageerde in een nieuwe brief instemmend en niet zonder humor, om af te sluiten met de herhaalde oproep aan het Fries Museum om de vervalsingen aan hem terug te verkopen.35 Wie beslist niet tevreden kon zijn was prof. Waterbolk in Groningen.

Het is begrijpelijk dat hij de Leeuwarder Courant op zijn instituut ontving om zijn visie te geven op wat de krant inmiddels een ‘tamelijk geruchtmakende zaak’ noemde.36 Volgens Waterbolk was de zilverschat van Winsum zonder twijfel vals, maar was juridische zekerheid over de valsheid onbereikbaar. De vondsten die via de lijn De Jong/Zijlstra waren binnengekomen waren wetenschappelijk onbruikbaar omdat het geheel aan specialistische onderzoeken op een opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was gestoten. Tenslotte rekende men op ‘ongedwongen wijze’ uit dat Romke de Jong wel erg jong was toen hij zijn eerste vondsten aan Boeles verkocht en toen toch al indruk maken kon. Het was duidelijk ‘dat ook hier iets niet klopte’.37 Ook ditmaal reageerde Zijlstra met een brief aan de krant die hij begon met de zinnen: ‘Het hoge woord is er eindelijk uit. Men kan inzake de “vervalsingen” waarschijnlijk niets bewijzen.’ Om zo af te sluiten: ‘Met betrekking tot deze affaire weten we slechts één ding zeker, namelijk: hier klopt iets niet.’38

28 J. Zijlstra, ‘Fries Museum’ (ingezonden brief), LC 9 mei 1972, 5.

29 Zie voor Elzinga’s studieperikelen: E. Kramer en G.J. de Langen, ‘Eigen koers langs kans en overmacht. Gerrit Elzinga als provinciaal-archeoloog van Friesland 1959-1988’, De Vrije Fries 98 (2018) 102-115.

30 LC 3 juni 1972, 9.

31 LC 25 juli 1972, 5. De krant citeerde: ‘Op grond van de (zilver)gehalten alleen is niet met zekerheid te zeggen dat de meeste zilveren voorwerpen vervalst zouden zijn’. Gemeld werd dat toepassing van de zogeheten spectraalanalyse uitkomst kon bieden. Dit onderzoek nam men voor, maar werd volgens Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’, 99 vanwege de hoge kosten niet uitgevoerd. Alleen de röntgenfluorescentiemethode werd herhaald, met dezelfde uitkomsten.

32 G. Elzinga, ‘Valse oudheden’ (ingezonden brief), LC 31 juli 1972, 4.

33 ‘En dêr liet dy fint sa stikem in moai ding yn lears fordwine’ LC 8 augustus 1972, 5.

34 LC 10 augustus 1972, 9.

35 LC 11 augustus 1972, 5.

36 ‘Prof. Waterbolk: zilverschat Winsum zonder twijfel vals. “Juridische zekerheid onbereikbaar”, LC 19 augustus 1972, 9.

37 Het was hun berekening die niet klopte, zoals Elzinga al in 1975 heeft vastgesteld: ‘Rondom de Vikingschat’, 108. De krant had aangenomen dat De Jong (1925-1998) in 1972 veertig jaar oud was, maar deze was toen in werkelijkheid al 47. Toen hij ca. 1943/44 zijn eerste vondsten verkocht dan wel wegschonk was hij dus niet ‘een jaar of twaalf’, maar achttien of negentien jaar oud. In 1946, toen hij met Boeles in contact kwam, was hij met 21 jaar oud genoeg om indruk te maken en zelf de runen in een Thorhamertje te kunnen krassen, iets wat hij tegenover Boeles zou hebben toegegeven te hebben gedaan. Carmiggelt, ‘Assien Bohmers’, 487. Boeles zou aan de echtheid van het hamertje zelf overigens niet hebben getwijfeld (ibidem).

38 J. Zijlstra, J., ‘Hier klopt iets niet’ (ingezonden brief), LC 23 augustus 1972, 5.

De affaire dooft uit, maar eindigt niet

We mogen vaststellen dat Zijlstra was gegroeid in zijn rol als vals beschuldigde. Zijn tegengeluid had ruimte gekregen in de Leeuwarder Courant. Het definitieve rapport, dat Elzinga begin 1975 in De Vrije Fries openbaar maakte, bracht weinig nieuws,39 al werd het wel duidelijk dat de wetenschappelijke wereld klaar was met de zaak en de Vikingschat van Winsum definitief terzijde had gelegd. Even goed kwam het over als een zwaktebod dat de valsheid niet aan de hand van de samenstelling van het zilver werd bewezen. Zijlstra mocht van de Leeuwarder Courant met twintig bezwaren komen en in juli nog eens met een groot cryptisch stuk.40 Het Nieuwsblad van het Noorden legde een uitdrukkelijke link met de zaak Vermaning.41 Deze kwestie doorliep in zekere zin een omgekeerde gang als de Vikingschataffaire, aangezien deze als loftuiting was begonnen, maar nu, sinds begin van het jaar, plotseling in een vervalsingszaak was veranderd. Het leek voor velen of ook hier een eenvoudig man slachtoffer dreigde te worden van de gevestigde orde. Toch waren de Friezen wel klaar met hun eigen Vikingschataffaire. Zonder duidelijke daders doofde de zaak. In 1979 kwam Zijlstra nog met twee ingezonden brieven op de zaak terug, waarin hij vroeg om openbaarmaking van de resultaten van het juist afgesloten justitionele onderzoek,42 maar deze actie zette op geen enkele wijze zoden aan de dijk. In de zijlijn van de zaak Vermaning leek het Nieuwsblad van het Noorden Zijlstra nog een kans te willen geven en voerde hem ten tonele als ‘het nieuwste slachtoffer van de inquisitie der archeologie’.43 Op een foto bij het stuk zag de lezer de 38-jarige Zijlstra als pijp rokende ‘amateur-schatgraver’ gezeten aan zijn bureau op de zolder van zijn ouderlijk huis (afb. 5).

5. Jan Zijlstra in 1979 tijdens een interview met het Nieuwsblad van het Noorden, 18-10-1979. Foto: Joop Fenstra

Met een oudheidkundig voorwerp in zijn hand, omringd door diverse archeologische vondsten en keurig in het pak leek hij eerder aansluiting te zoeken bij zijn tegenstanders dan bij binnenschipper De Jong. De reportage was vooral een terugblik en miste urgentie. De kop ‘Vikingschat inzet van stevige ruzie’ bleef in de lucht hangen. De zaak was voorbij. Weldra diende zich een nieuwe generatie archeologen aan voor wie de Vikingschataffaire niet of nauwelijks een issue was. En Elzinga? Wie in de vorige Vrije Fries onze lofzang op hem heeft gelezen,44 zal zich toch afvragen of wij onze visie op hem inmiddels hebben bijgesteld. Nee, dat is niet het geval. Toegegeven, uit bovenstaande blijkt dat hij in deze vervalsingszaak niet altijd even handig opereerde. Maar om begrip op te brengen voor zijn inschatting van het belang van de zaak zelf, is een breder perspectief nodig. Natuurlijk was de zaak voor Zijlstra belangrijker dan voor Elzinga, al zal laatstgenoemde zeker niet blij zijn geweest met de hier aangehaalde berichtgeving.

Toch was het voor Elzinga maar één aspect van zijn werk. Hij had meer aan zijn hoofd en in dat verband is het illustratief dat het Nieuwsblad in oktober naast Zijlstra ook Elzinga afbeeldde, nota bene in het veld met laarzen aan, op bezoek bij zijn belangwekkende opgraving aan het Gouverneursplein in Leeuwarden. Met het nalopen van alle bodemverstoringen en het uitvoeren van eigen opgravingen, om slechts een deel van zijn werkzaamheden te benoemen, zag Elzinga zich gedwongen keuzes te maken. Daarbij won de actualiteit het al snel van archiefwerk, waar de discussie over de vervalsing voor hem eigenlijk wel onder te rekenen viel. Bovendien lag in de Noord-Nederlandse archeologie de wetenschappelijke prioriteit toen nog niet bij de studie van metalen voorwerpen en waren de vroege middeleeuwen nauwelijks uitgezonderd uit de gehele terpentijd. Een deel van het probleem is trouwens terug te voeren op afwijkende en zelfs tegengestelde belangen die wel vaker naar boven komen wanneer een generalist in contact treedt met een specialist.

Voor Zijlstra zelf was de affaire echter allerminst verleden tijd. Voor zover hij ooit ontzag voor gestudeerde archeologen had gehad, was dat nu voorbij, al is het de vraag of respect voor autoriteiten in welke hoedanigheid wel paste bij zijn karakter. Hij toonde zich in zijn latere leven tenminste wars van elke kritiek, hoe goedwillend en opbouwend die ook bedoeld was. Het heeft het contact dat sommige archeologen zochten niet bevorderd, zeker niet wanneer die van de Rijksuniversiteit Groningen afkomstig waren. Natuurlijk heeft Zijlstra met de hiërarchische verhoudingen gespeeld, omdat hij een eigen positie wilde houden en zijn contacten in het veld niet in gevaar wilde brengen. In het wetenschappelijke debat bleven bij hem de spanningen echter wel degelijk vlak onder de huid, mogelijk omdat hij, geïnteresseerd als hij was in Friese koningen en hun perikelen, ook bij de beoefening van archeologisch werk dacht in termen van macht. Het was zijn overtuiging dat academici alleen geïnteresseerd waren in zijn contacten en privécollectie. Hij nam de kritiek die op Romke de Jong was geuit zeer ter harte.

In het Nieuwsblad gaf hij toe dat deze te vaag had gedaan over de herkomst van de vondsten.45 Dat zou hij anders aanpakken, door zijn vondsten voortaan nauwgezet te documenteren. Toch zou hij in een bepaald opzicht wel gaan lijken op De Jong, over wie hij toen zei: ‘Verbolgen heeft hij zich teruggetrokken op zijn terpschip, omringd door archeologische voorwerpen. Want hij heeft nog heel wat aan boord. Dat zal waarschijnlijk nooit in het Fries Museum te aanschouwen zijn.’ Dat zou een zowel een waarschuwing als een uitnodiging blijken te zijn, want dat was precies wat Zijlstra inmiddels als strategie had gekozen: het uitbouwen van zijn collectie en zien wie van de nieuwe heren zou toehappen.

Nieuwe tijden, nieuwe kansen

Het kan best zijn dat Zijlstra toen al concrete plannen had, want eind jaren 1970 waren ook in Friesland de eerste metaalzoekers met hun detectoren actief. In de weekeindbijlage van de Leeuwarder Courant werd het zoeken naar metalen voorwerpen, een ‘(ont)spannende, gezonde hobby’, nog onverbloemd schatgraven genoemd.46 Elzinga zou snel tot de ontdekking komen dat deze nieuwe ontwikkeling voor hem onbeheersbaar was en dat zijn alom bekende afkeer van privéverzamelingen hem nu behoorlijk ging tegenwerken.47 Een deel van de metaalvondsten was geld waard en werd al snel verhandeld zonder dat het museum er iets over kon registreren, laat staan dat het deze objecten aan zijn eigen collectie kon toevoegen. Deze situatie was overigens bepaald niet alleen een Fries probleem. Geheel de jaren 1980 (en ook nog een lange tijd erna) werd er landelijk in archeologische kring druk gediscussieerd over de goede vorm van metaal zoeken. De praktijk was dat er steeds opnieuw ad-hocoplossingen moesten worden gevonden door individuele beroepsarcheologen en dito zoekers.

Er werden verenigingen opgericht die een en ander moesten coördineren, wat niet kon verhinderen dat veel zoekers zelfstandig hun weg bleven gaan.48 Het was in dit niemandsland tussen Fries Museum en de zoekers in het veld dat Zijlstra zijn kans schoon zag. Zijn ervaring en capaciteiten als handelaar kwamen hem uitstekend van pas, evenals zijn blazoen als eenzame vechter tegen museum en wetenschap die vondsten en roem wilden afromen. Hij was bereid en in staat aandacht en geld te geven en het duurde niet lang of een gestage stroom vondsten werd richting de Jan Piebengawei 51 in Westeinde, Leeuwarden, gekanaliseerd. Wij kunnen Zijlstra hiervoor niet genoeg prijzen. Van veel metaalvondsten uit die beginperiode werd de vindplaats vergeten, bijvoorbeeld omdat ze werden verhandeld of gewoon omdat de vinder er geen notitie van had gemaakt en de tijd zijn werk deed. Dat zou Zijlstra niet gebeuren, want hij wist maar al te goed hoe de collectie De Jong was bekritiseerd. Het in 1990 verschenen invloedrijke eerste deel van zijn in eigen beheer uitgegeven serie Friese bodemvondsten laat zien hoe het volgens hem moest: de relevante vondsten, die alle uit Wijnaldum kwamen, waren door hem getekend en individueel beschreven (afb. 6).49 De metaaldetectie zou zorgen voor een omwenteling in de Friese terpenarcheologie.

Overal werden vondsten gedaan, vooral op terpen die als akker in gebruik waren. Veel van die terpen waren niet af nauwelijks afgegraven en begonnen nu pas hun geheimen prijs te geven. Met name Noord-Westergo zou veel beter in beeld komen.50 Daarbij kwam dat met hun aantal ook het belang van de metalen voorwerpen voor de wetenschap groeide. Al in 1984 zocht de eerste auteur, die een jaar eerder aan het Fries Museum als archeoloog was aangesteld en het jaar daarop hoofd van de afdeling archeologie werd, contact met Zijlstra. Het was nog even schipperen vanwege alle gevoeligheden, al maakte Elzinga, die er het zijne van dacht, geen bezwaar tegen het hernieuwde contact. Pas in 1988, het jaar van Elzinga’s pensionering, kreeg het hernieuwde contact een meer officiële bevestiging in het verslag van de archeologische afdeling van het Fries Museum over 1987, zoals dat te vinden was in De Vrije Fries: Zijlstra’s collectie werd geroemd en enkele vondsten, nota bene getekend op het Biologisch-Archaeologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen, werden in de Archeologische kroniek afgebeeld.51 Zijlstra zal er een borrel op genomen hebben. Na 20 jaar was hij weer binnen bij het Museum en nu, naar zou blijken, voorgoed.

39 Elzinga, ‘Rondom de Vikingschat’: weinig nieuws, in die zin dat het verslag hoogstens was verbreed met de mening van enkele specialisten en een uitgebreide beschrijving van voorwerpen en hun vondstgeschiedenis. Het onderzoek was evenwel niet uitgebreid met de toepassing van nieuwe technieken. En hoeveel vondsten ook waren beschreven, betreffende de daders ging het nog steeds eerder om waarschijnlijkheden dan om vastgestelde juridische feiten.

40 J. Zijlstra, ‘Twintig kanttekeningen bij het Vikingrapport’, LC 24 mei 1975, 5; idem, ‘Het brein achter de Vikingschat: Cornelis over de Linden van het Oera Linda-boek? Al voor 1900 vreemde vervalsingen’, LC 26 juli 1975, 25.

41 Harm van den Berg, ‘Vermaning struint; Stapert tas kwijt; Elzinga speurt nog. Friese en Groningse vervalsingszaken hebben alles met elkaar te maken’, Nieuwsblad van het Noorden 7 juni 1975, 15.

42 J. Zijlstra, J., ‘Vikingschat’ (ingezonden brieven), LC 8 en 10 oktober 1979, 5.

43 ‘Vikingschat inzet van stevige ruzie. Archeologen rollen weer vechtend over straat’, Nieuwsblad van het Noorden 18 oktober 1979, 21.

44 Kramer en De Langen, ‘Elzinga’.

45 Van den Berg, ‘Friese en Groningse vervalsingszaken’: ‘Volgens Zijlstra heeft de ontdekker [sic] van de Vikingschat, Romke de Jong ook wel schuld aan het oproepen van twijfels rond zijn ontdekkingen. De Jong had altijd erg vage verklaringen over de herkomst van zijn Vikingjuwelen.’

46 LC 3 mei 1980, 43.

47 Zijlstra benadrukte deze aversie van Elzinga. Bij het interview met Zijlstra van 5 juni 1972 drukte de LC het volgende citaat prominent af: ‘Particuliere verzameling is voor Elzinga een vies woord’.

48 Nog in 1992 werd het noodzakelijk geacht een nieuwe vereniging (De Detector Amateur) op te richten om overleg tussen zoekers en officiële instanties te stimuleren en gedragsregels op te stellen ‘zodat detectoramateurs niet langer archeologische opgravingen plunderen en belangrijke archeologische vondsten onderhands verhandelen’: F. Nicolai, ‘Detectoramateurs willen schatgraversimago kwijt’, LC 23 maart 1992, 11. In 1990 had de opvolger van Elzinga, Jurjen Bos, een onderscheid gemaakt tussen constructieve en criminele metaaldetectie: ‘Constructieve en criminele metaaldetectie: aanzet tot een discussie’, Westerheem 39 (1990) 169-172, en gesproken over illegale archeologie als diefstal en handel in bodemvondsten als heling: ‘Het Fries Museum en de archeologie in 1990’, De Vrije Fries 70 (1990) 113-126, aldaar 122. De opvattingen van Bos waren in een ingezonden brief van L.J. Haak uit Drachten gekwalificeerd als een hetze tegen mensen met een metaaldetector die volgde op de intolerantie van Elzinga (LC 22 januari 1991, 9). Zijlstra had daarop reagerend ook een duit in het zakje gedaan: ‘Hoewel ik de huidige provinciale archeoloog hoger inschat dan zijn voorganger, ben ook ik van mening dat in het algemeen de intolerantie toeneemt tot schade van de wetenschap’ (LC 5 februari 1991, 9).

49 J. Zijlstra, ‘Finns Fibula’, Friese bodemvondsten 1 (Leeuwarden 1990)

50 J. Bazelmans, D. Gerrets en A. Pol, ‘Metaaldetectie en het Friese koninkrijk. Kanttekeningen bij de centrumfunctie van noordelijk Westergo in de vroege Middeleeuwen’, De Vrije Fries 78 (1998) 9-48.

De fibula van Wijnaldum als gesp

Met het weer binnenhalen van Zijlstra kreeg het Museum een beter zicht op de recente vondsten, niet alleen dankzij de toegang tot de collectie van Zijlstra, maar ook, dankzij Zijlstra’s bemiddeling, tot die van derden. Het belang van Zijlstra zou echter al snel veel verder blijken te reiken. Geïnteresseerd als hij was in de voetplaat van Wijnaldum en de exacte vindplaats ervan begon hij vondsten uit Wijnaldum gericht aan te kopen en liet hij zijn contacten er ook speciaal naar zoeken. Hier wou en zou hij zijn grote slag slaan. De voorgeschiedenis van deze vondst laat goed zien hoe het gesteld was met het onderzoek naar metalen voorwerpen in Friesland vóór de komst van de metaaldetector. De voetplaat was in het begin van de jaren 1950 gevonden op een van de terpen van Wijnaldum, en wel bij het handmatig uitdiepen van de sleuven die nodig waren voor het leggen van eerste keramieken drainage pijpen. Naar verluidt lag de vondst in de nabijheid van menselijke schedels. Deze schedels lagen tot hun verdwijning in de schuur van de heer J. Bergmans sr., de vader van de boer ten tijde van de opgravingen.

De voetplaat verdween naar de huiskamer, om vandaar te verhuizen naar een van de vensterbanken van de zuster van Bergmans op terp Hatzum bij Dronryp. Daar trok hij in 1954 de aandacht van de plaatselijke huisarts K.M. van der Kooi, die de vondst meldde bij het Fries Museum. In ruil voor Makkumer aardewerk kwam de voet plaat in het bezit van het museum, dat de waarde van het voorwerp meteen hoog inschatte.52 Een jaar na de verwerving nam toenmalig directeur Abraham Wassenbergh de voetplaat mee naar het British Museum toen hij voor andere zaken in Londen moest zijn.53 Daar toonde hij zijn vondst aan Rupert Bruce-Mitford, de specialist die studie maakte van het vorstengraf van Sutton Hoo, dat in 1939 was opgegraven.

6. Een pagina uit het eerste deel van Zijlstra’s Friese bodemvondsten (1990). De vondsten zijn individueel beschreven en getekend en hebben een exacte vindplaats (Wijnaldum)

De voetplaat verdween naar de huiskamer, om vandaar te verhuizen naar een van de vensterbanken van de zuster van Bergmans op terp Hatzum bij Dronryp. Daar trok hij in 1954 de aandacht van de plaatselijke huisarts K.M. van der Kooi, die de vondst meldde bij het Fries Museum. In ruil voor Makkumer aardewerk kwam de voet plaat in het bezit van het museum, dat de waarde van het voorwerp meteen hoog inschatte.52 Een jaar na de verwerving nam toenmalig directeur Abraham Wassenbergh de voetplaat mee naar het British Museum toen hij voor andere zaken in Londen moest zijn.53 Daar toonde hij zijn vondst aan Rupert Bruce-Mitford, de specialist die studie maakte van het vorstengraf van Sutton Hoo, dat in 1939 was opgegraven. Bruce-Mitford kende de vondst uit Wijnaldum al van een vooruit gestuurde foto, op grond waarvan hij in de vorm van een korte handgeschreven brief als volgt had geantwoord:

Dear Dr. Wassenbergh, Your buckle (sic) is quite fabulous. It is a long time since I have seen anything so exciting. Of course I shall be delighted to see you, and it, in March. I expect to be at the Museum 6-11th March. Many thanks for drawing my attention to this interesting piece. Looking forward to meeting you. Yours sincerely, R.L.S. Bruce-Mitford.54

Het enthousiasme over de voetplaat, die toen nog als een buckle (gesp) werd gedetermineerd, bleef aanhouden. Bruce-Mitford roemde de kwaliteiten van de edelsmid die het sieraad had gemaakt en bracht deze in verband met de maker van de voorwerpen die uit het koningsgraf van Sutton Hoo bekend waren. In eerste instantie meende Bruce-Mitford gelijktijdigheid te mogen vooronderstellen, waarop hij later terugkwam.55 De voetplaat bleef ter restauratie en nadere bestudering in het British Museum achter, om pas een jaar later naar Leeuwarden terug te keren. Het museum was dus opeens eigenaar van een voorwerp van koninklijke en internationale allure. Deze status werd in Nederland hooggehouden door Albert Russchen (in 1967; afb. 7), en elders door Bruce-Mitford (in 1974) en Ruth Mazo Karras (in 1985).56

Toch verdween de vondst langzaam naar de achtergrond. De gesp zette niet aan tot nader onderzoek naar de vroegmiddeleeuwse eigenaars van het sieraad, die toch tot de hoogste sociale laag moesten hebben behoord.

Het is wat dat aangaat illustratief dat zelfs de archeoloog en expert Herre Halbertsma in zijn uitgebreide studie aan het vroegmiddeleeuwse koninkrijk geen of nauwelijks aandacht aan de fibula van Wijnaldum besteedt.57 In het Fries Museum was de vondst nog niet tot icoon verheven: de gesp hing met andere sieraden in een ongunstig geplaatste, sterk ingekorte vitrine.

 

 

7. Albert Russchen plaatste in 1967 de voetplaat uit Wijnaldum prominent, zij het op de kop, op de omslag van zijn New Light on Dark-Age Frisia

 

Wat wellicht ook niet meehielp, was dat een veldbezoek, ingesteld na de verwerving rond 1955, zonder resultaat was gebleven: de precieze vindplek kon niet meer worden aangewezen.58

Er zijn twee belangrijkere redenen waarom de fibula aanvankelijk geen onderzoekers op het spoor van de vroegmiddeleeuwse elite zette. De eerste was de wijze waarop het regionale archeologische onderzoek was ingebed en richting werd gegeven. In deze tijd ging namelijk alle aandacht uit naar noodopgravingen en nederzettingsonderzoek. De tweede reden, die aan de eerste verwant is, was het feit dat het omvangrijke corpus van bijzondere metalen voorwerpen die uit de terpen tevoorschijn gekomen waren, geen context had. Het grootste deel was namelijk gevonden tijdens de commerciële afgravingen van terpen gedurende de negentiende en vroege twintigste eeuw. Het waren toevalsvondsten, die gezien hun relatief bescheiden aantal nog geen statistische waarde hadden. Bovendien werden deze vondsten na de stopzetting van de afgravingen lange tijd slechts mondjesmaat aangevuld met nieuwe. Pas met de introductie en brede toepassing van de metaaldetector zou daar verandering in komen. Nadere studie aan metaalvondsten werd daarom nauwelijks zinvol geacht. De Romeinse munten en beeldjes kregen als vanouds nog de meeste aandacht. Een onderzoekstraditie voor wat betreft de vroegmiddeleeuwse voorwerpen moest echter nog worden opgebouwd. Metalen voorwerpen werden hoogstens aangewend om de bewoningsverspreiding en welvaart van de vroegmiddeleeuwse terpbewoners te illustreren en niet zozeer hun sociaalpolitieke organisatie.59 Boeles vormde in zekere zin de uitzondering op de regel.60

51 E. Kramer, ‘Archeologische afdeling’, De Vrije Fries 68 (1988) 171-185.

52 Voor de vondstomstandigheden en de lotgevallen van de pas gevonden voetplaat: J. Schoneveld en J. Zijlstra, ‘The Wijnaldum brooch’, in: J.C. Besteman, J.M. Bos, D.A. Gerrets, H.A. Heidinga en J. de Koning (red.), The excavations at Wijnaldum. Reports on Friesland in Roman and Medieval times, dl. 1 (Rotterdam 1998) 191-201, aldaar 191.

53 A. Wassenbergh, ‘Verslag van de directeur van het Fries Museum, Stania-state en het kerkmuseum Janum (1954)’, Verslag van het Fries Genootschap en het Fries Museum 126 (1955) 8-20. Hoewel Wassenbergh wist dat Bruce-Mitford de nieuwe vondst een buckle (gesp) noemde, gebruikte hij zelf het iets ruimere begrip spang en sprak van ‘een der belangrijkste vondsten, welke ooit in het Friese Terpengebied is gedaan.’

54 Het briefje uit 1955 is gepubliceerd in J.C. Besteman, J.M. Bos en H.A. Heidinga, Graven naar Friese koningen. De opgravingen in Wijnaldum (Franeker 1992) 35-36.

55 R.L.S. Bruce Mitford, ‘Gold and Silver Cloisonné Buckle from Wijnaldum, Friesland’, in: A. Wassenbergh, ‘Verslag Fries Museum 1954’, 16-17. Idem, Aspects of Anglo-Saxon archaeology: Sutton Hoo and other discoveries (Londen 1974).

56 Bruce Mitford, Sutton Hoo and other discoveries; R. Mazzo Karras, ‘Seventh-Century Jewellery from Frisia: A re-Examination’, Anglo-Saxon studies in archaeology and history 4 (1985) 159-177. Russchen, New light on Dark-Age Frisia (Drachten 1969) omslag.

57 Halbertsma noemt de fibula van Wijnaldum in de postuum verschenen publieksversie van zijn dissertatie Frieslands Oudheid. Het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang (Utrecht 2000) 299, maar doet dat naar aanleiding van zijn kritiek op de te hard van stapel gelopen onderzoekers op hun koningsterp. In de originele versie (Rijksuniversiteit Groningen 1982) is de fibula afwezig. In Terpen tussen Vlie en Eems (Groningen 1963) vindt men wel een afbeelding van de voetplaat (Plaat XI), maar in de tekst wordt die niet afzonderlijk ter sprake gebracht.

58 Schoneveld en Zijlstra, ‘Wijnaldum brooch’, 191-192. Wat niet hielp was dat men wel de boer bevroeg, maar niet de arbeider die de voetplaat op zijn schop had gehad. Het is niet uitgesloten dat laatstgenoemde inmiddels was overleden.

59 Halbertsma is het beste voorbeeld. In zijn Frieslands Oudheid (publieksversie) presenteert hij zevende-eeuwse gouden mantelspelden uit Westergo en Oostergo als pronkstukken die ‘een tussenschakel vormen tussen de edelsmidkunst van Angelsaksisch Brittannia en Scandinavië.’ De fibula van Wijnaldum vormt voor hem echter geen aanwijzing voor een koninklijke elite (laat staan een te Wijnaldum): ‘Hooguit bevestigde de ter plaatse vermoedelijk door een rondtrekkende goudsmid vervaardigde fibula de grote welvaart van de bovenlaag van de terpbewoners, in casu de nobiles, die uit zo vele andere Friese schatvondsten naar voren springt.’ In eerdere publicaties komt hij niet of nauwelijks te spreken over de politieke status van de voormalige eigenaren van die schatvondsten of noemt hij in dezen hoogstens de mening van Boeles: H. Halbertsma, De oudste historie, in: Baerderadiel. In geakunde (tweede druk, Drachten 1977) 51-113 (vergelijk de eerste druk 1957). Zie ook zijn Terpen tussen Vlie en Eems, 61 en Frieslands Oudheid 1982, 41-45. Zie voor de verwaarlozing van goudvondsten als bron voor de studie aan politieke en sociale verschillen: J.A.W. Nicolay, Goudvondsten uit het Noord-Nederlandse terpengebied (450/500- 650 n.Chr.). Politieke, religieuze en sociale aspecten van import, circulatie en depositie van goud, afstudeerscriptie archeologie Rijksuniversiteit Groningen (Groningen 1998) 1-3.

60 Boeles, Friesland tot de elfde eeuw, 273, bracht de zevende-eeuwse goudvondsten wel in verband met de hoogste top een aanvoerder van het niveau van de uit de bronnen bekende Aldgisl ‘of een zeer vooraanstaande tijdgenoot.’ En p. 332: ‘De zevende eeuw moet voor Friesland een tijdperk geweest zijn van grote bloei en rijkdom. Vooral de tweede helft, de tijd der Friese koningen, die wellicht Angelsaksische juweliers tot zich trokken’. Overigens bestudeerde Boeles van de metaalvondsten vooral de munten.

De koninklijke fibula van Wijnaldum

De gesp van Wijnaldum zou dankzij Zijlstra een gedaantewisseling ondergaan en tenslotte in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. Zijlstra onderkende dat het sieraad geen onderdeel van een gesp was, maar de voetplaat van een fibula – een bijzonder grote fibula, bovendien. Dat was stap één. De tweede stap was dat Zijlstra op zoek ging naar informatie over de exacte vindplaats, die hij weldra meende te hebben getraceerd. Zijn zoekers vonden vervolgens rondom de aangewezen plek inderdaad fragmenten van de nog ontbrekende rest van de fibula, hetgeen zonder meer spectaculair te noemen viel. De fragmenten, stap vier, stelden Zijlstra in staat met een reconstructie van het geheel te komen (afb. 8).

Het ging volgens hem om een zogeheten disconbow-fibula, die mede gezien de kwaliteit van het smeedwerk en rijkelijke toepassing van granaatsteen, een koninklijk sieraad moest zijn geweest. Tenslotte meende Zijlstra te mogen aannemen dat zo’n voorwerp uit een grafcontext afkomstig was, een Fries vorstengraf om precies te zijn, waarvan de resten op de vindplaats zelf moesten worden gezocht. Zijlstra gaf nadrukkelijk toe dat hij ‘zich op het gebied der speculatie’ begaf toen hij de mogelijkheid opperde dat de vondsten verwezen naar een Fries koninkrijk of anders toch een Fries-Frankisch hertogdom. Nieuw op te zetten interdisciplinair onderzoek zou zeker resultaat boeken, meende hij.61

8. Zijlstra’s reconstructietekening van de Fibula van Wijnaldum. Friese bodemvondsten 1 (1990)

Deze visie verwoordde Zijlstra eerst in 1990 in een publicatie onder eigen beheer en vervolgens, in een meer beknopte versie, in een aflevering van Westerheem uit 1991.62 Met name de getekende reconstructie deed haar werk: vanaf nu was de grote fibula van Wijnaldum het masterpiece van vroegmiddeleeuws Westergo en een uitdaging voor eenieder die meende dat op de terpen daar slechts eenvoudige boeren hadden gewoond. Zijlstra vond een gewillig oor bij Jurjen Bos die in 1988 Elzinga als provinciaal archeoloog was opgevolgd. Veel meer dan Elzinga zou deze vanuit gerichte wetenschappelijke probleemstellingen opereren en zich minder laten verleiden tot het verrichten van kleinschalig noodonderzoek. Hij werkte dan ook vooral vanuit het Biologisch-Archaeologisch Instituut in Groningen.63 Bos was opgeleid aan het Instituut voor Prae- en Protohistorie te Amsterdam waar in de laatste jaren de interesse voor sociaalpolitieke processen behoorlijk was toegenomen.64

Toen Zijlstra met de grote fibula en andere vondsten op de proppen kwam en betoogde dat er goede aanwijzingen waren voor vroeg koningschap in het Friese terpengebied, zag Bos onmiddellijke de meervoudige potentie van Zijlstra’s collectie en ideeën. Hij besloot dat het tijd was voor een opgraving. Bos zette het onderzoek vanuit het BAI op als een samenwerkingsverband met het IPP, met welk instituut hij contact had gehouden sinds zijn vertrek naar het noorden. Zijlstra was nog geen vijftig en opeens de inspirator van interuniversitair onderzoek dat groots zou worden opgezet. Het kon verkeren.

Hoge verwachtingen

De verwachtingen waren hooggespannen. Op 4 februari 1991, dus nog voor de start van het veldwerk, konden de lezers van de Leeuwarder Courant al kennisnemen van de doelen.65 Volgens Anthony Heidinga, werkzaam op het IPP en voor een toelichting aanwezig op het BAI, was de opgraving van groot belang voor het onderzoek naar de elitestructuur van het vroegmiddeleeuwse Friese koninkrijk. Het IPP had zich sterk gericht op de agrarische economie van de vroege middeleeuwen, maar was zich de laatste jaren zich steeds meer gaan interesseren voor het functioneren van elitenetwerken die boven de plaatselijke verhoudingen opereerden. Misschien dat daarmee verklaard kon worden waarom de rijkdom zich in het terpengebied had geconcentreerd terwijl alle relevante politieke gebeurtenissen zich in het rivierengebied hadden afgespeeld. Mocht dit wat vaag klinken, en misschien ook wel wat hoog gegrepen zijn voor een enkele opgraving (al werd die relativering niet gemaakt of in ieder geval niet door de krant opgepakt), een heel precies omschreven doel kwam ook in beeld. De verwachting werd namelijk uitgesproken dat tijdens de opgraving te Wijnaldum een koningsgraf zou worden blootgelegd, waarbij verwezen werd naar de recente goudvondsten en de sterke gelijkenis tussen de fibula van Wijnaldum en de sieraden in het koningsgraf van Sutton Hoo in Groot-Brittannië. Tenminste, zo zal de oppervlakkige lezer het hebben opgevat. Het mag echter betwijfeld worden of Heidinga dit specifieke doel werkelijk (zo) heeft geformuleerd.66

Niettemin was het vinden van een koningsgraf een aansprekende opdracht. De krant was er op 15 april dan ook bij toen de opgraving daadwerkelijk van start ging.67 Men hield het bij een foto met onderschrift. Er werd, zo luidde het onderschrift, gezocht naar de resten van een oud Fries bestuurscentrum uit de zesde en zevende eeuw. Sommige onderzoekers, aldus de toelichting bij de foto, hoopten op een koningsgraf of in ieder geval op meer duidelijkheid over de Friese geschiedenis tussen 300 en 600. De studie heette nog oriënterend van karakter te zijn; ook in officiële stukken was alleen sprake van een proefsleuvenonderzoek. Ook al lijkt in dat onderschrift iets van realisme door te klinken, toch kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat althans sommigen onder de opgravers van meet af aan echt hoopten op een koningsgraf te stuiten.68 Het kon niet anders of de koning zelf had op Wijnaldum gewoond en vanuit dit belangrijke centrum geregeerd. Deze verwachtingen vonden weerklank in de intensieve berichtgeving over het onderzoek door de lokale pers. De artikelen in de Leeuwarder Courant tonen heel duidelijk hoe de onderzoekers na deze opening het vuur hoog bleven opstoken. Het graf was dan nog niet gevonden, maar gouden munten en sporen van edelsmeedkunst bewezen toch wel de uitzonderlijke betekenis van Wijnaldum. En dat terwijl nog maar drie procent van de terp was onderzocht!69 De publieke belangstelling was enorm. Op de uitnodiging om op 8 juni 1991 de opgraving te bezoeken gaven 3150 mensen gehoor.70 De lezing die Bos in de grote bovenzaal van de Kanselarij in Leeuwarden hield over een Friese koning in Wijnaldum trok ruim driehonderd toehoorders, een aantal dat de verwachtingen verre oversteeg.

61 Zijlstra, ‘Finns Fibula’, Friese bodemvondsten 1.

62 J. Zijlstra, ‘Finn's Fibula? Belangwekkende vroeg-middeleeuwse vondsten te Wijnaldum’, Westerheem 40 (1991) 51-62.

63 De provinciaal archeoloog werd toen nog aangesteld op zowel het Fries Museum als bij het BAI in Groningen. In 1998 kwam aan deze constructie een eind. Vanaf dat moment werkte de provinciaal archeoloog op het provinciehuis.

64 Zie JC. Besteman, J.M. Bos en H.A. Heidinga, ‘Een vroegmiddeleeuws centrum in Westergo. Het terpenonderzoek bij Wijnaldum (gem. Harlingen)’, Verslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek 75 (1991) 133-149, aldaar 134-135, en de introductie tot het Frisia-project door H.A. Heidinga, Frisia in the first millenium. An outline (Utrecht 1997).

65 ‘Opgraving Wijnaldum: kennis oude elites’, LC 4 februari 1991, 24.

66 Heidinga en zijn publicaties kennende lijkt het ons dat de LC in dit toonzettende artikel te weinig onderscheid maakte tussen Zijlstra’s verwachtingen en Heidinga’s uitspraken. Heidinga noemde de opvattingen van Zijlstra over Wijnaldum ‘hoe hypothetisch ook, bijzonder stimulerend’. In het eerste artikel over de resultaten van het eerste opgravingsjaar onderschrijft hij wel de door Zijlstra aangenomen vorstelijke context waaruit de fibula moet komen, maar zwijgen hij en zijn coauteurs over een koningsgraf: Besteman, Bos en Heidinga, Graven naar Friese koningen. Zie ook de noten 86 en 90. Dit laat onverlet dat opgravers tegenover de pers wel degelijk van een graf repten (zie bijv. noot 69).

67 ‘Op zoek naar verleden in terp Wijnaldum’, LC 16 april 1991, 13.

68 Zo sprak Bos eind mei tegenover de LC de verwachting uit ‘dat het graf waaruit de fibula komt nog intact is’: K. Huisman, ‘Terp Wijnaldum herbergt bijzonder huis’, LC 28 mei 1991, 13.

69 ‘Opgraving Wijnaldumer terp begint veelbelovend’, LC 3 mei 1991, 14; vgl. LC 28 mei, voorpagina en p. 13.

70 LC met een voorbereidend artikel ‘Smederij gevonden’ op 7 juni 1991, 13; over de dag zelf: M. Pennewaard, ‘”Ik hew oek wat steentjes fonden”. Terp Wijnaldum een dag toeristische topattractie’, LC 10 juni 1991, 13.

Graven naar Friese koningen

Inmiddels hadden de onderzoekers een overeenkomst gesloten met een professionele fondsenwerver, teneinde de opgravingen ook na 1 juli van dat jaar voort te kunnen zetten. Extra geld was zeker nodig nu de ambities verder reikten. Als eerste kwam de provincie over de brug door 100.000 gulden beschikbaar te stellen voor een studie die toen al internationale belangstelling had getrokken, aldus de krant, via welke de fondsenwerving voor een groot deel verliep.71 Het kwam goed uit dat kort nadien een kleine gouden hanger werd gevonden, die onmiddellijk werd vergeleken met een soortgelijk voorwerp in de kostbare goudschat van Wiuwert, en dat Amerikaanse archeologen besloten om het jaar daarop een maand mee te graven en daarvoor ook aan de opgravingen mee te betalen.72 Er was voor het complete project, zo werd nu geschat, een miljoen gulden nodig. Een belangrijk deel van de kosten zou worden gedekt uit de verkoop van speciaal geslagen munten.73

De commissaris van de Koningin in Friesland sloeg op 28 oktober de eerste munt en nam de gelegenheid te baat de opgraving een nationale zaak te noemen, nu bekend was dat vanuit Wijnaldum de voorloper van het Koninkrijk der Nederlanden was bestuurd.74 Op 7 december meldde de krant dat al duizend munten waren verkocht.75 Onder de aansprekende titel Graven naar Friese Koningen verscheen begin 1992 een door de wetenschappelijke leiding geschreven publieksboek waarin de doelen en eerste resultaten van de opgravingen in Wijnaldum werden gepresenteerd (afb. 9).76 Een deel van de opbrengst van het boek kwam ten goede aan het project. De totale fondsenwerving verliep dusdanig gunstig dat de tweede opgravingscampagne inderdaad van start kon gaan. De vondst van een klein met almandijn versierd gouden plaatje hield de hoop op de vondst van een koningsgraf levend, aldus de Leeuwarder Courant op 3 juni.77 De krant, in de persoon van Kerst Huisman, bleef dus enthousiast en kwalificeerde het onderzoek in Wijnaldum in een recensie van Graven naar Friese koningen als op het ogenblik het grootste en modernste archeologische onderzoek in heel Noordwest-Europa.78

71 Leeuwarder Courant 3 juni 1991, 10 ‘Sponsoractie’; 12 juni 1991, 17 ‘Voor onderzoek’.

72 ‘Gouden hanger in Wijnaldum’, LC 28 juni 1991, 11; ‘Amerikaanse archeologen komen naar terp Wijnaldum’, LC 6 juni 1991, 9. De krant bleef veel aandacht schenken: een groot stuk van Kerst Huisman, ‘Wijnaldum mogelijk ook centrum heidense cultus’, LC 6 juli 1991, 14, ging vooraf aan de mededeling dat een er van een dramatische ontvolking geen sprake was: ‘Deel Friese historie op de helling door vondsten’, LC 13 augustus, 11. Soms ging het wel heel snel, zo snel dat amateurhistoricus Jan Post uit Houtigehage er niet meer tegen kon en met een ingezonden brief protest aantekende tegen de berichtgeving: LC 24 augustus 1991, 7.

73 LC 5 september 1991, 25: ‘Walburg komt met penning’; LC 20 september 1991, 13: ‘Eerste giften’.

74 ‘Wiegel pleit voor groot Vrieslandt’, LC 29 oktober 1991, 13.

75 ‘Al duizend munten’, LC 7 december 1991, 17.

76 Besteman, Bos en Heidinga, Graven naar Friese koningen.

77 ‘Terp Wynaam geeft tweede sieraad prijs’, LC 3 juni 1992, 19.

78 K. Huisman, ‘Over de betekenis van de opgravingen in Wijnaldum’, LC 4 juli 1992, 40.

Geldgebrek en teleurstelling

In die recensie van 4 juli werd overigens de betekenis van de nederzetting Wijnaldum omschreven als nog allerminst duidelijk. En hoewel de tweede open dag met bijna 2500 bezoekers nog een succes was, begon het Wijnaldumonderzoek te kantelen. Geldgebrek en onwil van overheden om nogmaals over de brug te komen, leidde op 17 juli tot de kop ‘Stopzetten werk Wijnaldum ramp voor de archeologie’.79  Aan het woord was opgravingsleider Jan Schoneveld, die wees op de prachtige grondsporen die maar bleven komen, de internationale belangstelling die buitenlands bezoek beloofde, en al die opgebouwde kennis en vaardigheden bij de deelnemers die weer zouden vervliegen wanneer men nu moest stoppen. De kosten voor het jaar werden begroot op 300.000 gulden. Die cijfers haalden de krant, evenals de twijfel of het koningsgraf wel ooit zou worden gevonden.80 Maar het geld kwam er, vooral omdat de provincie zich andermaal liet overhalen. En opeens, op 4 augustus, was er ook weer de hoop dat het  graf toch nog gevonden zou worden, evenals de bravoure van Bos die begon over een derde campagne.81 Die derde campagne was mede nodig omdat op 28 augustus de schuur naast de opgraving afbrandde en daarbij asbest vrijkwam, waardoor de opgraving vroegtijdig moest worden gestaakt. Vlak voor de brand had opgravingsleider Schoneveld blijkbaar de al hoop opgegeven het koningsgraf nog te vinden, toen hij aangaf liever een gewoon grafveld te vinden.82 Maar op 24 oktober wilde Bos nog een ultieme poging wagen om een spoor van een Friese heerser te ontdekken. 

Voor deze afsluitende campagne die voor 1993 gepland stond en de uitwerking van de gehele opgraving was in totaal nog 700.000 gulden nodig.83 In ruil voor sponsorgeld was Bos met zijn medeonderzoekers begonnen aan het schrijven van een korte reeks van vijf populair wetenschappelijke artikelen. Heidinga nam in zijn bijdrage aan die reeks gas terug, in die zin dat hij toegaf (nog) niet op het spoor van een koninklijke residentie te zijn, een signaal dat direct door de krant opgepikt en op 3 mei 1993 aan de lezers meegedeeld werd, dit ter gelegenheid van de start van het afsluitende veldwerk.84 Heidinga bracht zijn bijstelling overigens omfloerst, door enerzijds te onderkennen dat er van grote gebouwen geen sporen waren aangetroffen, maar daar anderzijds aan toe te voegen dat die best buiten het onderzochte deel konden hebben gestaan of anders op een terp elders in de omgeving.85 De nieuwe opgravingsleider Danny Gerrets volgde in lijn en ging zelfs nog verder.

9. Geldgebrek zette de opgravers van Wijnaldum in 1992 aan tot het schrijven van dit publieksboek

Men was ‘niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats op zoek naar een koningsgraf’, maar ook of veeleer geïnteresseerd in de opbouw van de terp en de opeenvolging van de verschillende nederzettingen. De opgraving heette nu de aanzet te zijn voor verder terponderzoek dat in internationaal verband zou worden uitgevoerd.86 Op de laatste open dag trok de opgraving nog altijd 850 bezoekers, maar in de ogen van de Leeuwarder Courant was dat aantal teleurstellend.87 Ook de opgravers zelf vonden het schijnbaar wel genoeg. Onder het mom een meer efficiënte werkwijze te hebben gevonden, beëindigden zij hun werk een maand eerder dan gepland.88

79 LC 13 juli 1992, 7 ‘Bijna 2500 mensen’; LC 17 juli 1992, 9 ‘Stopzetten werk’.

80 LC 21 juli 1992, 13 ‘Begroting zonder franje’; LC 24 juli 1992, 13 ‘Provincie biedt’.

81 LC 4 augustus 1992, 13 ‘Nog steeds hoop’.

82 G. Riemersma, G., ‘Met cocktailprikker, theelepel en computer op de terp van Wijnaldum’, LC 22 augustus 1992, 25.

83 LC 24 oktober 1992, 13 ‘Wijnaldum-project’.

84 LC 3 mei 1993, 5 ‘Onderzoek Wijnaldumer terp’.

85 H.A. Heidinga, ‘Wijnaldum en koning Finn. Legende en werkelijkheid’, The Challenging North 4 (1993) nr. 2 (maart/april) 62-65, aldaar 65. In zijn bijdrage behandelde Heidinga de mythische Friese koning Finn bekend uit onder meer het Beowulfepos.

Heidinga nam afstand van de opvattingen van Jan Zijlstra, ‘de man die het Wijnaldum-onderzoek aan het rollen heeft gebracht’ (p. 64). Zo kon Finn, zo die werkelijk had bestaan, niet in verband gebracht worden met de fibula van Wijnaldum, alleen al vanwege het tijdsverschil. Het was wel zeker dat er in Westergo ooit koningen leefden, maar of deze inderdaad met Wijnaldum in verband konden worden gebracht, was nog steeds de vraag. Een residentie was nog niet aangetoond, maar het vervolg van het onderzoek kon daarin nog verandering brengen (p. 65). De lezer krijgt niet de indruk dat de kans daarop als groot werd ingeschat. Dit zou het beeld blijven, tot in 1996 onder de opgravingsvondsten een uit een koperlegering vervaardigde kleine matrijs aanwezig bleek, die gediend moest hebben bij het bewerken van goudfolie voor topsieraden. De vondst werd gezien als een sleutelvondst die ‘alles op zijn plaats deed vallen’ en de koning weer helemaal terugbracht in Wijnaldum, althans in de ogen van Jurjen Bos: J.M. Bos, en A.J. Nijboer, ‘De “gouden vondst” van Wijnaldum’, Noorderbreedte 21 (1997) nr. 1, 18-19; J.M. Bos en A.J. Nijboer, ‘Koninklijke patronage: de edelsmid van Wijnaldum (Fr.)’, Paleo-aktueel 8 (1997) 108-110.

86 K. Huisman, ‘Wijnaldum aanzet tot internationaal terpenonderzoek’, LC 14 mei 1993, 8, interviewde Gerrets in mei in het veld. In zijn eerste bijdrage aan de reeks populaire artikelen: Gerrets, D., ‘Archeologisch onderzoek in Wijnaldum. De macht van goud in het vroegmiddeleeuwse Friesland’, The Challenging North 4 (1993) nr. 1 (jan./feb.) 63-65, noemde Gerrets ook het belang van de Laat-Romeinse vondsten uit te Wijnaldum, iets wat Zijlstra in al 1991 had gedaan. Met betrekking de inhoudelijke verruiming van het onderzoek zie ook de veelzeggende afsluitende zin van zijn ‘Speurtocht naar het verleden te Wijnaldum. De legpuzzel van de archeologische praktijk’, The Challenging North 4 (1993) nr. 3 (mei/juni), 63-65. 65: ‘Het is nu al zeker dat het onderzoek de kennis met betrekking tot de bewoning van het terpengebied in de Laatromeinse tijd en in de vroege middeleeuwen in belangrijke mate zal vergroten.’

87 LC 19 juli 1993, 7 ‘Wijnaldumer terp trekt slechts’.

88 LC 9 juli 1993, 10 ‘Open dag’.

Gouden jaren

Zeker, de opgravers, die de kosten en complexiteit van een terpenopgraving voor aanvang hadden onderschat, tartten het lot door te blijven graven toen zij drommels goed wisten en zelfs uitventten dat zij geen dekkende begroting hadden. Het is het jammer dat er teleurstelling heerste om het onzichtbaar blijven van koninklijke graven en verblijven, aangezien deze teleurstelling de motivatie van de onderzoekers niet stimuleerde om die berg aan gegevens uit te werken. De fondsenwerving leed er ook onder en was zelfs moeilijk geworden, juist omdat men eerder zulke concrete doelen had benoemd, waardoor elk volgehouden enthousiasme krampachtig moest overkomen. Toch was er, zeker achteraf beschouwd, eigenlijk helemaal geen reden voor ontevredenheid.

Nu, bijna dertig jaar na de start van de opgravingen, mag het oordeel over het Wijnaldumonderzoek zelfs zonder meer gunstig luiden. Het gaat in dit verband te ver om dat volledig uit de doeken te doen. We houden het bij de samenvatting dat het veldwerk de publieke belangstelling voor de Friese archeologie heeft gestimuleerd, de monumentenzorg duurzaam heeft geschraagd en het terpenonderzoek in belangrijke mate heeft vernieuwd, dankzij de organisatie en kwaliteit van het veldwerk en eerste vondstenverwerking. En dan waren en zijn er natuurlijk nog de opgegraven vondsten en niet in de laatste plaats de gedocumenteerde sporen en structuren. Zijlstra had toen al geen reden ontevreden te zijn en was dat ook niet. Hij kreeg van de nieuw in Friesland aangetreden academici alle lof toegezwaaid, ook op papier. In 1999 zou hij door de redactie in het voorwoord bij de eerste wetenschappelijke uitwerking nog nadrukkelijk geroemd worden.89 Bos stond tijdens en na het veldwerk met Zijlstra in nauw contact en publiceerde bijdragen van hem.90 Samen begonnen zij aan de bestuderen en uitwerken van zijn verzameling fibulae, waarover Bos publiceerde, eerst samen met Zijlstra en later alleen in de Palaeohistoria, het wetenschappelijke tijdschrift van het BAI.91 Ook de Leeuwarder Courant bleef Zijlstra trouw.

Het was opnieuw Huisman die herhaaldelijk positief nieuws over de ‘Leeuwarder amateurarcheoloog Jan Zijlstra’ de Friese huiskamers binnenbracht. Al op 15 september 1990 had hij zonder inhoudelijk commentaar Zijlstra’s visie gepubliceerd onder de kop ‘Wijnaldum koninklijk centrum’ om daarna, tijdens de opgravingsjaren, telkens te onderstrepen dat het hele idee achter dit belangwekkende onderzoek bij Zijlstra vandaan kwam.92 De zelfstandigheid van Zijlstra komt misschien nog wel het duidelijkst naar voren in de bijdrage ‘Friese Wodan maakt Brits Museum enthousiast’ die Huisman in de krant van 25 april 1998 plaatste en die een pendant lijkt van de berichtgeving over de contacten die in 1955 met het British Museum waren geweest.93 Nu was het echter niet een directeur maar ‘Jan Zijlstra uit Leeuwarden, die al jaren een passie heeft voor alles wat met het vroegmiddeleeuwse Friesland te maken heeft’, die de waarde van een vondst onderkende (het ging om een zesde-eeuwse bronzen hanger met een gestileerde Wodan-kop, afb. 10), deze met eigen middelen verwierf en bij de Britten te rade ging.

Zoals gezegd, publiceerde Zijlstra in 1990 zijn ideeën over de fibula van Wijnaldum. Hij deed dat in het eerste deel van zijn nieuwe reeks Friese bodemvondsten, waarvan, zo meldde hij in het voorwoord, in de volgende tien jaren nog enkele nummers zouden verschijnen. De reeks zou uiteindelijk vijf delen beslaan en werd in 1999 opgevolgd door Friesland en Finnsburg, een hypothese vanuit Fries perspectief. Met de titel van het eerste deel zette Zijlstra meteen de toon: ‘Finns Fibula’, waarmee duidelijk werd dat Zijlstra geen droge statistiek voor ogen had, maar wilde prikkelen. Hij ging er vol in, door de koning van Wijnaldum een naam te geven: Finn, bekend uit het oud-Engelse Beowulf-epos, die in Wijnaldum zijn burg moest hebben gehad.

10. De ‘Wodanhanger’ van Zijlstra die de krant haalde. Foto: Fries Museum

Hij gaf wel toe dat de meest specifieke van zijn opvattingen nog niet bewezen konden worden en grapte dan ook dat het eerste deel in de toekomst wellicht ‘Finns Fabula’ zou moeten heten. Deze zelfverzekerdheid sprak ook uit de volgende delen, waarbij Zijlstra’s voorbehoud steeds meer een formaliteit leek, misschien geïnspireerd door de voortvarendheid van zijn academische kompanen. Ook noemde hij nadrukkelijk dat zijn opvattingen de aanleiding waren geweest voor de opgravingen van Wijnaldum.94  Maar wat ondanks alle stelligheid wel opvalt, is dat Zijlstra al vroeg in 1991, dat wil zeggen nog voor de start van de opgravingen, begon uit te zoomen, en dat niet alleen door meer vroegmiddeleeuwse Friese en niet-Friese leiders te beschrijven. Hij noemde nu ook de Romeinse tijd belangrijk voor de analyse, en stipte het belang aan van de gesp van Dronryp/Menaam, net als de fibula van Wijnaldum ooit een topsieraad. Tevens merkte hij op dat koningen toentertijd langs meerdere verspreid gelegen nederzettingen trokken en niet noodzakelijk vanuit een specifiek machtscentrum opereerden.95

Toen hij in 1992 echt de blik verwijdde tot heel noordelijk Westergo, sprak hij niet zozeer over een individu maar over een vorstelijke elite en over de top drie van vroegmiddeleeuwse sieraden, waarbij hij naast Wijnaldum ook Dronryp/Menaam en Wiuwert als belangrijke vindplaatsen presenteerde (afb. 11).

Ook vroeg hij zich naar aanleiding van de eerste opgravingsresultaten af of de fibula misschien toch niet uit een grafcontext kwam, maar in plaats daarvan uit een heiligdom en dan dus een schatvondst was.96 En in 1993 toonde hij Westergo als samengesteld uit drie gebieden, daartoe mede geïnspireerd door de drie ‘kroonjuwelen’.97

Niettemin hield hij vast aan het ‘elitaire karakter’ van de nederzetting Wijnaldum. De opgravingsresultaten spraken dat niet tegen, aldus Zijlstra in 1994. Ze maakten het zelfs eerder waarschijnlijk, een waarschijnlijkheid die door historische en naamkundige aanwijzingen werd vergroot. Wijnaldum was ‘als het ware “geladen” en omgeven met oude en bijzondere toponiemen, tradities en archeologisch-historische aanwijzingen’.

 

11. ‘Kroonjuwelen’: de top drie van de vroegmiddeleeuwse sieraden uit Westergo, in 1993 aangewezen en op papier herschapen door Jan Zijlstra. Van boven naar onder: ‘de grote gesp van Dronrijp’, de grote fibula van Wijnaldum en ‘de gouden fibula van Wieuwerd’. Tekeningen Jan Zijlstra, Friese bodemvondsten.

Aan Finn hield hij vast, maar of hij deze koning alleen in Wijnaldum moest zoeken, daarvan leek hij in 1999 toch minder zeker geworden. Ergens in het oude district Franeker moest de Finnsburg gelegen hebben, bijvoorbeeld in Wijnaldum, Sexbierum of de stad Franeker.98

Zijlstra kwam er openlijk voor uit dat hij tijdens zijn onderzoek zoekende was en zijn eerder gepresenteerde opvattingen bijstelde als hij dat nodig vond, wat op zelfvertrouwen wijst. De verruiming van zijn werkveld zette door. Hij behandelde in zijn vijfde Friese bodemvondsten ook laatmiddeleeuwse vondsten, wat de opmaat zou blijken voor zijn artikel in De Vrije Fries van 1995, waarin hij met hulp van Hans Mol een catalogus van laatmiddeleeuwse zegelstempels presenteerde.99 Zijlstra was kind aan huis in het Fries Museum, waar hij een dag in de week als vrijwilliger werkzaam was. Al in 1992 werd hij door het museum in de gelegenheid gesteld om de nieuw gevonden fragmenten en de voet ook fysiek samen te voegen.

Hij maakte zijn grote fibula door de delen te monteren op een door hemzelf vervaardigd kunststofmodel (afb. 12).100

De fibula kon eindelijk de prominente plek krijgen die zij verdiende. De bruikleen eindigde in 1994, toen Zijlstra erin toestemde de fragmenten en een groot deel van zijn collectie aan het museum te verkopen.101 Dat was voor Zijlstra een grote stap.

12. Fragmenten van de grote fibula van Wijnaldum gemonteerd op een door Zijlstra vervaardigd kunststofmodel. Friese bodemvondsten 3 (1993). Foto: Dick Visser, Fries Museum

Net als de schatkisten van de vroegmiddeleeuwse Friezen en Franken was de zijne, te weten zijn collectie, de basis onder zijn persoonlijke status en maatschappelijke rol. Dat hij desondanks tot verkoop kon overgaan, kan worden gezien als een bewijs dat hij vertrouwen had gekregen in de archeologen met wie hij nauw samenwerkte.102 Al met al, zo kunnen we samenvattend oordelen, was de periode 1988-1998 voor Zijlstra in meerdere opzichten een gouden tijd.

89 J.C. Besteman, J.M. Bos, D.A. Gerrets, H.A. Heidinga en J. de Koning (red.), The excavations at Wijnaldum. Reports on Frisia in Roman and Medieval times, dl. 1 (Rotterdam 1999) Preface, p. VII. Het is dan ook opvallend dat Heidinga in het eerste inleidende hoofdstuk, p. 1 en noot 2 op p. 15., Zijlstra in de lopende tekst niet noemde en in een noot afstand nam van Zijlstra’s Finn-these, net als hij de inhoud van Graven naar Friese koningen loskoppelde van de titel (zie ook de noten 67 en 86).

90 Overigens uitsluitend coproducties: J.M. Bos en J. Zijlstra, ‘Nieuwe fragmenten van de “koninklijke” spang van Wijnaldum (Fr.)’, Paleo-aktueel 2 (1991) 97-99; T. Looijenga en J. Zijlstra, ‘Een gouden hanger met runeninscriptie uit Wijnaldum (Fr.)’, Paleo-aktueel 3 (1992) 97-100; J.M. Bos en J. Zijlstra, ‘A priori: Friese fibulae’, Madoc 9 (1995) nr. 3, 188-190; J.M. Bos en J. Zijlstra, ‘Middeleeuwse fibulae: Wijnaldum in Fries perspectief’, Paleo-Aktueel 7 (1996) 86-87; en Schoneveld en Zijlstra, ‘The Wijnaldum brooch’.

91 Bos en Zijlstra, ‘A priori. Friese fibulae’; Bos, J.M., ‘Medieval Brooches’, Palaeohistoria 47/48 (2005/2006) 447-454 en 455- 477 en Ibidem 47/50 (2007/2008) 709-793.

92 K. Huisman, ‘Wijnaldum oud koninklijk centrum’, LC 15 september 1990, 23.

93 K. Huisman, ‘Friese Wodan maakt Brits Museum enthousiast’, LC 25 april 1998, 15.

94 J. Zijlstra, Onderzoek Wijnaldum, Supplement "Finns Fibula", Friese bodemvondsten 2 (Leeuwarden 1991); idem, Wijnaldum – Finnsburg. Vondsten uit Noordelijk Westergo, Friese bodemvondsten 3 (Leeuwarden 1992); idem, Archeologische, historische en naamkundige aspecten, Friese bodemvondsten 4 (Leeuwarden 1993); idem, Friesland en Finnsburg. Een hypothese vanuit Fries perspectief (Leeuwarden 1999). Welke slagen om de arm ook, juist de zeer specifieke elementen (mythische namen en verzonnen figuren als historische personen op specifieke locaties) van zijn werk waren uiteindelijk dominant en schepten afstand tussen Zijlstra en anderen (waaronder archeologen, zie ook noot 79).

95 Zijlstra, ‘Finn’s Fibula?’, voor Dronryp/Menaam: 6; voor reizende heersers: 20.

96 Zijlstra, Wijnaldum – Finnsburg, voor elite 21 (en relativering van Finn/Finn’s burg/Wijnaldum 27-28); voor top drie: 19- 21 en Plaat I-VIII; voor schatvondst: 23. Zie trouwens ook Zijlstra, Onderzoek Wijnaldum, Supplement “Finn’s Fibula”, Friese bodemvondsten 2 (Leeuwarden 1991), 6.

97 J. Zijlstra, Archeologische, historische en naamkundige aspecten, Friese bodemvondsten 4 (Leeuwarden 1993), 20-22 en Plaat XVIII. De term ‘kroonjuwelen’ gebruikte Zijlstra ter aanduiding van de top drie overigens pas in 1999 (Friesland en Finnsburg) en dan nog alleen in het bijschrift bij de afbeelding naast pagina 10. In 2004: ‘De topdrie van Westergo en hun mogelijke implicaties’, Detector Magazine 73, 8-11, wordt de term veel explicieter gebruikt want ook gebezigd in de tekst. Overigens duidde Bos al in 1992 de fibula van Wijnaldum aan als een kroonjuweel: ‘Archeologisch onderzoek in Wijnaldum. Handel en productie in het Friese rijk’, The Challenging North 3 (1992), nr. 5 (sept./okt.), 62-64, aldaar 64.

98 Zijlstra, Friese bodemvondsten 4.

99 Zijlstra, Friese bodemvondsten 5.

100 Zie de foto in Zijlstra, Friese bodemvondsten 3 (1992), 4 (opname D.M. Visser, Fries Museum).

101 E. Kramer, ‘De fibula aangevuld. Friese bodemvondsten, de aankoop van detectorvondsten uit Friese terpen’, Fries Museumbulletin septembernummer 1994, 11-14.

102 Overigens was de bruikleen van de fragmenten van de grote fibula indertijd niet vanzelf tot stand gekomen, want Bos had zich gedwongen gezien Zijlstra flink onder druk te zetten; daarna ging de overdracht ook van andere stukken soepeler, al diende de eerste auteur nog een lange brief aan Zijlstra te schrijven.

Verwijdering, voortgang en een nieuw podium

En toch… Wie goed keek, kon rond 1999 ook de voortekenen waarnemen van een verwijdering die opnieuw tussen Zijlstra en de academische wereld zou ontstaan, of misschien al enige tijd een feit was toen de Wijnaldum-bundel van de persen rolde. Wij kunnen ons voorstellen dat de publicaties van Zijlstra inmiddels niet meer op de nachtkastjes van Bos en de zijnen te vinden waren. Goed, hij had hun de weg gewezen naar Wijnaldum, maar had inmiddels al zoveel beweerd dat de lijn wel wat zoek was. Zijlstra heeft dat laatste beseft, zoals blijkt uit de laatste zinnen van Friese bodemvondsten 4.103 Het is echter tekenend voor hem dat hij op de ingeslagen weg voortging, meer en meer de naamkundige en historische bronnen indook en zich daarmee feitelijk steeds verder verwijderde van zijn eigen collectie en het archeologische discours, wat des te spijtiger was toen historici niet bleken te reageren. Wie de academische publicaties doorneemt, zal het opvallen dat Zijlstra door archeologen wordt genoemd om het feit dat hij een collectie heeft opgebouwd , maar dat zijn opvattingen over bijvoorbeeld Finn c.s. niet worden gedeeld en meestal niet eens worden vermeld.

De publicaties van Johan Nicolay, toch ook een koningsvorser van formaat, citeren van Zijlstra’s producten van na 1993 alleen vondstbeschrijvingen.104 Bos, Zijlstra’s wapenbroeder sinds 1988, moest om gezondheidsredenen enkele malen verstek laten gaan en trok zich uiteindelijk in Groningen terug.105 Het Wijnaldum-project ging in 1997 wel over in het zogeheten Frisia-project,106 wat onder meer een uitbreiding met promotieonderzoeken betekende en op zich een succes voor het Wijnaldumonderzoek was, maar een persoonlijke aansluiting ermee vond Zijlstra niet. De nieuwe leiding stelde andere prioriteiten en dacht ook anders. Bevorderlijk voor de verhoudingen was evenmin dat Zijlstra tijdens de contacten met de nieuwe garde zich niet altijd even sociaal opstelde. Ook met de nieuwe provinciaal archeoloog, wiens agenda verdacht veel op die van Elzinga leek, zij het zonder eigen veldwerk, kwam geen continue samenwerking tot stand.

Wel leverde Zijlstra op diens verzoek enkele bijdragen aan de Archeologische kroniek in De Vrije Fries, waaronder als laatste een supplement bij zijn corpus Friese middeleeuwse zegelstempels.107 Na een discussie over de formulering van een enkele zin was het voor Zijlstra in 2007 wel klaar. Hij kon De Vrije Fries wel missen, mede omdat hij sinds enkele jaren een warm thuis had gevonden bij het Detector Magazine, via welk medium hij met hoge regelmaat een ruim publiek op nationale schaal bereikte. Hij werkte mee aan de Vraagbaak en leverde bijdragen aan de rubriek Vondstberichten waarin hij ook andermans vondsten determineerde, iets wat hij trouwens al sinds jaar en dag had gedaan en in welke functie hij voor beginnende metaalzoekers al zoveel betekend had. In het blad presenteerde hij zijn ideeën die hij al eerder in zijn Friese bodemvondsten had ontvouwd en werkte hij enkele weer verder uit – inzichten die ook een podium kregen in een nieuwe reeks eigen uitgaven.108 Men waardeerde zijn bijdragen aan het magazine. In 2012 besloten de redactie en Zijlstra dat het tijd was om de eerder in Friese bodemvondsten gepubliceerde voorwerpen te herordenen en opnieuw te presenteren. Zijlstra’s laatste bijdrage aan het blad, deel 8 van deze nieuwe catalogus, verscheen in het decembernummer van 2013.109

Laatste jaren: overdracht van kennis en collectie

Sinds 1984 was hij welkom geweest op het Fries Museum en dat bleef hij ook. Hij was voor het museum onmisbaar als bemiddelaar en kenner van de zo uitgebreide wereld van het metaal. Met de eerste auteur ondersteunde hij heel wat vondstendagen, zowel op het museum, bijvoorbeeld tijdens de maandelijkse Kunst & Kitsch of determinatiemiddagen, als ver daarbuiten. Het museum gaf hem ook veel terug. Zo hielp Gerben Mensonides hem vanaf zijn komst op het museum met de voorbereiding van de publicaties die in eigen beheer uitkwamen – eerst met de typemachine en later met de computer, apparaten die Zijlstra nooit zelf heeft willen gebruiken. Zijlstra ging ook nooit het veld in, om de eenvoudige reden dat hij geen rijbewijs bezat. Hij ontving in de kroeg, een gewoonte die minstens zou oud was als zijn contacten met Bos, of gewoon thuis, bijvoorbeeld in de kamer die hij met oud eikenhout had betimmerd en die de sfeer van een stinsenkamer ademde, in het Westeinder huis dat hij sinds de dood van zijn moeder alleen bewoonde.

De inrichting van die ene kamer, in dat verder opgeruimde doorsneehuis, weerspiegelden zijn romantische gevoelens, die hem mogelijk meer beïnvloedden dan hij wou toegeven. Misschien is dat een verklaring voor de tegenstrijdigheid dat Zijlstra het lezen van moderne literatuur openlijk afwees maar in 2009 toch met een heus koningsdrama op de proppen kwam, een ‘geromantiseerde reconstructie’ waarin hij de belevenissen van koning Finn en zijn tijdgenoten beschreef alsof hij er zelf bij was geweest.110 Zou hij bij het schrijven ervan ook hebben teruggedacht aan zijn kennismaking met Eric de Noorman, zo’n kleine zestig jaar eerder? Hij handelde nog steeds in antiek en oudheden en onderhield zijn contacten met die verzamelaars met wie hij al zo lang bevriend was. Menigmaal ontmoetten wij hem in kringloopwinkels en op rommelmarkten als hij weer eens aan het sneupen was. Sinds hij aan de ziekte van Parkinson leed, ging hem dat overigens steeds minder gemakkelijk af, zoals hij ons meedeelde, overigens zonder enig klagen. Wij waren dan ook ontsteld toen wij hoorden dat zijn leven opeens voorbij was.

Het bleek dat hij, in verwarde staat aangetroffen, met spoed in een verzorgingshuis was opgenomen, maar daar binnen enkele dagen al was komen te overlijden. Een van Leeuwardens markante persoonlijkheden was niet meer. Tijdens de besloten crematieplechtigheid waren slechts vier personen aanwezig: zijn executeur-testamentair, zijn belastingadviseur, Johan Koning van de vereniging ‘De Detector Amateur’ en zijn eerste ingang bij Detector Magazine, en de eerste auteur, via wie Zijlstra in 1984 de toegang tot het Fries Museum had hervonden en met wie hij in zekere mate bevriend was geraakt.

13. Op 29 mei 2017 ontving Nelleke IJssennagger Jan Zijlstra op het Fries museum om opnieuw een deel van de Collectie Zijlstra in te boeken. Foto: Marlies Stoter, Fries Museum

Het gebeuren maakt wellicht een tragische indruk, maar stond volstrekt onder regie van de overledene. Zo had hij het voor zich gezien. In de overlijdensadvertentie, nadrukkelijk gepubliceerd na de crematie, nam hij afscheid met de woorden: ‘Beste familie en vrienden, ik ben verhuisd naar het land aan gene zijde en ik ben zeer benieuwd. Het ga jullie allen goed.’ Zijn huis liet hij na aan het Rode Kruis. De jaren en conservator Nelleke IJssennagger van het Fries Museum hadden hem er al eerder van overtuigd dat het Friese deel van zijn archeologische collectie naar het museum moest gaan (afb. 13).111

Van Finn naar Vikingschat en terug

Voor een deel weerspiegelt het werk van Zijlstra bredere ontwikkelingen van de Friese archeologie gedurende de afgelopen zestig jaar, waarbij zijn handelen vanzelfsprekend mede bepaald werd door zijn persoonlijke karaktertrekken. Het duiden van dat karakter valt buiten onze competentie en ook buiten het doel van deze bijdrage. Wat we wel zien is dat er lijnen lopen van de Vikingschataffaire naar het Verhaal van Finn. Het zal niemand verbazen wanneer wij zeggen dat de verdachtmakingen inzake de vervalsing de jonge Zijlstra niet in de koude kleren zijn gaan zitten. Hij bleef sindsdien op zijn hoede en hij bleef ook een eigen positie innemen. Van academici had hij sindsdien geen hoge pet meer op; of bleef hij hen toch zien als autoriteiten, maar dan als heren die uitdagingen behoefden? Wat hij in elk geval wilde aantonen en naar onze mening ook deed, was dat generalisten ondersteuning nodig hebben van specialisten, ook van specialisten die niet professioneel werkzaam zijn. In die zin heeft Zijlstra bijgedragen aan de emancipatie van de amateurarcheologie. De metaalspecialisten zijn aan hem schatplichtig, vooral diegenen onder hen die als beginnelingen bij Zijlstra te rade konden gaan. We kunnen gerust stellen dat de naam van Zijlstra verbonden zal blijven aan de studie van de Friese vroege middeleeuwen, van de toenmalige materiële cultuur en elite in het bijzonder, niet in de laatste plaats omdat hij de impuls gaf tot de opgravingen in Wijnaldum, die op hun beurt een brede, duurzaam gunstige doorwerking zouden krijgen.

Met het registreren van metaalvondsten redde hij gegevens die anders verloren waren gegaan. Ook hiervoor en voor het uiteindelijk doneren van zijn verzameling verdient hij onze blijvende waardering. De Vikingschataffaire confronteerde hem naar eigen zeggen met snel wisselende meningen. Als hij van huis uit niet al enigszins recalcitrant was, dan maakte deze ervaring hem dat wel. De uitleg dat zekerheden in de archeologie niet absoluut hoeven te zijn, leidde er binnen de context van het conflict toe dat hij niet langer per se aansluiting zocht. Het is niet uitgesloten dat deze ervaringen hem de ogen hebben geopend voor de wijze waarop men in de middeleeuwen met het verleden omging. Het middeleeuwse verhaal over vroeger was eveneens beperkt houdbaar, in die zin dat – Zijlstra heeft het sindsdien meermalen uitgelegd – het verhaal deels bewust, deels onbewust werd samengesteld uit waarheden, halve waarheden en verzinsels, al naar de eisen van het moment.112

Misschien verklaart dit waarom Zijlstra er geen been in zag ook zijn eigen visie steeds aan te passen. Voor ons is echter interessanter dat hij de vroegmoderne en laatmiddeleeuwse apocriefe bronnen naar voren haalde als potentiële vensters op de vroegere tijd, omdat hij meende dat in dat oude smeedwerk – naast alle fantasie – wel degelijk stukjes vroegmiddeleeuwse werkelijkheid te vinden zijn. Deze mogelijkheid was tijdens de kritiek op de apocriefe geschiedschrijving de facto gesneuveld en dat verklaart ook de reserve aan historische kant toen men in Wijnaldum onverbloemd naar koningen ging graven.113 De laatste tijd is er weer oog voor de langetermijnaspecten van het Friese verleden en dat maakt Zijlstra’s pogingen in dezen beslist intrigerend.114 Koppelen wij daaraan de aandacht die Zijlstra besteedde aan de beeldtaal, zoals die af te lezen is aan de vroegmiddeleeuwse vondsten, en het is duidelijk dat ook in Zijlstra’s eigen smeedwerk fragmenten van pure vroegmiddeleeuwse werkelijkheid te vinden moeten zijn.

103 Zijlstra, Friese bodemvondsten 4, 26: ‘Deugen mijn suggesties, hypothesen en vraagstellingen wel en ben ik niet (veel) te ver afgedwaald van het centrale thema van deze publicaties, namelijk Friese bodemvondsten? Van de hak op de tak, alles aan elkaar praten, inlegkunde, speculatie en spielerei, dat zal deels de kritiek (en ten dele ook terecht) zijn.’

104 J.A.W. Nicolay, The splendour of power. Early Medieval kingship and the use of gold and silver in the southern North Sea area (5th to 7th century AD), Groningen Archaeological Studies 28 (Groningen 2014).

105 E. Kramer en G.J. de Langen, ‘In memoriam Jurjen Bos’, Van Terpen en Wierden. Nieuwsbrief van de Vereniging voor Terpenonderzoek 18 (2013) (maart 2018), 9-10.

106 Heidinga, Frisia in the First Millennium; Nicolay, Goudvondsten, 1-3.

107 J. Zijlstra, Finnsburg C.A. Supplement (Leeuwarden 2007).

108 In 2009: Finnsburg. Een Fries koningsdrama uit de 5e eeuw (Leeuwarden 2009), bijlage II, gaf Zijlstra aan wat in zijn ogen de reeks publicaties was waarin de ontwikkeling van zijn visie met betrekking tot Finn en Finnsburg te volgen was: Zijlstra 1991 (Finn’s Fibula (?)); 1999 (Friesland en Finnsburg); 2005 (Friesland, Wilfried); 2004 (Aspecten); 2004 (De top drie); 2005 (Finnsburg); 2005 (Redwald aan de Wezer); 2006 (Finnsburg cum annexis) en 2007 (Finnsburg c.a. Supplement).

109 J. Zijlstra, ‘Friese bodemvondsten Deel 8’, Detector Magazine 132 (2013) 40-41.

110 Zijlstra, Een Fries koningsdrama, 2-3: ‘De oude Friese koning of walda, inmiddels door haast iedereen Uffo genoemd, zat somber voor zich uit te staren. Zijn ogen waren nog goed, maar zijn blik (was) zonder uitdrukking. Het vuur in de haardplaats toverde spookachtige schimmen tegen de met leem bestreken wanden. Enkelen van zijn meest trouwe mannen zaten bij hun heer. Een priester was er bij en ook de speelman die met tussenposen een droevig lied ten gehore bracht. Van heldendaden, sommige verricht door voorouders van de grote Wulfing. Ook zijn gulheid werd geroemd. Er werd bier gedronken, veel bier, maar Godwulf de Ricwalda (..) werd er niet vrolijk van.” In de inleiding verwijst Zijlstra naar zijn eerdere in dit verband voorbereidende publicaties (zie noot 109).

111 Al voor de komst van IJssennagger naar het Fries Museum had Zijlstra de gift aan het museum testamentair voorbereid, maar dankzij haar inzet vond de overdracht van de vondsten met bijbehorende documentatie nog tijdens het leven van Zijlstra plaats.

112 Zie bijvoorbeeld Zijlstra, Friese bodemvondsten 4, 23-25.

113 Zie de reacties van de tweede auteur en Paul Noomen in het publieksboek Verborgen Verleden Belicht (G.J. de Langen & P.N. Noomen, ‘De terp Tjitsma bij Wynaldum’ in: G.J. de Langen e.a. (red.), Verborgen verleden belicht. Introductie tot het historische en archeologische archief van Friesland (Leeuwarden 1996), 8-11). De eerste presenteerde de opgegraven nederzettingen te Wijnaldum als hoofdzakelijk agrarisch van karakter, ‘zij het dat ze ook ruimte boden voor dienstverlening en ambachtelijke activiteiten’, zonder het woord koning te bezigen (p. 8-10), terwijl Noomen benadrukte dat de opgravingsterp geen eliteterp was, waarbij hij kritiek uitte op het gebruik van de fabelkronieken uit de vijftiende en zestiende eeuw ter duiding van archeologische informatie uit vroegere perioden (10-11). Zie over de fabelkronieken ook P.N. Noomen, ‘Suffridus Petrus en de Friese identiteit’, in: W. Bergsma e.a. (red.), Mythe en geschiedschrijving in Nederland en Friesland, themanummer It Beaken 56 (1994) 146-187.

114 H. Nijdam, ‘Postmodernisme, longue durée en de Friese identiteit’, De Vrije Fries 98 (2018) 116-131.



Terug naar boven
 

Bronnen

Henstra K.R.  - Pieter Mudstra
Klok R.H.J. - Hunebedden in Nederland
Neste T. van - Neolithisatie van de Benelux
Raemaekers D.C.M.- Het vroeg- en midden Neolithicum in noord- midden- en west Nederland
Vries Oebele - Archeoforum Johannes Minnema

 

Copyright © 2011 Archeoweb | Ontwerp en advies Jongsma Automatisering | Powered by WebsiteBaker - Certified Edition